MATERIAAL voor een nog te maken pagina over de jacht op koloniegrond -

Op 4 september 1824 realiseert de permanente commissie zich dat ze iets vergeten zijn. Als de koloniën niet worden afgebakend met jachtpalen kan elke idioot met een jachtvergunning op hun grond gaan lopen knallen. Ze wenden zich tot 'de Opperjachtmeester en Opper­houtvester voor de Noordelijke Provinciën', invnr 355:

Dat, ofschoon de bepaalde termijn tot het inzenden der aanvrage om konsent ter afpaling van gronden, ten bewijze van eigen jagt, voor het loopend jaar reeds lang verstreken is, het der Perm. Komm. bij eene onlangs gehoudene inspektie der koloniën van de gem. Maats. allernoodzakelijkst voor den landbouw is voorgekomen, die afpaling der gem. kolonien, vooral van de nieuwe etablissementen te Veenhuizen aangelegd, als nog te doen geschie­den, ter voorkoming van de aanmerkelijke schade, welke door het jagen van vreemdelingen op koloniale grond, anders voor zeker zal te duchten zijn.

Redenen waarom de Perm. Komm. voornoemd zich keert tot UW­HEdG., eerbiedig verzoekende dat het denzelven moge behagen aan haar als nog, tijdig genoeg dat daarvan het effekt voor de aanstaande opening der jagt zal kunnen worden genoten, worde geakkordeerd registratie van eigene jagt op hare naam voor de gronden van de respektive koloniale etablisse­menten der Maats. van Weld. gelegen in de Provintie Drenthe, Overijssel en Vriesland en dat haar daarvan het gewoon konsent moge worden uitgereikt, ten einde daar op de bedoelde en hoogst noodige afpaling der gem. gronden dadelijk te kunnen doen bewerkstelligen.

Ik weet niet of ze in 1824 nog toestemming krijgen of pas in een volgend jaar, maar in ieder geval is het jagen op koloniegrond een onderwerp dat regelmatig terugkomt.

(... volgt nog)

nog verwijzen naar aanstelling jachtopzieners in file OosterhoffBarend.html

(... volgt nog)


Blijkbaar moeten september 1829 vergunningen uitgegeven voor het jagen in Veenhuizen, want employés wenden zich in tamelijk dwingende termen tot de permanente commissie. Eerst op 6 september 1829 de 'opzichter der veenen' H. de Jong, invnr 100 scans 77-78. Door de permanente commissie is bijgeschreven 16 september 1829 N14 en verder: 'Conform op de gronden van het 2e en 3e Gesticht'.

De ondergetekende H. de Jonge, opziener der veenderij in de kolonie van Weldadigheid te Veenhuizen, neemt de vrijheid UHEd.Gestr. met schuldigen eerbied te naderen, te kennen gevende:

dat hij, voor zijne indiensttreding bij de Maatschappij van Weldadigheid de jagt hebbende uitgeoefend, bestendig met de genegendheid tot dat punt van uitspanning is bezield gebleven, zonder zich echter ooit daardoor van zijne beroepsbezigheden te hebben laten aftrekken;

dat hij, gedurende zijn verblijf in de kolonie Veenhuizen zijne genegenheid tot het genoemde schuldeloze vermaak verzaakt hebbende, zich met voorkennis en goedkeuring van den Heer Adjunkt Direkteur Drijber voor het jagt saizoen van 1829 heeft aangegeven en reeds de vereischte akte bekomen;

dat hij hiermede voornamelijk heeft bedoeld om zich in de uren, welke hem van zijn bezigheden in de veenen overschieten, zich bepaaldelijk in die veenen en op den weg naar en van dezelve, onledig te houden, zoo als hij met opgemelden Heer Adjunkt Direkteur had overlegd;

dat hij op den tweeden dezer, door meergenoemden Heer Adjunct Direkteur Drijber is verwittigd geworden van UHEd.Gestr. besluit van 28 Augustus 1829 N3, houdende, dat ter uitoefening van de jagt op de afgepaalde gronden der Maatschappij van Weldadigheid, vrijheid moet verzogt worden bij, en verleend worden door de Permanente Kommissie;

dat hij, overtuigd dat het UHEd.Gestr. als van zelven in het oog zal vallen dat aan niemand zonder nadeel voor het belang der Maatschappij, de vrijheid bovengemeld gevoegelijker dan aan hem zal kunnen verleend worden, deels dewijl zijne werkplaats het jagt veld is, en deels dewijl de aard zijner bezigheden het bestendig doorkruissen der veenen en velden noodzakelijk maakt.

Het is uit hoofde en op grond van het aangevoerde dat de ondergetekende met vorigen eerbied de vrijheid neemt UHEd.Gestr. ootmoediglijk te solliciteren:

dat het UHEd.Gestr. moge behagen hem gunstiglijk toetestaan de jagt gedurende het saizoen van 1829, te mogen uitoefenen op de gronden der kolonie Veenhuizen; immers op die, behorende tot het tweede en derde Etablissement aldaar.

Hetwelk doende enz.
UHEd.Gestr. ootmoedige dienaar
H. de Jonge.
Veenhuizen den 6 Sept. 1829

De volgende die zich meldt, 9 september 1829, is de onderdirecteur Coenraad Hulst, die in zijn brief nog persoonlijker wordt en feitelijk ronduit aan het slijmen is, invnr 100 scans 103-105. Door de permanente commissie is bijgeschreven 16 september 1829 N21 en verder: 'Autoriseren op de gronden van het 2e en 3e Gesticht. De permissie welke wij aan ambtenaren kunnen geven bepaalt zich tot het door de Maatschappij aangewezen jagt district, waarin zij wonen'

Veenhuizen, den 9 september 1829

Hoog EdeleGestrenge Heeren!

Ik neem de vrijheid UE attentie voor een ogenblijk te leiden tot eene aangelegenheid, welke, mijne geliefkoosde uitspanning betreffende, mijne belangstelling wekt.

Van de jeugd af aan namelijk gewoon, om gedurende den tijd daartoe van hoogere hand bepaald, verpoozing van bezigheden in het vermaak der jagt te zoeken, heb ik zulks ook, gelijk UE bekend is, vanaf het tweede jaar mijner dienst bij de Maatschappij van Weldadigheid, tot het jongst verlopene gedaan;

en gelijk ik vertrouw zal UE bij derzelver naauwlettend toezigt gebleken zijn, gelijk het aan mijne superieuren zoo te Fredriksoord als te Veenhuizen bekend is, dat ik nooit eenen ambtspligt aan dat vermaak heb opgeofferd, noch eene in mijnen werkkring vallende bezigheid, om mijne geliefkoosde uitspanning voor eenen enkelen oogenblik uitgesteld, veel minder verwaarloosd.

“Beroepspligt gaat voor alles”, dit was steeds en is nog mijn beginsel.

Het was mij, zoo als ik bij dezen dankbaar moet erkennen, hoogst aangenaam, dat het Z. E. den Heere Generaal van den Bosch, medelid Uwer Vergadering ten jare 1826 behaagde om mij, op mijn verzoek, namens de Permanente Kommissie van Weldadigheid voor eenen opbepaalden tijd, gelijk UE zeker bekend zal zijn vrijheid te verleenen ter uitoefening van de jagt op al de afgepaalde gronden der Maatschappij te Veenhuizen.

Van deeze vergunning heb ik niet alleen duslang(??) in elken jagttijd gebruik gemaakt, maar in vertrouwen op de voortduring van dezelve ook reeds lang de vereischte akte voor het jagtsaizoen van 1829 aangevraagd en bekomen, zonder te kunnen vermoeden, dat de vroeger toegestane vrijheid zoude beperkt of opgeheven worden, gelijk nu bij UE besluit van 28 augustus 1828 N3, het welk voorzeker om wijze redenen zal genomen zijn, schijnt geschied te wezen.

Intusschen voorzien van eene nog al kostbare akte, en steeds bezield met genegenheid tot het genot van het grootste vermaak mijns levens, neem ik de vrijheid overeenkomstig art 4 van opgemeld besluit eerbiediglijk te sollisiteren, dat het mij, even als in vorige jaren, vergund moge worden, om de jagt, op al de gronden der Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen, gedurende het saizoen van het lopende jaar 1829 uitteoefenen.

Ik draag dit verzoek aan UE Mijne Heeren! met te meer vrijmoedigheid voor, deels dewijl ik het verzogte voorregt vroeger mogt genieten, en deels om dat ik de jagt niet uitoefene ten fine van voordeel, maar alleen tot uitspanning, en dienvolgens het wild nimmer verkoop, maar ten geschenke zend aan de hoofd geemploijeerden Uwer Maatschappij te Fredriksoord, aan het 2e en 3e Etablissement te Veenhuizen, zonder zelfs die aan het 1e Gesticht aldaar te vergeten.

Vermits ik mij derhalve met het wild in het gebied der drie Etablissementen gevallen, niet verrijke, en niemand der Heeren aan wien bij UE opgemeld besluit de jagt op de door hem beheerde gronden is vergund, dat bedrijf uitoefend, zoo mag ik mij met de hoop vleijen, dat zich aan UE Mijne Heeren! van de zijde der Adjunct-Directeurs der gestichten geene redenen zullen opdoen, aan de gunstige inwilliging van mijn verzoek contrariërende.

Zoo min als het met redenen iemand der bedoelde Heeren onaangenaam of nadeelig zijn kan, dat mij door UE de vrijheid verleend wordt, om op de afgepaalde gronden van het 1e zoo wel als op die van het 2e en 3e Etablissement de jagt uitteoefenen, zoo aangenaam zoude zulks voor mij zijn;

niet slechts om dat de gronden van het 2e & 3e Etablissement alléén voor den geoefenden jager een te beperkt jagtveld uitmaken, maar ook dewijl ik zonder op de gronden van het 1e Gesticht te mogen jagen, niet in een grooter district zoude kunnen komen, stuitende alsdan aan twee zijden op de grenzen van Vriesland, aan eene tegen de privative jagt van den Heer Tonckens te Westervelde, en aan de andere tegen de gronden van het bedoelde 1e Etablissement.

Bovendien verbieden mijn bezigheden om mij geheele dagen en opzettelijk met de jagt bezig te houden, moetende ik daartoe voornamelijk de agtermiddagen, en die nog véél ter gelegenheid van noodzakelijke bezoeken bij de andere gestichten te baat nemen;

terwijl ik tengevolge eenen onlangs gemaakte bepaling, mij ten minsten eenmaal in de week naar het 1e Etablissement, ten fine van afrekening met den Heer Onder Directeur Textor, moet begeven, en tegen ’s jagers gewoonte en genegenheid aan met het jagtgereedschap op den rug den weg zoude moeten houden, en van alle fortuin afzien, zoo de gronden van het genoemde 1ste Gesticht mij ter exercitie der jagt ontzegt wierden.

Terwijl ik nederig verschooning vraag voor de uitvoerige details waarmede ik de vrijheid genomen heb UE attentie Mijne Heeren! te vermoeijen, herhaal ik met den meesten eerbied mijn gedaan verzoek, dat mij vrijheid verleend moge worden om de jagt, in het saizoen van dit jaar 1829 uit te oefenen op de afgepaalde gronden van het tweede en derde, alsmede op die van het eerste Etablissement.

In vertrouwen op Uwe, mij vroeger betoonde goedgunstigheid, eene favorabele dispositie verwachtende verzoek de verzekering van eerbiedige hoogachting te ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn.

Hoog Edelgestrenge Heeren!
UWEG DV Gehoorz: & Ootmoedige Dienaar
C.Hulst
Onderdirecteur.


Een andere employé valt buiten de boot. Directeur der koloniën Jan van Konijnenburg schrijft in een brief gedateerd 17 september 1829 en met nummer N250, invnr 100 scan 228, door de pc bijgeschreven '28 september 1829 N8 in advies' en 'Nader 24 october 1829 N6':

Frederiksoord, den 17 september 1829

In de bij UwWelEDG missive van 10 Sept. jl. N25 ontvangen admissiën de voorwaarde gemaakt zijnde, dat de geadmitteerde verpligt zal zijn in de uitoefening van de jagt zich te gedragen naar de verordeningen van het Gouvernement op het stuk van de jagt bestaande, zoo heb ik gemeend de vergunning aan den Landmeter Drijver niet te mogen uitreiken uit hoofde hij mij verklaard heeft de vereischte jagtacte niet te hebben.