Archiefstukken komen uit het Archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. Het contract uit 1826 bevindt zich in inv.nr. 1587, het besluit uit 1828 in inv.nr. 988. Met veel dank aan Frans Blatter voor de transcriptie van het tweede contract.



Veteranen

Uit het boek mag duidelijk zijn dat Johannes van den Bosch nooit de geringste mogelijkheid om de koloniën uit te breiden liet lopen. Na verarmde huisgezinnen en weeskinderen en bedelaars naar Drenthe te hebben geëxpedieerd, komt hij eerst met voorstellen om kortgestrafte gevangenen bij de Maatschappij onder te brengen en pal daarop komen de gepensioneerde militairen.
Er worden onderhandelingen gevoerd met het Ministerie van Oorlog die in 1826 leiden tot een overeenkomst. Vanaf dat moment maken veteranen deel uit van de bevolking van de koloniën, en met name Veenhuizen en de Ommerschans. Na twee jaar wordt bedacht dat zij misschien ook werk kunnen doen dat meer bij hun vorige beroep past,


Op 20 juni 1826 wordt er een contract gesloten tussen de 'Commissaris Generaal van Oorlog' en de Maatschappij van Weldadigheid voor de huisvesting van gezinnen van veteranen. De Maatschappij heet de partij 'ten anderen zijde' en die legt een belofte vast:
'Art. 1: De contractanten, ten andere zijde, zullen, van het Gouvernement, overnemen, en in de koloniën vestigen, honderd acht en zeventig gehuwde manschappen der garnizoens kompagniën, met hun huisgezinnen, te zamen uitmakende zes honderd drie en vijftig hoofden.'

Die 653 'hoofden' gaan de Commissaris Generaal van Oorlog 22,50 per jaar per persoon kosten. Dat is vast en zeker veel minder dan het zou kosten als het ministerie ze zelf moest onderhouden, net als bijvoorbeeld contracten over weeskinderen een aanzienlijke besparing voor de weeshuizen beloofden. Het komt voort uit het grenzeloze optimisme van Johannes, die verwacht dat alle kolonisten door het werk van hun eigen handen zoveel produkt gaan leveren dat het voor de Maatschappij uit kan.

Er moet een geldlening worden afgesloten (een negociatie, zie boek blz. 144 en 188-189) om ze te huisvesten, maar als die na zestien jaar zal zijn afgelost, hoeft het niets meer te kosten en kan het ministerie gratis veteranen bij de Maatschappij plaatsen. Denkt Johannes. Maar bij toegang 0186, inv.nr. 1587 bevindt zich ook een half-gedateerde ('184...') toevoeging aan het contract dat het ministerie ook in de toekomst voor het opnemen van gepensioneerde militairen blijft betalen. Vermoedelijk is die bijvoeging opgesteld na 16 jaar, dus in 1842, toen duidelijk was dat de Maatschappij van Weldadigheid financieel slagzij maakte.

Het contract omschrijft wat de veteranen gaan verdienen aan - de mannen - landarbeid en - de vrouwen - spinwerk en op welke verstrekkingen aan voedsel en kleding zij recht hebben. De hogeren in rang krijgen nog iets extra:
'Art. 17: De onderofficieren en korporaals, tot de over te nemen veteranen behoorende, zullen boven de bedongen verstrekkingen voor gehuwden, of ongehuwden, al naar gelang zij zelve al of niet gehuwd zijn, van de maatschappij eene toelage erlangen in winkel of zakgeld, als:
een sergeant-majoor..... 50 cents
een sergeant.........40 id
een fourier..........30 id
een korporaal...20 id
wekelijks, welke toelage door het gouvernement aan de maatschappij zal worden vergoed.'

Er is één heel groot verschil tussen dit contract en de contracten waarmee niet-militaire gezinnen worden overgenomen. Ten aanzien van gewone kolonisten staat drankbestrijding hoog in het vaandel van de Maatschappij, elk gebruik van sterke drank is verboden. Maar men beseft dat dat bij militairen volstrekt onhaalbaar is:
'Art.18: De veteranen zullen in de gelegenheid worden gesteld, om dagelijks, doch voor eigen rekening, voor de waarde van vijf cents jenever te koopen.'


Als de veteranen een tijdje hebben gelandarbeid, bedenkt de Maatschappij dat sommigen misschien beter van pas komen 'in eene betrekking, welke het meest aan hunne vroegere overeenkomt'. Op de Ommerschans en in de drie gestichten in Veenhuizen zijn weeskinderen en bedelaars opgenomen met een sterke neiging de benen te nemen. Om dat de kop in te drukken zijn veldwachters aangesteld, die op strategische punten zijn opgesteld en meteen de achtervolging inzetten als dat nodig is.

In het begin worden die geworven uit de besten onder de bedelaarskolonisten en uit langstrekkende werkzoekenden. Maar in Veenhuizen worden al snel veteranen daarvoor ingezet. Bij de Ommerschans ligt hiervoor een detachement militairen van het garnizoen uit Zwolle, maar die kunnen naar huis na het:
'Besluit, houdende aanstelling van eenige Militairen der Garnizoens Kompagniën in de koloniën opgenomen tot veldwachters aan de Ommerschans van den 13 november 1828.'

De aanstelling gaat in per 1 december 1828 en het levert ze een 'niet onaanzienlijke verdienste' bovenop de verstrekkingen waar ze volgens het contract al recht op hebben. Om precies te zijn: twee gulden per week voor een gewone veldwachter en drie gulden voor de opperveldwachter. De taakomschrijving luidt:
'Art 2. Aan de veldwachters te Ommerschans wordt bij de zorg tegen ontvlugting van kolonisten en naar dezelven terug brenging na hunne verwijdering mede opgedragen het getrouw bewaren en handhaven van de rust en goede orde, zoo wel binnen het Gesticht als op het veld waartoe zij aan de Directeur alle diensten zullen moeten bewijzen welke hun door dezelve zullen worden voorgeschreven of dan wanneer het noodig mocht zijn nader gegeven.'

De directie van de koloniën heeft al bij de gepensioneerde militairen geïnformeerd wie er belangstelling hebben voor zo'n functie. Daarna zijn de sollicitanten op hun lichamelijke krachten geselecteerd, zodat al in het besluit de benoemingen kunnen worden bekendgemaakt:
'Art 3. Tot veldwachters te OmmerSchans worden benoemd en aangesteld:
de korporaal M. Lang
              “        E. Bulach
              “        J. Schipper
de kanonnier A. van Wijk
             “      H de Rijke
 de fuselier    F. Fagnaad
            “       J. Gasman
            “       G. van den Bosch
            “       C. Dops
            “       J. M. Mildners
            “       J.H. vander Kamp
            “       J. E. Derwvijn
En tot Opper-veldwachter de sergeant C. de Bruin'

Veteranen zullen nog lang als veldwachters dienst doen. Maar niet allemaal. Sommigen, en in ieder geval de weduwen van veteranen, zullen van de gewone Maatschappij-werkzaamheden moeten bestaan.