kop

Transcripties van belangrijke stukken uit de geschiedenis van de kinderkolonie





kkkoninklijk Besluit van 24 maart 1824, waarbij artikel 1 het einde inluidt van het Amsterdamse Aalmoezeniersweeshuis en de volgende artikelen de basis leggen voor de opzendingen naar de kolonie in het volgende jaar, al is daar nog een extra besluit in januari 1825 voor nodig (zie onder).
Koninklijk Besluit 24 maart 1824 N 23
bron Provinciaal blad Noord-Holland


Wij Willem, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz enz enz

Gezien de voordragt van onzen minister van binnenlandsche zaken en waterstaat van den 15 dezer la B , strekkende om, ter aanvulling van 4000 plaatsen voor vondelingen, verlaten kinderen en weezen, door de maatschappij van weldadigheid in de noordelijke provincien, ingevolge met het gouvernement gesloten contracten, in gereedheid gebragt, aan de gemeentebesturen de verpligting opteleggen om de kinderen, die‚ in de godshuizen den ouderdom van 6 jaren zullen bereikt hebben, successivelijk van daar naar de kolonien der maatschappij optezenden; oordeelende hij minister een zoodanigen maatregel noodzakelijk, uit hoofde der weinige genegenheid, welke van den kant van de administratie der godshuizen in de noordelijke provincien wordt aan den dag gelegd, om die kinderen naar voormelde kolonien optezenden.
 
Gelet op het advies van de commissie benoemd bij ons besluit van den 5 januarij 1822 no. 36.

Gelet op ons besluit van den 6 november 1822 no. 15.

En in aanmerking nemende, dat het uit de voors. stukken blijkt, dat niet, immers niet overal, zijn in acht genomen de bepalingen van art. 15 van ons voorm. besluit, ten gevolge van welke de provinciale staten het toezigt moeten voeren, over het beheer der fondsen toetestaan aan de godshuizen, waar vondelingen en verlatene kinderen onderhouden worden, en aan ons voordragen zoodanige aanwijzingen van onderstanden als zij noodig achten, op de fondsen volgens art. 14 van de wet van 12 julij 1821 (staatsblad no 9) daargesteld, en zulks met in acht neming:

a. Dat de inkomsten dezer godshuizen en de onderstandsgelden der steden, tot het onderhoud der voormelde kinderen, in de eerste plaats moesten worden gebruikt, tot dezelfde sommen, die daarvoor toen werkelijk bestemd waren, ten zij om billijke redenen, de onderstanden der steden mogten erkend worden, eenige vermindering te moeten ondergaan.
b. Dat in zoo verre, en zoo lang het getal der kinderen in de kolonien der maatschappij te plaatsen, in eene provincie niet zoude zijn uitgeput, het subsidie of gedeeltelijk subsidie, door de provinciale staten op de provinciale fondsen, of door de gemeente-besturen op de gemeente-fondsen daarvoor aantewijzen, nimmer zouden kunnen te boven gaan, de somma van f 30,- per hoofd; ten ware zulks mogt dienen, om de kinderen kkte plaatsen in de landbouwende kolonien op de overeengekomen voorwaarden, of wel dat mogt kunnen bewezen worden, dat zij voordeeliger elders konden worden onderhouden, en
c. Dat in het laatste geval de provinciale staten of de gemeente-besturen de keus zouden hebben, om door erkende bezuinigende middelen, in het lot der vondelingen en verlatene kinderen te voorzien.

Hebben goedgevonden en verstaan:

1°. Onzen minister van binnenlandsche zaken en waterstaat te gelasten om zorg te dragen, dat onverwijld de begrootingen van de gemeenten in de noordelijke provincien over 1824, waarop subsidien aan godshuizen voor vondelingen en verlatene kinderen zijn uitgetrokken, worden herzien, en getoetst aan de bepalingen van art. 15 van ons besluit van den 6 november 1822 n° 15, te dien effecte, dat voor zoo veel meer dan 30 guldens per hoofd, voor het onderhoud der voormelde kinderen mogt zijn berekend, de kosten van dat onderhoud tot op f 30,- worden terug gebragt. Zullende wij het verslag van voorm. onzen minister, wegens zijn verrigtte ten deze, zoodra mogelijk tegemoet zien.

2°. Te bepalen dat te rekenen van den 1 januarij 1825, in zoo verre en zoo lang de maatschappij van weldadigheîd het getal kinderen waarvoor gecontracteerd is, in hare kolonien niet zal hebben opgenomen, er geene subsidien op provinciale- of gemeente-fondsen zullen worden toegestaan, aan burger- en diakonie-weeshuizen, stedelijke armhuizen enz. zoo lang gemelde huizen niet volledig zullen hebben doen blijken, dat derzelver gezamenlijke inkomsten geen f 30 per hoofd bedragen; en dat in dit geval, geene subsidien zullen mogen worden verleend, hooger dan ter suppletie van voorm. f 30 per hoofd.

3°. Onzen voorn. minister aan te schrijven om, ter bevordering van minnelijke schikkingen en vrijwillige overeenkomsten, aan de administratien der godshuizen, alwaar vondelingen en verlatene kinderen, weezen- en armen-kinderen worden onderhouden, zoo spoedig mogelijk van dit ons besluit kennis te doen dragen, en aan dezelve onder het oog te brengen, de aanzienlijke bezuinigingen welke zij in hunne uitgaven zouden kunnen invoeren, vooral dan, wanneer zij zich verstonden met de maatschappij van weldadighcid, om, in plaats van gedurende 16 jaren f 22,50 jaarlijks per hoofd te voldoen, het voorm. onderhoud in eens voor f 200,- of daaromtrent per hoofd aftekoopen, als wanneer zij door negotiatien de daartoe vereischte fondsen zouden kunnen opnemen, waartoe wij onze autorisatie geredelijk zouden willen verleenen, en waardoor, bij eene begrooting van den interest en de amortisatie van het optenemen kapitaal, tegen zes ten honderd 's jaars, de kosten van onderhoud tot op f 12,- 's jaars per hoofd, zouden worden verminderd.

4°. Onzen minister voorn. al verder aanteschrijven, om binnen den tijd van twee maanden, alle noodige berigten intewinnen en volledige lijsten optemaken en aan ons aantebieden.
a. Van het getal der gesubsidiëerde burger-diakonien, weeshuizen en armhuizen en alle verdere gestichten, alwaar onder genot van stedelijke of van andere publieke subsidien, kinderen worden opgevoed.
b. Van het bedrag dier subsidien over elk huis.rechts
c. Van de eigen inkomsten van elk dier huizen; en
d. Van de bevolking van elk huis, en om vervolgens, op deze grondslagen, en voor zoo verre deze subsidien ten gevolge van minnelijke overeenkomsten niet zouden kunnen komen te vervallen, aan ons eene voordragt tot eene billijke verdeeling derzelve te doen.

En is onze minister van binnenlandsche zaken en waterstaat onder toezending van een afschrift van het rapport der commissie, in de praemissen dezer vermeld, belast met de uitvoering dezes, waarvan kennis zal worden gegeven aan de voorn. commissie, tot informatie.

Amsterdam den 24 Maart 1824

(get.) Willem