Het is geen vrije keus om met de speelfilm te
beginnen.
Dat moet wel, want het is de ‘moeder' van alle visuele drama. De
technieken
en structuren die voor speelfilm ontwikkeld zijn, worden ook toegepast
op alle andere vormen, dus ook die vormen die de komende dagen aan bod
komen.
Het enige probleem is dat het binnen de zes uur
die we
deze dag tot onze beschikking hebben ondoenlijk is om én hele
speelfilms
te bekijken én de theorie te behandelen én zelf ook nog
wat
te bedenken/schrijven. We zullen ons dus wat moeten beperken. Op
alledrie
die onderdelen:
Film kijken beperken we tot een aantal
fragmenten,
waarbij ik me vooral richt op beginstukjes van films. Dat geeft een
goede
kapstok om te praten over het onderwerp van de film (of beter: het
onderwerp
van het scenario van die film, want het gaat natuurlijk over scenario
schrijven).
Normaliter begint elke film met een dosis
expositie,
oftewel uitleg over de hoofdperso(o)n(en) en de situatie waarin zij
zich
bevinden. Anders gezegd de Where-Who-What-Why and When-regel. Het
klassieke
schema is dat er daarna, na vijf à tien minuten film, een
‘motorisch
moment' komt, een gebeurtenis waardoor het verhaal in werking wordt
gezet.
Dan gaat het verhaal van de film pas echt beginnen.
Het gezamenlijk zoeken van het motorische moment
is een
goede manier om een gedachtenwisseling op gang te brengen over de vraag
‘Wáár gaat de film nou precies over?' Die vraag lijkt
simpeler
dan die is. Het bioscoopaffiche schetst meestal slechts de
omstandigheden
waarin het verhaal zich afspeelt, terwijl wij ons bezig gaan houden met
vragen als ‘Wat is de plot?' en vooral: ‘Waar gaat de film in
emotionele
zin over?' (de 'onderliggende' gedachte)
Vandaaruit komen we op de verdere opbouw van
de film en
dus op de:
Filmtheorie. Ook daar past
beperking, want
er is inzettend veel over film getheoretiseerd en geschreven. Er zijn
tientallen
How to-boeken (How to write a screenplay, How to make a good script
better,
enzovoort) die allemaal ‘voorschriften' bevatten over de manier waarop
je een film hoort op te zetten. Het is niet alleen ondoenlijk om al die
theorieën binnen een kennismakingscursus te behandelen (voorzover
ik ze zelf al weet), maar ik vind het ook niet zinvol. Ik zou de cursus
liever richten op het verschaffen van technieken om zelf films te
kunnen
ontleden. Hoe krijg je een niet-consumptieve maar analyserende manier
van
film kijken, waar moet je op letten als je aantekeningen maakt,
enzovoort.
Het neemt niet weg dat ik wel een paar klassieke
filmstructuren
langs wil lopen, met name de drie-aktenstructuur en kortgeleden zag ik
een basisstructuur voor comedy-achtige films die mij wel zinvol leek.
Maar
daarmee komt dus slechts het topje van de ijsberg boven.
Daarentegen wil ik langer stilstaan bij de - ook
uit
de filmwereld afkomstige - ideeën over de techniek van film
schrijven:
outline (dan komen we weer terug bij de hiervoor genoemde vraag waar de
film precies over gaat), synopsis, treatment en script. Een proces
waarbij
je geleidelijk van globaal naar gedetailleerd werkt en waarbij je
oppast
dat je niet gedetailleerder wordt dan bij een bepalde fase hoort.
Klinkt
misschien wat ingewikkeld als ik het zo snel zeg, maar dat wordt ter
plekke
wel duidelijk.
De schrijfopdrachten zullen ook
beperkt moeten
zijn, want op een middag een speelfilm schrijven is niemand gegeven. Ik
laat ook de mogelijkheid open voor een vrije opdracht: als iemand al
langer
met een speelfilmidee in zijn hoofd zit en daar ter plekke met anderen
aan wil werken, is dat prima mogelijk. We moeten dan wel even met
elkaar
een copyright-afspraak maken.
.
|