De stukken over een geval van kindermisbruik op de Ommerschans in 1834

Deze kwestie werd voor het eerst gesignaleerd door deelnemers aan het Vele Handen-project 'Post van Weldadigheid', zie hier. Daarop werden met hulp van iedereen de bijbehorende stukken opgescharreld en getranscribeerd. Die staan hieronder. De zaak wordt ook beschreven in De strafkolonie pagina 149-151.

Het eerste begin is een brief van de directeur der kolonin, gedateerd 14 februari 1834 en met nummer N308. De brief bevindt zich in Drents Archief, toegang 0186 invnr 145 de scans 306-307.

14 februari 1834

Mij is nog eene alleronaangenaamste zaak te behandelen, van mijn laatst vorig bezoek te Ommerschans.-
Het kind Pieter Curtenius N (opengelaten), geboren den 17 Julij 1822, uit de kinderzaal, werd, onlangs door de moeder van die zaal, Scabis geoordeeld en mitsdien in de Scabieuse Zaal overgebragt. De opzigter over die zaal bevond hem, echter, weldra in een veel erger toestand en ondervroeg den onnozelen knaap hierover, waarop hij zakelijk te kennen gaf wat in den brief van den geneesheer, welke ik de eer heb hierbij over te leggen, duidelijk genoeg omschreven is.
Dit verkreeg spoedig eenig gerucht en de bejaarde Van Hoek, welke reeds bekend stond, voor zulk een verachtelijk persoon, werd, ook om zijne eigene veiligheid, in den strafkelder overgebragt, waarin hij reeds meermalen is geplaatst geweest en waaruit de fungerende Adjunct-Directeur hem niet wel durft te ontslaan.
UWEdG zullen uit den brief bemerken, dat ik nog een oogenblik aan de mogelijkheid gedacht heb, dat Curtenius, door anderen verleid, zelf zijne ellende zou veroorzaakt hebben, maar en de jeugd van het kind en zijne eenvoudige verklaring en de stellige naam, waaronder Van Hoek reeds lang bekend stond, moeten hier volstrekt aan moedwillig bederf door Van Hoek van het kind, dat hij overweldigd of overmeesterd heeft, doen denken.
Ik heb de eer UwEdg. te vragen, of er geen termen bestaan, om dit slechte en gevaarlijke voorwerp in een huis van verbetering geplaatst te krijgen, of althans uit het gesticht te verwijderen.

Jongske

De bijlage waar naar de directeur verwijst is een epistel van de arts van de Ommerschans, Samuel de Goede, zie over hem deze pagina. Die bijlage is gedateerd 4 februari 1834 en bevindt zich in invnr 145 scan 68.

Ommerschans: 4 Februarij 1834
WelEdel gestrenge Heer!
In antwoord op UE verzoek vervat in eene missieve aan De Heer Rensing, de dato 29 Januarij 1834 heb ik de eer UEgestr: te berigten dat bij de dagelijkse visite in het hospitaal alwaar de bedoelde Kortenius door mijne zorg zig in bevind blijkt dat de patient door gepaste behandeling en geneeskundige hulp zeer wel Herstelt en dat er ook geen twijfel bestaat of de geheele Herstelling eerdaags volgens zal.
Wat verder het onderzoek aangaat of van der Hoek de oorzaak van des kinds ellende dan wel of Kortenius hieraan door zig zelve de schuld van heeft zoo verklaart nog altijd deze laatste dat hij op het land werkzaam zijnde door van der Hoek mede aldaar, is aangehaald geworden met belofte van een en ander om maar op zijne zaal te komen en daar komende heeft van Hoek hem op de beste kamer gebragt, hem eigenhandig de Kleederen losgemaakt en hem de teeldeelen zoodanig gewreven en geknepen als andersints, dat deze daarvan gelijk als van de verdere berigten posteriori zig geheel en al in den hoogsten graad van verettering en ontsteking bevinden ook den anus 
Zie hier WelEdel gestrenge Heer al wat ik uit het Jongske hebbe kunne krijgen en hetzelve zoo weinig mogelijk is kan verschillen met UEgestr: eige onderzoek destijds met den Jongen.
en hiermede aan Uwe order meenende voldaan te hebben noem ik mij WelEdelgestrenge Heer
UwDlDien De Goede

Bewijs?

De permanente commissie heeft op de brief van de directeur geschreven '25 feb 1834 N15. Inderdaad behandelen ze dat dan en bij de uitgaande post van 25 februari 1834, invnr 421 (daarvan zijn geen scans) staat:

Vraag aan de directeur of niet nog eenig nader bewijs zou kunnen worde aangevoerd om het vermelde misdrijf van van der Hoek te constateren, in welk geval wij zouden verlangen, dat hij bij de gewone regter werd aangeklaagd.

Daarop reageert de directeur met een brief, gedateerd 15 maart 1834 en met nummer N525, invnr 146 scans 426-427.

Op UwEdg Missive van den 25 Februarij JL N. 15, heeft men getracht eenig nader bewijs te bekomen van het misdrijf door Van Hoek gepleegd, waarin men het, echter, niet verder heeft kunnen brengen, dan op bijgevoegde nota staat vermeld, waartoe ik de vrijheid neem mij te refereren.
Van Hoek is, door zijne plaatsing in den kelder, wederom ongesteld geworden en is, dientengevolge, in de Zieken Zaal overgebragt.
Daar het mij toeschijnt, dat UwEdG. van oordeel zijn, dat de zaak, zonder nader bewijs, met geen goed gevolg zou kunnen worden voortgezet, zoo heb ik de eer UwEdg. in bedenking te geven, om den persoon van Van Hoek, hersteld zijnde, heimelijk het gesticht te doen verlaten of zijn ontslag te geven, dat hij wel zou willen hebben, aangezien zijn langer verblijf en verpleeging op den gewonen voet, aan veel bezwaar en bedenkingen onderhevig is.

Horlogie

De bijgevoegde nota met aantekeningen is van 14 maart 1834, opgemaakt door de adjunct-directeur van de Ommerschans en bevindt zich in invnr 146 scan 427.

Van Hoek zegt van al het voorgevallene niets te weten, kent zelfs den jongen Korthenius niet anders als dat hij hem eene en enkele maal gezien heeft en kan zich alzoo niet begrijpen waar mede men hem beschuldigd-
Het kind Korthenius in zijne tegenwoordigheid gebragt en gevraagd of hij die persoon wel kende, waar op het kind antwoorde van Ja wel, verders zegt dit kind alles in presentie van Van Hoek wat hij meermalen verklaard heeft, Van Hoek blijft evenwel alles ontkennen.-
Een tweede voorval heeft er in den voorleden jare plaats gehad met zekere jongen Genjolen genaamd, welke jongen verklaard dat van Hoek tegen hem gezegd had Jongen als ik eens wat met u doen mag en gij spreekt daar niet over, dan zult gij dit horlogie van mij hebben, maar de jongen bevreesd geworden zijnde, is de zaal uitgelopen.-
In zijn zaal weet men niet anders te zeggen, als dat hij altijd met jongens omging, doch van daadzaken kan men niets opgeven.-
De kolonist Kensbergen zegt dat Van Hoek voor ongeveer 25 jaren een wijnhuis hield te Amsterdam op de hoek van de Peperstraat en dat destijds 17 personen beschuldigd van dit geval uit dat huis zijn opgeligt en rug aan rug gebonden zijn en getransporteerd.
Opgemaakt door den fungerend Adj-directeur te Ommerschans den 14e Maart 1834

Apathie

Op de brief van de directeur heeft de permanente commissie geschreven 27 maart 1834 N20. En bij de uitgaande post van 27 maart 1834, invnr 422 (geen scans) besluit men aan de directeur te schrijven Van der Hoek:

dat, wanneer hij niet aan de gewone regter kan worden overgeleverd, hetwelk wij echter veronderstellen dat zonder nader bewijs niet zal kunnen plaats hebben, wij geen middel weten om hem uit de gestichten te verwijderen, hebbende wij ons met de voorstellen van UwEd te dezen aanzien niet wel kunnen vereenigen.

Rekwest

Er gebeurt dus helemaal niets. Maar rond die tijd schrijft Van Hoek ook een rekwest waarin hij om zijn vrijlating uit de bedelaarsgestichten verzoekt. Het ministerie stuurt dat met een hele stapel andere rekwesten door aan de permanente commissie. Bij de agenda van 24 mei 1834 N1, invnr 424 (geen scans) is genoteerd:

1. Marg app & missiven van Binnenl Zaken ?? adressen om ontslagen van de bedelaarskolonisten (...) (...), E. van Hoek, (...) -> in advies, den Directeur hooren.

En bij de daarbij gevoegde uitgaande post schrijft men aan de directeur:

Wij hebben de eer UwEd te verzoeken om nopens de natenoemen bedelaars kolonisten de verzochte opgaven te willen mededeelen:
(...)
20. E. van Hoek, N356, hoedanig zijn gedrag is & hoe staat zijn rekening?
(...) 

Slecht sujet

Daarop rapporteert de directeur op 6 juni 1834, brief N1034, invnr 149 scans 108 ev, door de pc opgeschreven '16 juny 1834 N1' over de requestranten aan de permanente commissie. Met onder andere::

- 20. E. van Hoek N356 is het slechte sujet, waarover ik UwedG. onderhouden heb bij mijne missive van den 14 February jl N308, wiens verwijdering uit het gesticht, om zijn zelfs wille reeds hoogst noodzakelijk is.
Hij heeft tegoed op kleeding 17.87
schuld op voorschot 1.11

Op dat rapport heeft de permanente commissie geschreven 16 juni 1834 N1, en op die dag, invnr 425 (geen scans), stuurt zij het rapport door:

1. Missive Directeur 6 Juny N1034 opgevende de gevraagde renseignementen nopens eenig bedelaarskolonisten -> Binnenlandsche Zaken rapporteren op eenige adressen van bedelaarskolonisten om ontslag

De dader

Inderdaad wordt Egbert van Hoek op 26 juli 1834 ontslagen uit de Ommerschans. Hij was daar op 12 mei 1832 binnengebracht vanuit Leeuwarden en staat met bedelaarsnummer 356 in het 'boek gemerkt G' (Drents Archief toegang 0137.01 invnr 426).

Hij komt later nog een keer terug en zijn inschrijving in het boek gemerkt M (Drents Archief toegang 0137.01 invnr 431) met bedelaarsnummer 6114 is een stuk duidelijker. Hij is binnengebracht op 4 augustus 1847 vanuit Heerenveen. Hij zou zijn geboren op 28 juni 1773 te Leeuwarden. Hij is 1.72 meter lang, hij heeft blond haar en lichtblauwe ogen, een puntige en spitse neus en hij is 'zeer ingevallen van oogen'. Hij wordt op 24 augustus 1848 weer vrijgelaten.

Het slachtoffer

Pieter Curtenius is volgens het bedelaarsregister 'gemerkt G', (Drents Archief toegang 0137.01 invnr 426) waar hij bedelaarsnummer 671 heeft, geboren 17 juli 1822 te Amsterdam. Hij is vanuit die stad op 30 juni 1833 (dus nog geen elf jaar oud!) als bedelaar de Ommerschans binnengebracht. Hij is dan volgens het signalement 1,22 meter lang, heeft een blozend aangezigt, blond haar en blauwe ogen, platte neus, kleine mond en ronde kin. Hij wordt 21 november 1834 (dus na deze gebeurtenissen) overgeplaatst naar Veenhuizen en op 12 maart 1840 (dus na bijna zeven jaar bedelaarsgesticht) ontslagen.

Niet voor heel lang, want volgens het boek 'gemerkt I', (Drents Archief toegang 0137.01 invnr 428) waar hij nummer 2238 heeft, wordt hij op 20 juni 1840 alweer door Amsterdam teruggebracht. Hij is dan 1,5 meter lang, zijn gezicht wordt nu omschreven als 'vol', hij heeft nog steeds blond haar en blauwe ogen en verder zijn er geen bijzondere kenmerken.

De inschrijving loopt door in het boek 'gemerkt L' (Drents Archief toegang 0137.01 invnr 430) en daar wordt vermeld dat hij op 25 mei 1842 moet verschijnen voor de 'militaire regter' (ik denk dat hij niet is komen opdagen bij de loting voor de dienstplicht) en tenslotte 16 juni 1842 in dienst gaat bij het 7de regiment infanterie. En daarmee eindigt hoe hij te volgen is in de Maatschappij-archieven.