In de zomer van 1821 arriveren
de eerste bewoners van Wilhelminaoord (boek blz. 298).
Het is dan ook een beetje vreemd van de Maatschappij om in het
eerstvolgende jaarverslag al de oogstresultaten over 1821 weer te
geven. Het zal vooral propagandistische bedoelingen hebben en de
getallen in de rechterkolommen moeten volgens mij niet te serieus
genomen worden. Maar er zijn geen stamboeken uit
die eerste periode Wilhelminaoord bewaard geblevcen en daarom is de
onderstaande lijst wel interessant om een indruk
te krijgen wie er in die tijd als eerste bewoners in Wilhelminaoord
woonden. Het
komt uit de Star augustus
1822. Onder de lijst geef ik een aantal opmerkingen
en verwijzingen bij kolonisten waar ik iets van weet.
Om ruimte te besparen heb ik de lijst in een resolutie van 200 dpi
opgenomen. Wie voor eigen gebruik een hogere resolutie wil (400 dpi,
1,3 Mb) moet even een seintje geven.
NB: Een gedeelte van wat
hieronder als Wilhelminaoord staat, zal in 1825 administratief tot de
kolonie Frederiksoord gaan behoren.
Nadere
informatie
Wordt nog aangevuld. Vet is een externe link, bij een
niet-vette link blijf je op deze pagina's.
Hoeve
Bewoners
1
Ik ken geen kolonist
Mugen. Bedoeld zal zijn Lambertus
Muijen uit Dordrecht, die tot zijn dood in 1840 in de kolonie
zal blijven.
Lambertus Muijen en familie zijn 10 juni 1821 aangekomen. Zijn
echtgenote heet Catharina Croesen
of Croeze, de kinderen zijn Gerrit,
Hendrika, Abraham, Helena Anna en Fanna. Geen
een daarvan blijft op de kolonie, de laatste - Fanna - vertrekt
tegelijk met haar moeder in 1842, twee jaar na de dood van het
gezinshoofd. Zie voor hun verdere geschiedenis de stamboom Muijen
De familie figureert juli 1838 in een zitting van de Raad van Policie
en Tucht na onenigheden met de bij hen ingedeelde Hendrik Adrianus Schepman: (zie ook
onder). Uit het verslag:
'Hendrik van Baarle,
ingedeelt bij den kolonist Muijen, om gehoord te worden op eene
ingekomen klagte tegen den mede aldaar ingedeelden bestedeling Hendrik
Adrianus Schepman, beschuldigd van in den avond van den 25 Juni jl, zoo
niet beschonken althans als te veel sterken drank gebruikt te hebben,
in huis was gekomen te zijn, en op het verzoek van vrouw Muijen, aan
hem gedaan, om eenig water voor haar te halen, en zijne daarop gevolgde
weigering, tot zeer hevige woordenwisselingen is overgegaan, hetwelk
door hem is geëindigd met het vuur door het huis te smijten.'
Hendrik van Baarle
heeft dudelijk geen zin hier al te zeer in verwikkeld te raken:
'De getuige van Baarle zegd
van dit alles iets gehoord noch gezien te
hebben, als de weigering van Schepman om water te halen, daar hij
verder vroegtijdig te bed was gegaan.'
Volgens de beschuldigde was er niet zo veel aan de hand:
'De bestedeling
H.A.Schepman, oud 26 jaar, bestedeling van 's Hage,
daarop voorgeroepen zijnde verklaart dat hij te huis komende door vrouw
Muijen was gebeden om water te halen; hetwelk door hem was geweigerd,
omdat hij dien dag reeds 2 tonnen, elk van 3 emmers had gehaald, hierop
had hij zich verwijderd en was na verloop van 1 ½ uur, omstreeks
half 9, weder te huis gekomen.'
Waar
hij geweest is, is onbekend. Een paar maanden later wordt hij wel
beschuldigd een buurmeisje te hebben bezwangerd, maar het is natuurlijk
zéér speculatief te veronderstellen dat dat nu gebeurd
is. Hoedanook, bij thuiskomst gaat hij een potje lopen jennen:
''Toen hij de vrouw van
Muijen herhaalde malen goedenavond had gewenscht,
zonder antwoord te krijgen, had hij tegen Muijen, die reeds te bed was
gezegd: de reden hiervan is zeker omdat ik geweigerd heb water te
halen, thans verklaar ik u, dit, ook voor het vervolg, stellig niet
meer te doen.
Muijen zou daarop met een stoel van voor het bed naar hem gegooid en
hij zich verwijderd hebben, om zich ter rust te begeven.'
Hendrik Adrianus Schepman
is in de kolonie ondergebracht door F.
Welborn Schepman. Hij is december 1837 in de kolonie aangekomen en
alles wijst erop dat hier sprake is van stevige familieheibel. Een paar
maanden later neemt hij de benen en daarna
'verklaard hij, dat hij was
weggelopen om naar zijn vader te willen gaan, om zich met
denzelve te verzoenen, doch uit hoofde van te weinig geld
niet verder als Amsterdam heeft kunnen komen, van welke stad hij zijn
vader om geld heeft geschreven'
Maar vader is duidelijk nog niet klaar voor verzoening:
'in plaats van hetzelve te
bekomen, door een Beambte der Policie is gearresteerd en naar herwaards
is opgezonden.'
Hendrik Schepman wordt daarop twee jaar in de strafkolonie
vastgehouden, keert
eind 1840 terug in de vrije kolonie (niet bij Muijen) maar gaat begin
1841 weg in
militaire dienst. Hij is vast en zeker terug te vinden op www.schepman.nl
Het voorgeslacht van getuige Hendrik van Baarle, overleden te
Frederiksoord 1846, trof ik, onder de naam Hendrik Hermanus van Baarle, op de parenteel van Matthijs Ariensz van Baerle
2
Johan
Hendrik Nienkemper
komt ook voor op de pagina de Ronde
6
Cornelis van den Berg
komt met gezin uit Vlaardingen.
Hij krijgt senior achter zijn naam als
hij wordt opgevolgd door zoon Cornelis van den Berg, die dus junior
achter zijn naam krijgt.
Junior huwt een dochter van Farenkamp
(zie hoeve 74) en neemt de hoeve
over. Niets aan de hand, denk je, maar de Raad van Policie en Tucht wil
ze 12 februari 1842 per se horen. Zij behandelt dan de beschuldiging:
'tegen den kolonist C. van
den Berg:, hoeve N 83 en zijn vrouw C.J.W. Farenkamp, welke laatste,
door onzedelijken omgang met elkanderen, van voor, het voltrekken van
het huwelijk, is bevallen.'
Gelukkig heeft Cornelis een goed verhaal:
'C. van den Berg,
binnengeroepen zijnde, verklaart dat hij reeds sedert
1 1/2 jaar de toestemming tot het huwelijk van de Permanente Commissie
had ontvangen, doch, dat hetzelve was vertraagd, uit hoofde hij
verzuimd had de toestemming van zijnen kommandant te vragen, welke
toestemming hij anders waarschijnlijk ook vroeger had kunnen
bekomen en dit voorval dan niet plaats zoude gehad hebben.'
Die 'bijzondere omstandigheden' wil de Raad wel in aanmerking
nemen en bovendien laten ze meespelen 'dat het zeer geschikte
kolonisten zijn' Er volgt geen veroordeling.
Twee dochters trouwen ook met
kolonistennakomelingen.
7
Johannes Grondhout
uit Dordrecht heeft bij aankomst juni 1821 drie dochters, van 4, 6 en
19. Ze zullen het er negen jaar uithouden, maar dan vertrekken. Een
gezin dat GEEN nakomelingen op de kolonie achterlaat, dat komt ook voor!
8
Jan Andries van Driel
komt net als bovengenoemde Grondhout uit Dordrecht, arriveert met
hetzelfde konvooi en laat ook geen nakomelingen op de kolonie achter.
Hij is ingepland als huisverzorger voor een groepje wezen, maar
overlijdt na een kleine anderhalf jaar kolonie. Zijn vrouw en zoon
worden daarna zelf ingedeelden. Af en toe komen ze voor bij de Kleine
Raad als ze verlof vragen voor familiebezoek in Dordrecht.
9
Christiaan Verhoeks (soms Verhoekx)
komt uit Zaltbommel en is met zijn gezin op 24 juni 1821 in
Wilhelminaoord aangekomen, tegelijk met de gezinnen van Fukke (hoeve
11) en Doodhagen (hoeve 10) en een lading Zaltbommelse weeskinderen.
Blijkbaar is echtgenote Maria van Alem
hoogstzwanger gereisd, want ze bevalt 11 juli van een zoon. Een andere
zoon, Gijsbert(us) zal later
de hoeve van zijn ouders overnemen, zie ook hieronder hoeve 33.
10
Christiaan Doodhagen is bij aankomst
weduwnaar en wordt vergezeld van drie zoons: Leendert Cornelis, Jan Hendrik en Willem. De
familie is onderdeel van het contingent uit Zaltbommel (zie ook hoeves
9 en 11) en zal Zaltbommels topscoorder koloniale honkvastheid worden.
Alledrie de zoons kiezen ook voor een bestaan op de kolonie.
De oudste
zoon trouwt op zijn 19de met een twintig jaar oudere kolonistenweduwe
van Texel, die dan al hoogzwanger van hem is (zie verder bij hoeve 63),
de middelste verwerft na
zijn diensttijd en huwelijk de koloniale status dankzij de provinciale
militaire subcommissie Zuid-Holland en de jongste volgt zijn vader op.
Een zoon daarvan wordt ook weer kolonist en ruim honderd jaar nadat
grootvader Christiaan in Wilhelminaoord arriveerde wonen er nog
Doodhagens op de kolonie.
Johannes Fukke is de meest
succesvolle van de groep Bommelers (zie ook hoeves 9 en 10). Iets over
zijn koloniale carrière staat in een stukje over zoon Willem Lammerse Fukke, zie hier.
12
Cornelia Cordia (soms Kordia),
weduwe van de op zee omgekomen Kors
Groen, arriveert vanuit Vlaardingen met de zoons Arie, Huibrecht
en Johannes en de dochters Elisabeth en Korsje.
De oudste zoon Arie Groen is
een ondeugd. In 1825 vraagt de weduwe voor hem ontslag van de kolonie
en de directeur oordeelt positief:
'Deeze jongeling is gezond,
sterk en zeer goed bekwaam om door eigen handen arbeid zich een bestaan
te verschaffen.'
Maar Arie blijft in de buurt!
In 1826 blijkt hij Grietje Klasen
Jongens, wed. Muis te hebben bezwangerd. Als de weduwe dat
constateert probeert ze met haar kinderen via Steenwijk en Zwartsluis
te vluchten,
'doch ongelukkiglijk in
laatstgemelde plaats door de policie gevat en vervolgens naar de
kolonie getransporteerd was geworden.'
In 1828 blijkt hij de kolonistendochter Ariana Johanna de Bruijn te hebben
bezwangerd. Zij is een dochter van de Middelburgse kolonist Johannes Hermanus de Bruijn (in 1824
aangekomen) en er zijn trouwplannen. Ariana
'zoude trouwen met arie
Groen, haar vader had reeds eene keet met eenig land voor haar gekocht,
dat zij zouden betrekken, zoodra zij haar ontslag van de kolonie
zoude bekomen hebben.'
Maar Arie is op dat moment in militaire dienst en kan niet trouwen.
Beide vrouwen komen in de strafkolonie waar ze allebei bevallen van een
zoon die ze allebei Arie laten dopen.
Omdat Arie al ontslag had gekregen, viel hij niet onder het koloniale
tuchtrecht en ontliep hij straf.
Zoon Huibrecht Groen trouwt
een meisje Venker, zie genealogie Hesselink.
Ze wijken eerst uit naar Amsterdam maar worden later toch kolonist. Een
dochter van hen blijft daarna ook weer op de kolonie omdat ze met een
wijkmeester in Wilhelminaoord trouwt.
Dochter Elisabeth Groen trouwt
met Matthijs Zandwijk.
Hij was 1821 als ingedeelde uit Oudewater gekomen. Ze wonen drie
jaartje in de buurt (Noordwolde) en krijgen dan van Oudewater een
koloniale hoeve. Daar blijven ze hun hele leven, krijgen elf kinderen
en overlijden pas in de jaren tachtig van de eeuw.
Jan/Johannes van der Lugt
arriveert juli 1821 vanuit Vlaardingen, waar hij volgens
familie-onderzoekers de beroepen 'sjouwer' en 'stadszakkendrager'
uitoefende.
Het gezin, bestaande uit man, vrouw en twee kinderen, heeft geen
problemen met de koloniale tucht, maar zoon Joseph van der Lugt later des te
meer. Hij trouwt met Maria Wilhelmina
Reling,
dochter van een ongehuwde moeder die vanuit Deventer in de kolonie is
geplaatst en dat schijnt een brutaaltje te zijn. Zij heeft al een keer
straf gehad omdat ze door de Maatschappij beschikbaar gestelde huisraad
stiekem had doorverkocht, als in juni 1839 de hoeve van zijn inmiddels
overleden vader op naam van Joseph en zijn echtgenote wordt
overgeschreven.
Een jaar later ligt er een zware beschuldiging tegen hem bij de Raad.
Hij zou een wijkmeester hebben beledigd
'door brutaliteit en het
toevoegen van scheldwoorden'.
Als hij moet voorkomen verschijnt hij zelf niet 'wegens ongesteldheid',
maar neemt zijn echtgenote de honneurs waar. In eerste instantie wijt
zij het aan 'eene ogenblikkelijke drift' van Joseph, maar in tweede
instantie wil zij
'haren man op eene zeer
brutale wijze verschoonen, en ontziet zich zelfs niet, om zulks met
schelden en razen tegen den wijkmeester en de geheele directie te
doen'.
En dan is de Raad kwaad.
'In aanmerking
nemende, haar gedrag voor den Raad, en de verregaande slordigheid van
het huisgezin, hetwelk zeer weinig geschiktheid voor de gewone
koloniën oplevert'
besluit zij het echtpaar naar de strafkolonie te verbannen.
Pas in 1846, na zes jaar opsluiting, keren ze weer terug in de gewone
kolonie. Een jaar later worden zij alweer beschuldigd dat zij goederen
verpand zouden hebben en weer twee jaar later gaat het helemaal mis. Er
is een brief binnengekomen van 'den boekhandelaar H. Spanjaard uit
Steenwijk' dat hem een bijbel te koop is aangeboden. Dat moet Josephs
echtgenote geweest zijn, want van hem wordt nu gezegd dat hij 'zeer
gebrekkig is, bijna niet loopen kan'.
Slim was het ook niet, want op het schutblad van de bijbel staat dat
die door de Maatschappij van Weldadigheid ter beschikking is gesteld
aan J. van der Lugt. Nu hebben ze het helemaal verbruid. De directie
laat weten
'van dit huisgezin uit
hoofde verschillende omstandigheden en gedragingingen noch voor de
kolonie in het bijzonder noch voor de Maatschappij in het algemeen,
zoowel voor het tegenwoordige als voor de toekomst iets goeds te
wachten'.
En de Raad stuurt ze, incluis een inmiddels geboren dochter en zoon,
naar de strafkolonie en ze keren niet meer terug in de vrije kolonie.
Jan van der Lugt krijg 1821 de ingedeelde Arie Roesteen, zie dit verhaaltje
14
Hendrik
Jans Duiker uit Workum heeft als ingedeelde Arie Roesteen uit Oudewater en over
die indeling is een
verhaaltje op de site.
15
Over Jacobus Bouwman
uit Oudewater komt nog een stukje op de bladzijde met weifelende nieuwe
bewoners van Wilhelminaoord, het stukje is er nog niet, de bladzij al wel.
Verder komt hij even voor als verdacht van klachten-uitlokking in dit verhaaltje,
wat ook verband houdt met onderstaande hoeve 16.
16
Cornelis Reedijk
zou afkomstig zijn van Herkingen. Volgens mij is daar maar eentje van
en dat ligt op Goeree-Overflakkee. Hoe hij in Drenthe
terechtgekomen is, is onbekend, maar op een gegeven moment is hij er en
schrijft Johannes van den Bosch mei 1821 aan de pc:
'Reedijk van Herkingen is
een nuttig sujet. Hem als huisverzorger plaatsende, zou ik daarvan
met der tijd een onder-opziener maken.'
Uit de vestigingsstaat wordt duidelijk dat Cornelis Reedijk wordt
vergezeld van een vrouw wier naam Catharina
Perridon lijkt te zijn, en twee kinderen met andere achternamen,
dus wellicht voorkinderen van de vrouw. Het meisje heet Jannetje His, de jongen Adrianus van der Linden.
Reedijk wordt huisverzorger, want daar is een schreeuwend gebrek aan.
De directie is zeer te spreken over 'order en zindelijkheid welke in
dat huis heerscht' Dat omwille van die properheid een ingedeeld
meisje uit Oudewater, Janna Hendriks,
des zondags het huis moet schoonmaken, vindt de directie niet zo'n punt.
Maar Oudewater protesteert dat de zondag is bedoeld voor de kerkgang en
daarom wordt Janna ijlings overgeplaatst naar het huishouden van
kolonist Van Ooijen (zie hoeve 44).
Daarna functioneert het gezin vooral als huisverzorger voor Enkhuizen.
Ze hebben volgens de vestigingsstaat in juli 1821 aan Enkhuizense
weeskinderen in huis:
- Jan Hubbeling (gaat 1823 met
ontslag); - Willem Jans Kriek
(gaat 1826 met ontslag en wordt boerenknecht in de omgeving van
Enkhuizen);
- Jan Klaaszn Kompaan (gaat
1827 met ontslag);
- Hartman Wils (gaat 1825 met
ontslag);
- Herke Kruk (gaat in 1828
eerst naar het wezengesticht in Veenhuizen en pas een paar jaarlater
met ontslag)
- Albertus Pieter Wolvendijk.
Met die laatste is wat. Eigenlijk twee dingen:
- Om te beginnen lag er al uit de periode rond het vertrek een brief
bij Enkhuizen van ene Trijntje Piters waaruit blijkt dat Albertus geen
wees is, want ze heeft het over 'de door haar verlatene zoon Albertus
Wolvendijk'.
'ik heb tot mij groot
leedweesen gee hoort als dat mijn kint na vrederikisort moet het welk
mijn tot grooten droefheyt strekt.'
Het kind is nog maar 13 jaar, heeft zijn vader nooit
gekend en ze is
bang dat Frederiksoord 'een oort is daar ik geen taal of tijding van
kan bekoomen.' Ze schrijft 'twee jaar aan den koors geloopen' te
hebben, waarvan ze 17 maanden in het gasthuis heeft gelegen. Ze
verzoekt dan Heeren Voogden
'ins heeren nam mijn kint
maar na mijn toe te stueren als moet ik dan het brood voor beedlen nog
liefer als naar vreederiksoort.'
Dat leggen de voogden natuurlijk naast zich neer, want dat 'beedlen'
willen ze juist uitroeien.
- En daarnaast meldt het Armen en Weeshuis Enkhuizen
'Door onze
huisverzorger Cornelis Reedijk bij herhaalde missive geinformeert
zijnde van de aanhoudende indispositie van Pieter Wolvendijk nemen
wij de vrijheid UWelEdGestr. ons besluit ter kennisse te brengen, en te
gelijk aan UWelEdGestr. oordeel overlatende, of het niet voegzamer
voor de patient zoude zijn met groot verlof hem te permiteeren na
herwaarts ter zijner genezing overtekomen.'
De directeur vindt dat geen slecht idee:
'Alzoo de hierbovengemelde
Pieter Wolvendijk sedert eene geruime tijd aan een ongemak aan het been
(waarvoor ik geen naam weet) laboreerd en de middelen tot genezing van
hetzelve tot heden vrugteloos zijnde, waardoor dit kind ten wezenlijke
last van het huisgezin verstrekt, is het den ondergeteekende
voorgekomen, dat het voorstel van HH regenten wel kan worden
aangenomen.'
Albertus of Pieter Wolvendijk keert dan terug.
Helaas voor de Maatschappij neemt de familie Reedijk in 1825 om mij
onbekende redenen ontslag.
Pieter Jan Pennings komt uit
Middelburg. Het gezin arriveert 5 juli 1821, als onderdeel van het
contract met Regenten van het Burgerweeshuis te Middelburg.
Niet te verwarren met kolonist Hendrik Penning uit Schiedam (zie in en onder dit verhaal).
Die komt
een jaartje later.
(volgt meer)
18
Christoffel de Plot begint exact
hetzelfde als Pennings van hoeve 19, dus aankomst 5 juli 1821, als
onderdeel van het contract met Regenten van het Burgerweeshuis te
Middelburg.
(volgt meer)
19
Samuel Stoeder,
komt tegelijk met Latour (hoeve 20) en Ganzinga (hoeve 27) aan, dankzij
het contract van de 'Regenten van het Armen Gast en Weeshuis te Vlissingen'.
Omdat Samuel en en eega slechts met één zoon komen,
hebben de Vlissingse regenten daar nog maar eens vier weeskinderen bij
gestopt. Wordt alleen terloops hier genoemd.
20
Lorentz of Lourens Latour behoort
tot het Vlissingse
contingent (zie ook hoeves 20 rn 38). Ze zullen zich later als
kolonist laten opvolgen door hun zoon Franciscus en die mag in 1864 de
koloniale hoeve verruilen voor een grote boerderij van de Maatschappij.
Wordt alleen terloops hier
genoemd.
21
Over Anthonie van Puffelen
uit Oudewater komt nog een stukje op de bladzijde met weifelende nieuwe
bewoners van Wilhelminaoord, het stukje is er nog niet, de bladzij al wel.
Verder komt hij even voor als verdacht van klachten-uitlokking in dit verhaaltje, wat ook
verband houdt met onderstaande hoeve 16.
Zijn weduwe komt voor op de pagina Gewilde Weduwen.
22
Johannes Oudenhoven en echtgenote
behoren tot de grote groep Dordrechters die 10 juni 1821 als eerste
bewoners van Wilhelminaoord arriveren.
(volgt meer)
Johannes Bax met echtgenote en twee
kinderen behoort tot de grote groep Dordrechters die 10 juni 1821 als
eerste bewoners van Wilhelminaoord arriveren.
(volgt meer)
25
De weduwe van Cornelis van den Bosch heet van zich
zelf Elisabeth Smallenberg,
aankomst 10 juni 1820 uit Dordrecht, zie verder de pagina
Snijder.
26
Johannes Gunther was in 1819 eerst
aangesteld als spinbaas over de proefkolonie (nadat David Wijsman na
enkele maanden als spinbaas was weggestuurd, zie het file Wijsman en boek blz 95, 98, 130, 132-133). De
subcommissie Leeuwarden draagt Gunther voor
'tot spinbaas en opzichter
der weverijen, als bij uitnemendheid in die vakken ervaren'.
Maar al snel constateert Benjamin dat hij '‘geen zeer grote kennis van
zijn vak’ heeft. (boek blz 197).
Ook Johannes van den Bosch is van mening 'dat hij de man niet was die
met een goed gevolg aan t hoofd eener fabrijk kon geplaatst worden'.
Belangrijker dan eventuele vakbekwaamheid is dat Johannes Gunther niet
ophewassen is tegen de kolonisten. Een spinbaas moet de kwaliteit van
hun werk beoordelen en aan de hand van die kwaliteit bepalen hoeveel
loon ze krijgen. Daarvoor moet je stevig in je schoenen staan en bereid
zijn harde ruzies aan te gaan.
Dat Gunther zich door kolonisten heeft laten inpakken, blijkt begin
1820 en dan kan hij vertrekken (boek blz
228).
Maar twee jaar later keert Johannes Gunther terug op de kolonie om als
huisverzorger te passen op Leeuwardense wezen. En... dat doet hij
uitstekend.
28
Frans Ganzinga is al huisverzorger
uit Vlissingen gekomen. De
subcommissie aldaar had hem 'gekoppeld' aan een ongehuwde moeder uit
die plaats. Het boterde absoluut niet tussen die twee en hij getuigt
tegen haar als zij een van de ingedeelde wezen heeft verleid, zie deze pagina.
29
Gerrit Jans Slord komt met
echtgenote Hiltje Veldhuis
vanuit Enkhuizen in de kolonie op 31 oktober 1821. Ze zijn de door
Enkhuizen heel snel gevonden opvolgers van de kolonist Jacob de Beer, die in juli was
aangekomen maar 1 oktober alweer weggegaan omdat zijn vrouw op de
kolonie niet kon wennen.
Voor beide echtelieden is dit het tweede huwelijk. Ze hebben dan ook
bij zich twee voorkinderen van Gerrit Jans, te weten Jan Gerritz Slord van tien jaar, en
een meisje van 9 jaar dat in de kolonie-administratie Grietje Slord heet maar wier naam
anders op de aankomststaat staat, volstrekt onleesbaar maar het begint
met een 'H'.
Plus drie voorkinderen van de vrouw, te weten Teunis Klopper van zestien jaar, Klaas Klopper van dertien en Marijtje Klopper van negen jaar.
Een leuke mix van stiefbroers en stiefzussen dus.
Op de kolonie zullen Gerrit Jans en Hiltje nog twee kinderen krijgen, Maria Slord en Vrouwtje Slord,
maar in 1828 verlaat het hele gezelschap het koloniale systeem en
voorzover mij bekend laten ze geen nakomelingen op de kolonie achter.
30
De weduwe van Johan Godfried Klein heet
van zichzelf Maria van Salm en ze komt voor op de pagina Gewilde weduwen.
31
Anthonie Elstrodt,
herkomst Enkhuizen, aankomst 6 juli 1821. Zoon Frederik Willem Elstrodt is de
enige die op de kolonie blijft, hij trouwt een dochter van
proefkolonist Brandsma en wordt (1840) kolonist. Volgens rode boeken
Kloosterhuis is de kwalificatie "Een uitmuntend tuinman, kan opzicht
houden over anderen en heeft op verscheiden buitenplaatsen als baas
gediend en gewerkt: verstaat het broeien en snoeien" de reden voor zijn
bevordering tot vrijboer in 1854.
32
Zwiers. Dit
lijkt wel een bewuste poging om de verwarring zoveel mogelijk te
vergroten. Jan Zwiers met een 's' erachter woont te Willemsoord hoeve
1, hier moet worden bedoeld Albert
Zwier ZONDER s, afkomstig uit Enkhuizen en aangekomen juli 1821.
Zoon Albert Zwier
trouwt Frederiksoord-2 in, zie hoeve nr 8, en zoon Hendrik Zwier trouwt
Wilhelminaoord in, zie verderop deze bladzij hoeve 66 en zoon Jacob Zwier is hieronder bij zijn
schoonmoeder op hoeve 49 te vinden.
33
Vogelenzang, net als hierboven
Zwier/Zwiers een beetje verwarrend, er zijn meerdere Vogelenzangs op de
kolonie. Die andere is de wijkmeester Leendert
Vogel(en)zang, een militair die tevoren in Brugge diende, en die
na een tijdje (24 februari 1822 - 24 april 1823) wijkmeester te
Willemsoord te zijn geweest, wordt bevorderd tot onderdirecteur van het
wezengesticht Veenhuizen I, zie Willemsoord hoeve 97bis.
Waar we hier mee te maken hebben is echter Barend Vogel(en)zang, die op 18
november 1821 vanuit Rotterdam
aankomst in gezelschap van echtgenote Marijtje
Evers en vier of vijf (zie verder) kinderen.
Ook weer een van die gezinnen die ruim gebruik maken van de
huwelijksmarkt op de kolonie.
Oudste zoon Hendrik Vogelzang
huwt in 1836 Maria Puper,
dochter van de kolonist uit Bourtange, zie bij hoeve 54 van
Frederiksoord-2. Na twee jartjes in Noordwolde (vermoedelijk de
desperado-kolonie) krijgen ze een koloniale hoeve. Daar blijven ze de
rest van hun leven. Hun kinderen parenteren weer aan de
kolonistengeslachten Postema, Beun, Van Rooij, Veldmeijer en Nienkemper
(en ik ben er waarschijnlijk nog een paar vergeten..
Eennaoudste zoon Gerhardus Vogelzang
huwt in 1840 Maria Biemans,
een dochter van de Gorcumse proefkolonist Leonardus Biemans, zie diens file. Ook
zij krijgen een koloniale hoeve en blijven altijd op de kolonie.
Dan is het niet helemaal duidelijk of er bij aankomst een ongeveer
6-jarige Christiaan Vogelzang
bij het gezin was. Op de aankomststaat wordt hij niet genoemd, in het
stamboek komt hij wel voor, ik weet het niet.
Wel zeker is Christoffel Vogelzang,
bij aankomst vijf jaar oud. De hoeves zijn op als hij groot is en hij
verlaat de kolonie.
Voor dochters zijn er meer mogelijkheden. Geertrui Vogelzang trouwt 1843 Gijsbertus Verhoeks, zoon van een
kolonist uit Zaltbommel, zie hierboven hoeve 9. Ook zij worden kolonist
en
gaan nooit meer weg.
En de op de kolonie geboren Johanna
Vogelzang trouwt met Francis
Burks, zoon van de proefkolonist uit Goes, zie het file van Jan Burks.
En ook zij... het wordt eentoning, maar al met al zijn er zo rond 1845
VIER hoeves bewoond door Vogelzangs. De daarop volgende generaties zet
zich dit voort.
34
Kan er hierboven
verwarring heersen over Zwier(s) en Vogelenzang, met De Vries is het
helemaal een ellende, het stikt ervan op de kolonie. Ik zal nog eens
een apart paginaatje maken 'De ene De Vries is de andere De Vries
niet'. Dankzij de voorletters valt te zien dat het hier gaat om Jelle.Wessels de Vries die juli
1821 aankomt vanuit Leeuwarden.
Ze hebben twee kinderen bij zich en daar komt op de kolonie nog een
heel ritsje bij. Zoon Auke de Vries wordt
later ook kolonist en dochter Willemina
de Vries wordt kolonistenvrouw.
Ook zijn er door 'de Voogden van het Stads weeshuis en die der
Stadsarmenkamer te Leeuwarden' twee kinderen - Maria en Huibert Heybrink - bij hen gestopt,
wat niet helemaal conform het contract tussen de voogden en de
Matschappij is.
35
Jacobus Verra is een van de 38
Leidenaars die op 9 of 19 juli 1821 in de kolonie aankomen en die
allemaal in Wilhelminaoord gevestigd worden. Met zeven meegereisde
kinderen heeft hij van deze groep het grootste gezin. Voorzover mij
bekend krijgt Jacobus zelf niets met de koloniale tuchtcolleges te
maken, zijn nakomelingen wel.
Zo maakt zoon Pieter Verra in
1843 deel uit van een groepje jongeren
´welke allen bij den
kolonist Schnoor eenige vruchten uit den tuin zouden hebben ontvreemd
en vernield.´
Uit het proces/verbaal blijkt dat het gaat om wortelen en het kost hem
´acht dagen in de
Strafkamer op dit misdrijf is gesteld, benevens dubbele vergoeding van
het ontvreemde´.
Zie voor de samenstelling van het Leidse konvooi waar hij deel van
uitmaakte hoeve 38.
36
Johannes Beun sr, zie voor een
overzicht van alle vermeldingen op de site van het geslacht Beun
onderaan de pagina
kolonie-dynastiën
Zie voor de samenstelling van het Leidse konvooi waar hij deel van
uitmaakte hoeve 38.
37
Cornelis van Nieuwenhoven, aankomst
9 of 19 juli
1821 en is een voorvader van de voormalig Tweede Kamervoorzitster
Jeltje van Nieuwenhoven.
Zie voor de samenstelling van het Leidse konvooi waar hij deel van
uitmaakte hoeve 38.
Het gezin wordt kort genoemd op de
pagina Leiden.
Oudste dochter Jacoba krijgt
verkering met de Monnickendamse wees Teunis
van Waveren, zie dit verhaaltje.
De zoons Cornelis, Martinus en Lambertus kiezen niet voor het kolonials
bestaan, maar dochter Jannetje trouwt met kolonistenzoon Gerrit Beun
die de hoeve van zijn schoonouders overneemt, wat langskomt bij de koloniedynastie Beun.
Uitgebreide genealogische informatie over de van Nieuwenhovens is te vinden op vannieuwenhoven.org
38
Jacobus du Mortier
komt uit Leiden, aankomst 9 of 19 juli 1821 met het Leidse konvooi, dat
verder bestaat uit de gezinnen van Jacobus Booij (er staat bij hoeve
34, maar waar is die gebleven?), Jacobus Verra (hoeve 35), Johannes
Beun (hoeve 36) en Cornelis van Nieuwenhoven (hoeve 37).
Van dit gezelschap zal Du Mortier het kostst blijven, hij vertrekt in
1829.
39
Bodrie (heb ik nog niet thuis kunnen
brengen, geen idee wie ze bedoelen)
40
Albert Jacob Mooij (volgt nog, maar
hier is alvast een link naar een nakomeling uit de
desperadokolonie
41
Pieter Stuiver
komt uit Den Haag, is bij aankomst 29 jaar en zal tot zijn dood in
1862, op 69-jarige leeftijd blijven. Evenals zijn echtgenote, Johanna Zakkee, die tien jaar later
op 79-jarige leeftijd overlijdt.
Het echtpaar heeft elf kinderen, drie in Den Haag geboren, de rest te
Wilhelminaoord, waarvan er nogal wat in de tweede helft van de eeuw op
de kolonie terugkeren en kolonist worden.
Ik tel 50 tot deze familie behorende Stuivers in de
kolonie-administratie.
42
Bedoeld wordt Johann Godfried Leonhardt,
aan zijn naam te zien een van de vele in Duitsland geboren kolonisten,
komt 15 juli 1821 vanuit Den Haag in Wilhelminaoord aan.
Zijn zoon 'ontloopt' hem in verhaaltje nr 4 op deze pagina.
Er zijn meer tuchtzaken, onder andere met zoons die in 1841 door een
hond achterna worden gezeten als ze appels gestolen hebben plus een
akkefietje in 1847 dat het gezin een verblijf in de strafkolonie
oplevert, maar dat moet allemaal nog uitgezocht worden.
Dochter Maria Leonhardt huwt
een buurjongen van hoeve 43 en wordt kolonistenvrouw.
En vader Johann Godfried
hertrouwt op zijn oude dag (hij is 58) met de hieronder bij hoeve 43
genoemde Frederika Wilhelmina van der Vegt (san 42) en ze krijgen nog
één kind.
43
Pieter Elsing, al kom ik ook wel
tegen Elzing met een 'z'. Hij komt uit Den Haag en
arriveert 15 juli 1821. Met echtgenote Johanna
Wagner, zes kinderen en voordochter Frederika Wilhelmina die volgens de
aankomststaat Van der Virt heet maar in de database staat als Van der Vegt. Zoon Gerardus
Johannes Elzing trouwt met een meisje Beun (zie voor die familie hier)
en wordt later kolonist. Dochter Helena
Elzing huwt de Herenveener Klaas
Teeuwes Albertsma en dan mogen ze van Heerenveen een koloniale
hoeve betrekken.
Zoon Johannes Willem Elzing
tenslotte zal zich ook de koloniale status verwerven, hij huwr een
Leonhard, zie hier vlak boven, hoeve 42. En zie op dezelfde plek
voor voordochter Frederika Wilhelmina..
44
Cornelis van Ooijen of Oyen is de
opvolger van het eerste deserteursgezin Van Rhee (zie file Van Rhee). Wijk van Duurstede
had er erg lang over gedaan om een opvolger te vinden en Van Oijen
arriveert pas juli 1821, vijftien maanden nadat Van Rhee de benen
genomen had.
Hart Lippes Poelstra arriveert
vanuit Leeuwarden, 13 juli 1821, tegelijk met Jelle Wessels de Vries
(hoeve 34) en Willem Hubert (hoeve 52). Hij is in gezelschap van
echtgenote en vier kinderen en daar komt er in 1825 eentje bij.
Die laatste is Jacob Poelstra
en die huwt een dochter van kolonist Cornelis
de Vries uit Purmerend en mag dan van Purmerend hun hoeve in
Willemsoord hebben.
Ook zoon Lippe Poelstra wordt
later kolonist.
46
Antonie Keizer
net zo vaak geschreven als Keijzer of Keyzer, komt juli 1821 aan. Het
gezin is onderdeel van een contract tussen de Maatschappij en de
'Diakonen der Hervormde Gemeente te Zalt-Boemel'. Die hebben een 'half'
contract gesloten, voor 'drie armenkinderen met één
behoeftig huisgezin'.
In totaal arriveren er in juni/juli 1821 43 personen uit de Bommelerwaard in
de kolonie. Naast enkele losse wezen zitten daar vijf gezinnen bij
(Verhoeks zie hoeve 9, Doodhagen zie hoeve 10, Scholten zie hoeve 51,
Fukke hoeve 11 en dus Keizer). Allevijf de gezinshoofden zullen ze de
kolonie nooit meer verlaten.
Keizer wordt - evenals Fukke - bevorderd tot vrijboer en wordt genoemd
bij de vrijboeren op de
pagina Ommerschans
47
Dirk van Hoogmoed, aankomst 9 juli
1821. Volgt meer, nu alleen een link naar gde genealogische informatie
van Cees van Hoogmoed
Het geslacht wordt even genoemd op
deze pagina
Het geslacht raakt ook geparenteerd aan proefkolonist Kranendonk, maar
dat is op diens
pagina nog niet opgenomen.
48
Abraham Vegters komt uit Haarlem.
Aankomst juli 1821. Hij en echtgenote Petronella
van Maas
hebben vijf kinderen bij zich en op Wilhelminaoord komen daar nog drie
bij. Maar na het overlijden van de man des huizes in 1837 verlaat de
weduwe met de nog thuiswonende kinderen de kolonie.
Voorzover mij bekend zijn er geen koloniale nazaten.
49
Jacobs, vermoedelijk bedoelen ze Akke Beezem weduwe van J.K.Jacobs.
Als zij vanuit de Beemster op 8 november 1821 aankomst, zijn twee van
haar kinderen al een jaar op de kolonie.
Die zijn door de 'Algemeene Armendirectie van de Gemeente van de
Beemster' meegestuurd met Niesje Blokkers weduwe Molenbroek toen die
1820 naar Willemsoord kwam (zie
hoeve 100).
Maar als Akke Beezem aankomt verhuizen die twee, Cornelis Jacobs en Grietje Jacobs, van Willemsoord naar
Wilhelminaoord en komen ze bij hun moeder wonen. De weduwe heeft ook
bij zich Elsje Jacobs en Hendrik Jacobs
en volgens de 'schout der gemeente De Beemster' zijn zij allemaal
'gezonde en sterke lieden' en 'voor de kolonie in alle deelen geschikt'.
Ze heeft ook twee wezen uit de Beemster in huis, de bij aankomst al
23-jarige Hendrik Lodewijk en
de 19-jarige Jacobus Pronk.
Of het is niet gezellig in het huishouden of het bevalt de jongens
slecht op de kolonie, maar Hendrik neemt na veertien maanden de benen
en Jacob een half jaartje later.
Van de kinderen Jacobs moet de oudste, Elsje,
op haar 26ste naar de strafkolonie wegens ongehuwde zwangerschap. Het
kindje overlijdt een half jaar na de geboorte en dan deserteert Elsje
van de kolonie om er nooit meer terug te komen.
De eennaoudste, Hendrik gaat
weg, maar Cornelis
kiest voor het koloniale bestaan. Hij trouwt een wichtje uit het
nabijgelegen Nijensleek (Roelofje Room, de zus van Grietje - en wie dat
is leg ik later nog eens uit) en krijgt 1842 een koloniale hoeve en
daar zal hij tot zijn dood blijven.
En de jongste Grietje gaat ook
nooit meer weg. Ze trouwt met Jacob
Zwier,
zoon van een kolonist uit Enkhuizen, zie hoeve 32. In 1833 krijgen ze
een koloniale hoeve en vijf jaar later worden ze bevorderd tot
hoevenaar bij Veenhuizen. Daar kon ik ze eerst niet vinden, tot ik
ontdekte dat ze er als Swier stonden. Dan blijkt dat de familie 'Swier'
in 1859 nog steeds hoevenaar is en dat ze dat ook blijven als de Staat
de gestichten overneemt. Ze worden in 1861 'ondergebragt onder de
ambtenaars-huisgezinnen', want bij de Rijkswerkinrichtingen krijgen de
vrijboeren de ambtenarenstatus.
50
Willem Gerritsen Moen komt uit
Nieuwendam, wat valt onder het arrondissement Monnickendam. Die laatste
had Moen naar de kolonie gestuurd, nadat de subcommissie Nieuwendam had
geinformeerd:
'Wanneer zullen de
gemeentes van Nieuwendam en Zunderdorp in de ontlasting van een door
haar voorgedragen arm huisgezin, bij de PC in aanmerking komen?'
Na een paar jaar neemt Moen de benen en hoewel hij in de nabijheid van
Nieuwendam gesignaleerd wordt, lukt het de plaatselijke notabelen maar
niet hem te pakken te krijgen. Uiteindelijk meldt hij zich zelf omdat
hij 'berouw had van zijne handelwijze en in de colonien wenschte terug
te keren'.
Daar in juli 1825 weer aangekomen, wordt hij met zijn gezin meteen tot
de strafkolonie veroordeeld, waar Willem Gerritsen in 1827 overlijdt.
Vrouw en kinderen keren een jaar later terug in de vrije kolonie, maar
na acht jaar verlaten ze die.
51
Bernardus Scholten komt juni 1821 op
basis van een contract tussen de Maatschappij en de 'Regenten der
gecombineerde Weeshuizen binnen Zalt-Boemel'
De meeste Zaltbommelse gezinnen doen het goed. Het maandblad De Star schrijft:
'Onder de voor de
koloniën best geschikte huisgezinnen, gedurende dezen zomer aldaar
aangekomen, munten bijzonder uit die van Zalt-Bommel'
De 44-jarige Bernardus Scholten heeft zelfs promotie gemaakt:
'Een derzelven, met name
scholten, is als sektie-meester of onder-opziener aangesteld.'
Sommige van zijn plaatsgenoten missen een vaardigheid die voor zo'n
promotie nodig is.
'Ditzelfde zou met nog
anderen van daar plaats hebben, indien zij slechts een weinig konden
schrijven.'
52
Willem Hubert en Geertje Dirks zijn
vrijdag 13 juli 1821 aangekomen als onderdeel van een groep van twintig
Leeuwarders. Ze moeten als huisverzorgers op zes Leeuwardense wezen
passen, maar doen dat niet goed. Juni 1822 schrijft de directie over
Hubert:
'Deeze schijnt de kinderen
te mishandelen, hij, maar bijzonder zijne vrouw, hun door vloeken als
andersints een slegt voorbeeld gevende.'
Verder wordt het echtpaar verweten
'de goederen der kinderen
te verwaarlozen en hun te dwingen naaij en stopgaren enz. van hun
zakgeld te kopen'.
De landelijke leiding dringt er bij Leeeuwarden op aan om Hubert door
een ander te vervangen en zelf heeft men nog wel wat
sollicitatiebrieven liggen. Bijvoorbeeld deze:
'Aan de Agtbare en
Hoogmoogende Heeren der Hoogetienerzie van Weldadigheid in den Haag,
Hoogmoogende Heeren, De Burgemeesteren der stad Leeuwarden zenden meij
tot Uw Ed. om een postjen in de colonies te Frederiksoord te verzoeken
der halven ik meij in perzoon beij UE te begeeven om het geen ik van
den landbouw weet te beantwoorden.'
De schrijver heet Johan Hendrik
of Johann Heinrich Horst, 56
jaar eerder te Lindheim in het Duits Hessen geboren maar sinds 1797
geregistreerd in de Burgerboeken van Leeuwarden. Momenteel staat het
water tot zijn lippen:
'De vrouw met de twee
kinderen zijn de Leeuwarden gebooren, en verkeeren dans de Groningen in
een zeer aarmmoedigen tuistoestand. Geen van ons vier heeft weerk.'
Blijkbaar is het geen bezwaar dat er ook eigen kinderen zijn en hij
wordt de opvolger van Hubert. In een twintig jaar durende
carrière als huisverzorger zullen Horst en zijn vrouw maar
liefst 27 weeskinderen voor kortere of langere tijd onder hun hoede
nemen. Tot ieders tevredenheid.
53
Tymen van de Werf komt uit
Zaandam en nog specifieker uit Zaandijk, en moet niet verward worden
met
Adam Werf uit Enkhuizen (zie Willemsoord hoeve 21).
Hij komt 19 juli 1821 aan, met echtgenote Albertje de Leeuw, drie eigen
kinderen en acht weeskinderen uit Zaandam.
Van die laatsten komen er twee bij hem in huis, Johannes Magchielse en Pieter Pigge.
Precies één maand later schrijft de directeur:
'Eindelijk heb ik de eer de
Permanente Kommissie bij deeze te rapporteren, dat op gister, zonder
eenig verlof de kolonien hebben verlaten, de kolonisten Johannes
Magchielse en Pieter Pigge, van Zaandam met het huisgezin van Tijmen
van der Werf gezonden: de eerste is oud, 23. De ander 24 jaar; volgens
zeggen van van der Werf als geen beste sujetten bekend'.
Machielse en Pigge worden teruggebracht en verdwijnen naar de
strafkolonie. Na een jaar kolonisatie overlijdt echtgenote Albertje en
in februari 1823 komt Tymen in de problemen. Als het maandblad De Star
verslag doet van de Raad van Policie in die maand wordt gemeld:
'Zoo ook is de kolonist van
der werf voor gemelden Raad verschenen, dewijl hij zich niet had
ontzien, brieven te schrijven, waarin de koloniale Direktie op eene
alloronbetamelijkste wijze werd gelasterd'.
Tijmen van der Werf en de kinderen Trijntje
van der Werf en Gerrit van der
Werf (waar is zoon Dirk gebleven??) blijven anderhalf jaar
vastzitten en worden dan gedegradeerd tot arbeidershuisgezin in
Veenhuizen.
Later (maar ik weet niet wanneer) keert hij terug in de vrije kolonie
en is dan inmmels hertrouwd met Elizabeth
Raukema.
54
Thomas Baas
arriveert op 22 juli 1821 in de kolonie. De plaatsing van het gezin
gaat op basis van het contract onder de letter 'C' met nummer 12,
tussen de Maatschappij en de subcommissie van weldadigheid Goes. Thomas
is dan bijna 50 jaar. Als vrijboer wordt hij genoemd bij het reglement van 1830.
Echtgenote Barbara Goud is een
jaartje of tien jonger en heeft een zoon uit een eerder huwelijk die
ook meekomt naar de kolonie: Pieter
Haverboek.
Daarnaast hebben ze drie eigen kinderen en op de kolonie komen daar nog
drie bij.
Zoon Jacobus Baas verwerft
zich
een hoeve door de weduwe Van Puffelen te trouwen (zie hierboven hoeve
nummer 21), waarna een van de hoeves van Oudewater op zijn naam
overgeschreven wordt. Zie ook de bladzijde Gewilde Weduwen.
Dochter Clasina Baas huwt een
nakomeling van kolonist Lodewijk (zie Willemsoord hoeve 36),
blijft haar hele leven op de kolonie en zal uiteindelijk een stukje in
de twintigste eeuw overlijden in Rustoord, de bejaardenvoorziening van
de koloniën.
Moeder Barba hertrouwt na de dood van Thomas met de Amsterdamse
kolonistenweduwnaar Willem Machgielsen.
Als die overleden is, drijft ze de hoeve een tijdje met de kinderen uit
beide huwelijken maar komt ze daarna tot haar dood - op bijna
tachtigjarige leeftijd - bij dochter Clasina in huis.
55
Julia Maria Rubaij
is de weduwe van Jan Hendrik Wakker, die volgens een oom van hem 'door
de driften der jeugd verleid' in het huwelijk moest treden met Julia,
die al voor haar 17e het eerste kind van hem baarde.
Zij heeft drie dochtertjes bij zich Anna
Frederika Wakker, Elisabeth Josefina Wakker en Julia Maria Wakker en
ze is op de kolonie gekomen door bemiddeling van die voornoemde oom van
Jan Hendrik. Het gaat niet goed, ze verdwijnt al snel naar de
strafkolonie. Het volledige verhaal komt over een tijdje op de site.
56
Willem Klingen en echtgenote Petronella Wentelaar,
plus drie kinderen arriveren wat later dan de andere Rotterdammers,
namelijk op 1 augustus 1821. Vermoedelijk zijn zij, en de gelijk met
hen aankomende Mommers (hoeve 58), de opvolgers van de echtparen
uit Rotterdam die al binnen een week na aankomst weer vertrokken waren
(dat verhaal komt nog op
deze pagina)
57
Izaak Salomon Hazelip is gezonden
door het joodse Nut en Beschaving als opvolger van ene Winninck die al
heel kort na aankomst de biezen had gepakt. Nut en Beschaving had
gedacht dat een zoon van Hazelip kon worden opgeleid tot
godsdienstleraar voor de joodse kolonisten, maar dat gaat dus niet door
(zie boek blz. 343-344).
November 1822 zijn ze weer terug in Amsterdam.
58
Pieter Mommers
komt - tegelijk met Willem Klingen van hoeve 56 - wat later op de
kolonie dan de andere Rotterdammers, namenlijk 1 augustus 1821, en is
vermoedelijk opvolger van een van de al snel vertrokken Rotterdamse
gezinnen (dat verhaal komt nog op deze pagina). Hij is
vergezeld van echtgenote Johanna
Huisman en zoon Jan. Naar verluidt is een dochtertje niet uit
Rotterdam meegekomen.
Vader Pieter wordt na een tijdje vermeld als 'opzichter'.
59
Theodorus Martinus van den Bijlaard.
Ik heb heel erg moeten zoeken en uiteindelijk alleen zijn aankomststaat
gevonden. Dat wil zeggen dat ik alleen weet wanneer hij aankomt en niet
weet wanneer hij weer vertrekt. Dat laatste moet vrij snel gebeurd
zijn, want vanaf het moment dat er stamboeken zijn komt hij er niet in
voor (volgens mij).
De aankomst is in ieder geval op 8 augustus 1821. Dat wil zeggen dat de
vorige bewoner van deze hoeve nog maar net zijn hielen gelicht heeft,
want de spliksplinternieuwe hoeve heeft al een wisseling gehad. Op 1
augustus 1821 was gearriveerd
vanuit Amsterdam Frans Bouquet,
met echtgenote Catharina Voogt,
en de kinderen Maria, Nicolaas, Jacoba, Hendrikus en Jan Anthony.
Ze zijn heel snel alweer verdwenen en dat wordt hier verhaald
Goed, terug naar de familie Van den Bijlaard. Die komt uit Den Haag en
bestaat verder uit echtgenote Anna
Hermina Herman en de kinderen Johannes Hendrikus Fransiskus,
Maria Johanna en Johannes Gerardus.
Ze hebben een ingedeelde bij zich waarvan ik slechts de naam weet, Jacomina Johanna Steenhuizen, maar
die ik verder ook nergens terugvind.
60
Willem Brauckman, ach ja, dat is een
geval apart. Komt binnenkort een keer een verhaal op de site.
61
Abraham Oostmeier, herkomst
Amsterdam, aankomst 18 oktober 1821, tegelijk met Westhoff (hoeve 62)
en Van Laar (hoeve 64).
Getrouwd met Anna Catharina Halfers,.maar
op de aankomststaat staat bij haar 'niet meegekomen uit hoofde van 16
october bevallen van een zoon'. Die borreling zal door het leven gaan
als Hannes. Zijn broertje van twee jaar, Jacob Johannes, is volgens de
aankomststaat ook 'te Amsterdam agtergebleven'. Wel meegekomen met
Abraham zijn de dochters Catharina Cornelia en Anna Catharina.
Moeder Anna Catharina en de twee kleintjes voegen zich later op
onbekende datum bij het gezin en op de kolonie worden nog geboren
Kornelia en Abraham.
Die al even genoemde Hannes Oostmeier
zal trouwen met Anna Lawende,
een dochter van de Rotterdamse kolonist Cornelis Lawende, en zijn vader
opvolgen als kolonist. Hij zal pas in 1914, dus dik in de negentig,
overlijden in Rustoord.
62
Franciskus Johannis Baptist Westhoff.Weduwnaar
met vijf kinderen, herkomst Amsterdam, aankomst 18 oktober 1821,
tegelijk met Oostmeier (hoeve 61) en Van Laar (hoeve 64).
Op 20 augustus 1822 schrijft hij (of laat hij schrijven) een brief met
één héle lange zin:
'Geeft mit de hoogste
eerbiet te kenne ik ondergetekende Fs Westhoff colonist in de
Westvierdeparte als dat mijn sohn genaamt Ps Westhoff oud zijnde
24 jaare in eene verkeering geraakt zijnde mit eene Neeltje de Weyn,
welke als huysversorgster, op de bovengenoemde colonie, insgelijks
woonagtig sijnde, en sij bijde sodanig over een gekomen zijnde,
van sich gaarne in het huwelijk te vereenigen, hiertoe egter, van
UWelEedele Heeren de admissie en approbatie nodig hebbende, en ik als
vader, van den bovengenoede P: Westhoff mijne goedkeuring geve; so
bin ik te rade geworde van mijn mit deses bij UWelEedele Heeren te
vervoege mit versoek, dat het UWelEedelens behaage moogen, de
hiertoe benodigde admissie te verleenen, ten eijnde sij sich in
der echt mogen vereenigen, en mijn sohn, als colonist mogen ontslagen
worden, en als huijsversorger door UWelEedelens gunst mogen worde
geaccepteert en opdat, dit mijn versoek door UWelEedelens moge
worde toegestaan
Noeme ik mijn mit eerbiet UWelEedelens onderdanigste Dienaar Fs
Westhoff colonist in de Westvierdeparten No. 62
Zie verder hoeve 63.
63
De weduwe van Louwie Pierre (die
militair geweest zou zijn) heet van zichzelf Neeltje de Wijn. Zij komt op 12
september 1821 aan uit Texel en ze is dan ongeveer 32 jaar. Ze heeft
twee kinderen, Trijntje Pierre
van acht en Hendrik Pierre van
twee. Zie ook de pagina Texel.
Daarnaast heeft ze bij zich de ingedeelde Hendrika of Riekje Troost,
waar vermoedelijk iets mee aan de hand is, want ze is al 38 jaar en dat
is een beetje oud om als 'armenkind' onder de 'Algemene Armenvoogden
Texel' te vallen. Ze overlijdt ook al eind 1822.
Voor die tijd is Neeltje al hertrouwd. Met Petrus Gerardus Westhoff,
inderdaad, van de hierboven staande hoeve 62. Ze trouwen 26 oktober
1822, net op tijd, want ze krijgen 2 november een dochtertje dat
ze dopen Johanna Westhoff en
ze mogen van Texel als kolonisten op deze Texelse hoeve wonen. Petrus is negen jaartjes jonger dan
Neeltje, maar hij overlijdt al snel.
Daarna staat Neeltje op de kolonie bekend als 'de weduwe Westhoff' en
als zodanig wordt ze in 1826
'aangeklaagd van uit 75
roeden lands, bepoot met aardappelen de beste stammen uitgerooid en in
de huishouding opgegeten te hebben, in plaats van zich te bepalen bij
die, welke haar door den wijkmeester waren aangewezen.'
Ze mag haar zegje doen:
'De wed. Westhoff had uit
75 roeden lands de beste aardappelen uitgerooid, doch met geen ander
oogmerk dan dezelve in de huishouding te gebruiken.'
En voor straf wordt besloten aan haar
'gedurende de aanstaande
winter 1/6 aardappelen minder te doen verstrekken dan naar gewoonte'.
Had Neeltje door de vroegtijdige geboorte van Johanna al bij de
directie een reputatie van onzedelijke vrouw, augustus 1827 wordt dat
helemaal erg als ze in ongehuwde staat het leven schenkt aan Jan de Wijn. Anderhalve maand later
trouwt ze met Leendert Cornelis
Doodhagen, twintig jaar jonger dan zij en zoon van een kolonist
uit Zaltbommel (zie hoeve 10).
Uit dat huwelijk komen ook weer drie kinderen, maar in 1837 gaat het
gezin met ontslag. Dochter Trijntje
is inmiddels al de wijde wereld ingetrokken, maar verder neemt Neeltje
al die kinderen met al die achternamen mee. Dus in volgorde van oud
naar
jong Hendrik Pierre, Johanna Westhoff, Jan de Wijn, Adriana Doodhagen, Adrianus Doodhagen en Christiaan Doodhagen.
Willem Winkelhuis, bij aankomst uit
Amsterdam december 1821 ongeveer 51 jaar oud. Echtgenote is de ongeveer
even oude Elizabeth Ketelaar.
Dochter Maria Elisabeth Winkelhuis
staat niet op de aankomststaat van het gezin, dus dan is alleen zoon Willem Hendrik Winkelhuis nog in
huis.
Maar met hem is iets ernstig mis. Hij heeft eerder al een half jaar in
een 'verbeterhuis' gezeten en op de kolonie wordt gezegd dat hij zijn
vader slaat en de hoeve in brand heeft gestoken. Hij gaat uiteindelijk
in 1831 naar het Buitengasthuis te Amsterdam.
Enkele dagen later overlijdt vader Willem Winkelhuis.
In 1835 komt de inmiddels weduwe geworden Maria Elisabeth terug in de
kolonie, met drie kinderen met de achternaam De Vos. Ze trouwt met
kolonist Verbeek (zie
Frederiksoord-2 hoeve 33).
Daar in huis slijt haar moeder ook de laatste zes jaren van haar leven.
Het gezin Winkelhuis komt ook voor op de
pagina De Ronde.
Voorafgaand aan Winkelhuis heeft er even een andere kolonist op deze
hoeve gezeten. Op 18 oktober 1821 arriveert, tegelijk met Oostmeier
(hoeve 61) en Westhof (hoeve 62), vanuit Amsterdam Jacobus van Laar, met echtgenote Anna Magdalena Smit en de kinderen
Johannes Renier, Jacobus, Anna Magdalena, Wilhelmina, Elizabeth en
Hendrik.
Maar twaalf dagen later schrijft Visser aan de pc:
'Nog wordt bij deze
gelegenheid ter kennis van de Permanente Kommissie gebragt,
dat de onlangs van Amsterdam aangekomen kolonist van Laar, zodanig door
jichtpijnen als andersints is verzwakt, dat hij volgens zijne
eigene schriftelijke verklaring - welke hier nevens gaat - sints twee
jaren niet in staat was iets te kunnen verdienen; zoo als hij dan ook
gedurende zijn verblijf in de kolonien nog niets heeft kunnen
verrigten.'
Dan is het een maand stil, maar 3 december meldt Johannes van den Bosch
'Het huisgezin van van Laar
behoort mijnes inziens terug te worden gestuurd.'
Hij constateer dat er 'thans meerdere personen' in de koloniën
zijn die 'door ligchaamsgebreken buiten staat zijn de kost te
verdienen' en volgens hem spoort dat anderen aan tot ledigheid (zie
boek blz. 319, ook voor de maatregelen die hij dan neemt).
Maar als het lot van Jacobus van Laar bezegeld lijkt:
'En dat de kolonist van
Laar uit Amsterdam steeds van een ziekelijk gestel is; verklarende hij
egter in geen twee jaren zoo gezond te zijn geweest als gedurende de
tijd dat hij zich in de kolonie bevindt; waardoor hij dan nu ook zijne
voeding door fabriekmatigen arbeid kan verdienen, en verzoekt hier te
mogen blijven;'
Te laat. Op 12 december aanvaardt het gezin de terugreis.
65
Heere Jaakes Kuiper komt in de
kolonie dankzij de contribuanten uit Leeuwarden. Hij arriveert met
vrouw en vier kinderen op 18 augustus 1821. Zijn echtgenote staat op
het aankomstoverzicht als Rompkje
Douwes en de kinderen als Janke, Wietske, Jacob en Douwe,
Na drie jaar, op 20 oktober 1824, mag hij met vrouw en inmiddels vijf
kinderen (Trijntje is er in Wilhelminaoord bijgekomen) de boerderij
nummer 14 bij de Ommerschans als vrijboer betrekken. Zie ook het
lijstje eerste vrijboeren op de
pagina Ommerschans.
Blijbaar doet hij dat heel goed, want jaren later wonen ze er nog.
Er komen nog drie kinderen bij: Hiltje, Hendrika en Rompje, en alles
lijkt een en al rust.
Maar vanaf 1839 beginnen er
allemaal dingen te veranderen.
Eerst gaat Janke op 24 april van dat jaar met ontslag.
Een week later, op 1 mei, gaat Trijntje weg om een dienstje te
aanvaarden, maar die keert na anderhalve maand, 15 juni, terug op het
nest.
Diezelfde dag, dus 15 juni, vertrekt Jacob de grote maatschappij in.
In 1840 zijn er twee van zulke
mutaties.
De eerste is dat Wietske in februari met ontslag gaat, maar de tweede
is dat Janke op 24 augustus terugkeert. Mét kind. En met een
onduidelijk geschreven aantekening ´verlaten vrouw van F.
Naerebout´. Maar voor het goed weergeven van die laatste naam
durf ik mijn hand niet in het vuur te steken. Het is wel dezelfde
achternaam als van haar kind, dat als voornaam Rompje draagt en zou
zijn geboren op 19 juni 1840.
En tenslotte 1841.
Eerst gaat op 8 mei Janke met ontslag. Of dat vrijwillig is of niet
wordt in het stamboek niet vermeld. En dan wordt op 23 december 1841
Heere Jaakes Kuiper met zijn hele gezin ontslagen. En ook hier weet ik
niet of het vrijwillig was of niet. Naar schatting is hij dan een
jaartje of 53.
66
Berend Goossens is gezonden door de
subcommissie van weldadigheid Meppel. Aankomst 17 augustus 1821. Zijn
preciese herkomst is onduidelijk, mogelijk is hij geboren te Neuenhaus
in Duitsland. Hij is getrouwd met de geboren en getogen Meppelse Margje Egberts Tuin.
Die moet in 1839 nog eens voor de Raad van Politie en Tucht verschijnen
omdat ze de sleutel van de achter hun huis gebouwde 'katoenfabriek' aan
haar kinderen had gegeven en er toen enkele jongens baldadigheid in die
fabriek gepleegd hadden.
Het echtpaar heeft vier kinderen, waarvan er eentje op de kolonie
blijft. Dochter Jansje of Jennetje
trouwt met Hendrik Zwier, een
zoon van de Enkhuizense kolonist Albert
Zwier (zie hierboven hoeve 32)
67
Walther (geen idee wie ze hier
bedoelen)
68
Adriaan Boddendijk komt meestal voor
als Adriaan van Ommen-Boddendijk.
Plaats van herkomst Coevorden, aankomst 14 augustus 1821. Dan in
gezelschap van een echtgenote die van voren Jantjen of Jantien heet en
van achteren Nevels. Maar die echtgenote komt na korte tijd nergens
meer voor, vermoedelijk is zij snel overleden.
Adriaan blijft achter met de tienjarige dochter Jantjen en de
zevenjarige zoon Adrianus. Ergens in of rond 1824 hertrouwt Adriaan. Op
14 juli 1824 eapporteert Visser aan de pc:
'het verlangen van de
kolonist Bodendijk en de kolonisten wed. Hoedenmaker tot het
aangaan van een wettig huwelijk.'
Zijn nieuwe bruid heet Anna Wederer.
Zij was midden juli 1822 op reis gegaan naar de kolonie, samen met
echtgenoot Hendrik Hoedemaker,
die te Almelo is geboren (zie de gezinsreconstructie Almelo)
maar vanuit de subcommissie Amsterdam naar de kolonie was gestuurd.
Maar daarna wordt gemeld
'dat Hendrik
Hoedemaker op zijne rijze herwaards, net ver van Amsterdam is
gevallen van het schip in zee, en aan de gevolgen daar van, na dadelijk
bij zijne aankomst te Steenwijk alle medicinale hulp van dr. Schuurman
te hebben ontvangen, nog dienzelfde avond is overleden'.
Het is niet helemaal duidelijk hoeveel kinderen de weduwe bij zich had.
Zeker zijn Jan Hendrik Hoedemaker,
geboren 1807, Johannes Hoedemaker,
geboren 1811, en Margaretha Hoedemaker,
geboren 1813. Daarnaast is er sprake van een in 1818 geboren Gerrit Hoedemaker,
maar die staat niet op de aankomststaat, waar wel weer staat Hendrik
Hensen als 'aangenomen kind'. Maar die laatste uitdrukking wordt
wel vaker gebruikt als men alleen maar bedoelt 'ingedeelde' en in
latere stamboeken staat Hendrik Henze
als ingedeelde.
En als kolonist. Want hij trouwt een dochter van Johannes Adamus
Hoffman (zie
Frederiksoord-2 hoeve 39) en wordt als kolonist geplaatst. Hij en
Magdalena Elisabeth Hoffman krijgen 16 (!) kinderen.
Anyway, de gezinnen Van Ommen-Boddendijk en Hoedemaker worden in 1824
samengevoegd en Adriaan en Anna kijgen er nog bij Jan Hendrik van Ommen-Boddendijk
Boddendijk wordt genoemd als vrijboer in het vrijboerenreglement 1830.
Van Pieter Mook en gezin maar eens een
plaatje. Fragment van de 'Nominative Staat van het Huisgezin Aangekomen
den 2 September 1821 met vermelding waat hetzelven gevestigd is'
73
Arie van den Brink
komt uit Den Haag. Volgens de aankomststaat (zie een voorbeeld
hierboven) van 21 juni ror en met 5 juli 1822, een blijkbaar zo drukke
periode dat er geen dagelijkse aankomststaat van af kon, in gezelschap
van echtgenote Katharina Weedepoel
en de kinderen Johannes (8), Adrianus
(14) en Willemina Anna Berdina van den Brink (18). Niet op de
aankomststaat maar wel in latere stamboeken is er ook nog Johanna Maria van den Brink, geboren
in 1819. Ze komen uit Den Haag.
De meisjes vertrekken na verloop van tijd, de jongens blijven. Adrianus van den Brink behoort
eerst in 1830 tot de kolonistenzoons die vrijwillig met de Drentse
Schutterij op pad gaan om de Belgische opstand de kop in te drukken
(denken ze) en huwt in 1837 Maria
Catharina Hazeloop, wat dus zijn buurmeisje is (zie hoeve 75).
Hij volgt dan die buren als kolonist op. Johannes van den Brink
huwt in 1843 kolonistendochter Geertruijda
Kremer en hij volgt zijn ouders op als kolonist.
Volgens diezelfde aankomststaat hebben ze twee ingedeelde wezen bij
zich. Petronella Cornelia Begeri
of Begerie is ongeveer 16 jaar, zij zal zes jaar op de kolonie blijven.
Jacques Bartholomij
is negen jaar en zal rond zijn veertiende naar het wezengesticht in
Veenhuizen gaan.
74
Frederik Farenkamp (soms Fahrenkamp)
komt juni 1821 vanuit Den Haag.
Een dochter trouwt met Cornelis van
den Berg jr en wordt kolonistenvrouw, al duikt daar even een
probleempje op, zie hierboven bij hoeve nummer 6.
Een andere dochter trouwt een zoon van
de Workumse kolonist Duijker, zie
deze externe link
Johannes Gerhardus Hazeloop komt
juni 1822 uit Den Haag. Het is onduidelijk of zijn vrouw is meegekomen,
want ze staat niet in de stamboeken. Zoniet, dan was hij alleen met
zeven kinderen.
Een zoon wordt genoemd bij Willemsoord hoeve nummer 79
Zie voor dochter Maria Catharina hierboven bij de buren op hoeve 73. Een zoon wordt
wijkmeester te Willemsoord en is in
actie te zien bij de jacht
op de minnaar van Jeltje Klazes Riemersma
Een kleinzoon van Johannes Gerhardus (en zoon van de wijkmeester)
trouwt met een
kleindochter van proefkolonist Van Haften.
76
Smit,
ja, maar welke Smit? Abraham Smit uit Groningen zal het niet zijn, want
die woont in Frederiksoord, zie ook zijn file. En Klaas Smit uit Texel
is terechtgekomen in kolonie nr 6 volgens de aankomststaat die is
afgedrukt op de Texelse pagina
Als iemand nog een Smit in de aanbieding heeft, houd ik mij aanbevolen.
78
Johannes Jacobus Montanus arriveert 5 juli
1822 vanuit Utrecht, met echtgenote Johanna
Maria Hoogewegh en vier of vijf kinderen (op de aankomststaat
staat zowel een Antoinetta Cornelia
Hoogewegh als een Antoinetta
Cornelia Montanus, dus volgens mij is dat gewoon dezelfde).
De andere kinderen staan op de aankomststaat als Johannes Jacobus, Evert Willem en Hendrik.
Johannes Jacobus was voormalig advocaat
met wiens praktijk in Utrecht iets ernstig mis gegaan was. Kort na hun
aankomst reageert de directeur op een brief van de landelijke leiding
waarin zij
'haar verlangen ter kennis
gaf om reden daar bij vermeld dat gen. persoon in eene administratieve
betrekking wierdt geemploijeerd'.
Maar de directeur noemt hem op 16 juli 1822 'een mediocre
adsistent en nimmer een boekhouder'.
Normaliter komen gezinnen helemaal berooid aan in de kolonie, dus er
klinkt een beetje verbazing door als de directeur daarbij ook meldt
'dienende tot verdere
inligting aangaande dit huisgezin, dat het van alle huisraad is
voorzien, onder andere een grote spiegel met vergulde randen, engelsche
lamp, verguld thee servies etc., dat de vrouw bij hare aankomst zich
beklaagd over een steenen vloer, dat zij daar op geen tapijten kon
leggen, dat zij hier geen patent olij kunnen bekomen, zich met kaarsen
zouden behelpen enz.'
Na nog wat heen en weer geschrijf constateert de subcommissie van
weldadigheid Utrecht eind september 1822:
'gezien hebbende, dat het
huisgezin van J.J. Montanus voor den kolonialen stand ongeschikt is,
geeft volgaarne derzelver toestemming tot zijn ontslag uit de kolonien,
zullende zij eerstdaags aan UWelEds eene nieuwe voordragt doen. Enkel
verzoekt zij UWelEds te willen toestaan, dat hijzelf om zijn ontslag
moge verzoeken, ten einde hij niet schijne om wangedrag gedemitteerd te
zijn, hetgeen hem door een brief van den Heer Fullingh zal te kennen
gegeven worden.'
Blijkbaar vraagt Montanus daarna inderdaad ontslag, maar op 30 oktober
besluit de landelijke leiding 'Dat aan Montanus zeker huisje in de
Vierde parten kan worden verhuurd'. Daar wordt dan net kolonie 6
aangelegd en daar zal hij een winkel gaan drijven. Dat blijft hij tot
zijn dood doen, eerst op eigen risico, later in dienst van de
Maatschappij.
Die al even genoemde Antoinetta
Cornelia trouwt op de kolonie, eerst met een boekhouder, later
met een winkelier.
De weduwe Hendrikje Douwes, van
Texel, aankomst 6 juli 1822, met zes kinderen. Twee daarvan zijn van
haarzelf, uit twee huwelijken: Lammert
Mooij en Jan Pieterszn Bakker.
De anderen zijn ingedeelden: Aaltje
Abbenes, Vrouwtje Slot
(familie van de ook uit Texel afkomstige Gerrit Slot op hoeve
83?), Kornelis Koger en Jan Vlaming.
Zie over Hendrikje Douwes verder de pagina Texel.
Tiebes, bedoeld wordt de weduwe Trijntje Tjebbes, van Texel,
aankomst 6 juli 1822, aangevuld met de weduwe Reinoutje Bakker. Verder bestaat het
huishouden uit drie kinderen van Trijntje en wijlen haar man Jan
Bakker, te weten Jacob Jans Bakker,
Klaas Jansz Bakker
en Martje Jansz Bakker en
verder Bregtje de Jong, uit
het eerste huwelijk van Reinoudje Bakker, en Cornelis Reijert van Loenen, uit het
tweede huwelijk van Reinoudje Bakker.
Zie over de escapades van beide weduwen de pagina Texel.
Reinoudje Bakker speelt ook nog een (leuke) rol in de tearjerker van de kindjes Alles.
82
Maartje Verberne is weduwe van ene
Kleberg. Ze komt van Texel, is ongeveer 32 jaar en ze heeft bij
aankomst juli 1822 bij zich Ernst
Kleberg, ook gesignaleerd als Evert Ernst Kleberg, vier jaar, en
een zoon van nog geen één jaar oud die Maarten Verberne heet en die ze dus
gezien zijn achternaam ruim ná het overlijden van echtgenoot
Kleberg
heeft gekregen.
Verder is bij hen ingedeeld Simon Ran,
zie over zijn 'groene wonden' de
Texelse
pagina
In 1827 trouwt Maartje met de ingedeelde David Schouten
van wie de ene keer vermeld wordt dat hij uit Alkmaar komt en de andere
keer van Texel, maar ik denk dat 'Texel arrondissement Alkmaar' bedoeld
wordt. Hij is in 1824, rond zijn 25ste jaar, als ingedeelde op de
kolonie gekomen.
Na hun huwelijk betrekken zij een van de Texelse hoeves en blijven zij
tot hun dood op de kolonie. De enige dochter uit dit huwelijk, Margaretha Maria Schouten, trouwt
met Hendrik Antonius Kemper,
zoon van kolonist H.W.A. Kemper uit Amsterdam, en ook zij blijven
altijd op de kolonie.
Gerrit Slot
komt van Texel en arriveert juli 1822. Met vrouw Neeltje Burger en vijf kinderen,
plus de ingedeelde Marijtje de Jong
Zie ook de pagina Texel.
Het gezin Slot zal in 1830
weer van de kolonie weggaan.
85
Hendrik Hendriks uit Leiden,
aankomst 8 juli 1822, met echtgenote Margje
Jacobs en 'hunne kinderen' Harmkje,
Roelofje, Geertje, Hendrik, Jacob en Grietje, althans volgens de
aankomststaat.
Staat in de database op www.drenlias als Hendriksen.
Verdere bijzonderheden nog niet bekend.