|
Alle archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. De geciteerde brieven komen uit de inv.nsr 59, 60 en 61 Als er een sterretje (*) bij iemand staat, is onderaan de pagina meer informatie of een verwijzing over die perso(o)n(en) te vinden. om voortekomen dat de huisverzorgers en huisverzorgsters zich niet laten bedienen van de kinderen Harlingen is in de beginperiode zeer actief. De plaatselijke subcommissie telt 129 contribuanten in het eerste jaar en nadat zij een van de 52 proefkolonisten, Frans Nak*, geleverd had, sluit Harlingen ook een contract af voor de opvang van weeskinderen in de kolonie. Het probleem is geschikte huisverzorgers te vinden. In het boek wordt onder het kopje 'Laten zich bedienen door de kinderen als prinsessen' (blz. 300) beschreven dat Johannes van den Bosch steeds kwader wordt over de activiteiten, of het gebrek aan activiteit, van huisverzorgers. Als hij eind 1821 maatregelen neemt, komt hij in conflict met Harlingen. Hier meer informatie, namen en data. Eem sterretje bij een persoon betekent dat onderaan de pagina aanvullende informatie staat. De eerste lading Harlingse wezen arriveert direct na de oprichting van Willemsoord, dus zomer 1820. Op 24 augustus komt de door Harlingen uitgekozen huisverzorger daar aan, Wouter Peen*, 36 jaar, van origine schoenlapper (boek blz. 253). Hij heeft natuurlijk de pech dat hij een schoonzoon is van proefkolonist Bosch en gezien de ruzie tussen de familie Bosch en de directie duurt het huisverzorgerschap ook niet lang. December 1821 wordt Peen met zijn gezin 'wegens onbetamelijke schuldenlast' naar de strafkolonie Ommerschans gestuurd en daar bijna acht jaar vastgehouden. Niet over alle Harlingers zijn klachten. De gelijktijdig met Peen aangekomen Tjerk Pieters Veenstra* doet het volgens de directie allemaal prima. Ook als op een gegeven moment Harlingen een huisverzorger* plaatst die het al na twee dagen voor gezien houdt: 'hebbende hij toen als
huisverzorger bedankt en waren de kinderen van dien tijd af aan, op hun
zelven zonder eigentlijk een huisverzorger of huisverzorgster aan hun
hoofd te hebben; hier in wierdt evenwel grotendeels voorzien door de
huisvrouw van gen. kolonist Veenstra, welke nagenoeg de geheelen dag
bij hen was en voor het bereiden der spijzen enz. zorgde'
Midden 1821 neemt Johannes van den Bosch de eerste maatregelen tegen huisverzorgers die niets doen om de aan hun toevertrouwde weeskinderen aan het werk te houden. Hij zet de wijkmeesters op stukloon. Ze krijgen wekelijks dertig cent ‘voor ieder huisgezin van wezen
waar van de
verdiensten 6 gulden of daar boven per week bedragen; wanneer de
verdiensten minder mogten bedragen, zal aan hun voor zoodanig
huisgezinnen niets worden uitbetaald’.
Zindelijkheid Dat is dus al in werking gesteld als, 7 oktober 1821, een volgend contingent Harlingse weeskinderen arriveert. De daarover aangestelde huisverzorger heet Rense Sibrens Leba*, een voormalige zeeman. Hij is evenals zijn echtgenote ongeveer 60 jaar oud en zij vallen dus in de categorie van 'bejaarde echtelieden' die de Maatschappij het meest geschikt vindt om als huisverzorgers te dienen. De zes bij hen ondergebrachte weeskinderen zijn tussen de 10 en 17 jaar, vijf jongens en één meisje, één katholiek en vijf hervormden (Leba zelf is ook hervormd). Van het meisje, de 14-jarige Anna Maria Schuurman*, wordt later gezegd dat zij 'zeer bekrompen van zielsvermogen' is en elders wordt zij 'het niet regt wijze kind' genoemd. Er komen al snel klachten van de 'HH weesvoogden' in Harlingen. Vooral over de zindelijkheid van de bij Leba ondergebrachte kinderen. De directeur gaat op onderzoek uit: 'De zindelijkheid; hier op was ja
wel iets aantemerken; de koussen waren niet zodanig gestopt als men wel
zoude kunnen wenschen. Doch ik vond hun kleding voor het overige in
eene vrij goede staat; terwijl ieder zondag morgen de kinderen in
tegenwoordigheid des wijkmeester van schoon linnen worden voorzien en
gekamt: de vrouw van Leba, wilde mij zeggen dat zij onzuiver waren.
Daarop heb ik de jongen - ik meen het was de Leeuw - die daar bij
tegenwoordig was ontkleedt, en bevondt het tegendeel in de volstrekste
zin.'
Die ter plekke ontkleedde jongen zal zijn geweest de 17-jarige Regnerus de Leeuw*. Als die best rein op zijn lijf blijkt te zijn, komt vrouw Leba met dezelfde beschuldiging tegen een andere wees, ook zeventien jaar: 'toen beweerde zij het was van
der Veen. Deeze in kol. no.6 arbeidende kon ik het niet nader
onderzoeken; volgens het zeggen van de Leeuw kan dit egter waar zijn,
te meer daar uit al wat ik heb kunnen vernemen schijnt dat van der Veen
een ondeugend kind of jongeling is; zijnde hij die welke de meeste
klederen heeft verkogt.'
Tsjah, als Uiltje Ebes Veen* de door de kolonie verstrekte kleding weer doorverkoopt aan derden, komen ze er nooit netjes bij te lopen! De directeur voegt eraan toe dat hij bij de jongeman 'een slegt, onzedelijk karakter verneem te hebben opgemerkt'. Dat is dan, samen met het zwakbegaafde meisje, de enige van de Harlingse wezen: 'Voor het overige zijn de
kinderen naar hunne jaren klijn van persoon, doch tot den arbeid
geschikt'.
24 stuivers Inmiddels is duidelijk geworden dat de eerder genoemde maatregel met de wijkmeesters niet werkt. Ook als die hen achter de broek zitten, verdient een huishouden met weeskinderen minder dan ze aan voedsel en andere dingen verstrekt krijgen. Begin december 1821 komt Johannes met een nieuwe maatregeld: Als een gezin met wezen schulden maakt, is de huisverzorger verplicht zelf 24 stuivers per week bij te verdienen. Daar is Leba niet voor gekomen. Een beetje op kinderen passen is tot daar aan toe, maar op zijn oude dag nog aan de landarbeid of het spinwerk.... Daar moet hij nog eens goed over nadenken, En 7 januari 1822 meldt Johannes van den Bosch vanuit Drenthe: 'WelEdele Heeren!
Leba na zeer lang getweifeld te
hebben heeft
heden morgen definitief
zijn ontslag gevraagd.'
Volgens Johannes is Leba opgestookt door een dominee uit Harlingen. Dat
begrijpt hij althans van de predikant uit Vledder (Jentink)'Ik heb gemerkt dat zekere
dominé uit die
streken er onder vind, althans dominé Jensink heeft mij een zeer
hoogdravende brief van dien man doen zien waar uit blijkt dat Leba zijn
bijzondere protegé is.'
Voor de rest vindt Johannes het alleen maar prima, al moet het wel aan Harlingen een beetje verkocht worden. 'Na mijn inzien behoren wij geen
ogenblik
te aarzelen met dien man zijn ontslag te geven en de subkommissie te
informeren dat wij tot de maatregel met de huisverzorger verplicht
geweest zijn uit hoofde dat de vrouwen in het algemeen zich als
princessen door de kinderen doen oppassen, dat deze daar door in plaats
van zich tot arbeidzaamheid te gewennen en centen in de spaarbank op te
leggen, integendeel niets leerden en voor alles ongeschikt wierden.'
Hij levert alvast de argumenten die aan Harlingen overgebriefd moeten worden en komt daarbij met een van zijn rekensommetjes. Voor alle duidelijkheid: het tweede cijfer zijn steeds stuivers. Dus als hij schrijft 'ƒ1-4-', bedoelt hij één gulden en 4 suivers, oftewel 24 stuivers, oftewel zoals we regenwoordig zeggen ƒ1,20. 'Daar thans de uitgaven van een
huisgezin hier
slechts bedragen als
Nu verlangd de Maatschappij dat
de
6 kinderen slechts verdienen zullen
deze som in plaats van ƒ6- waarop zij bij de reglementaire bepalingen
gesteld zijn en dat het daar aan ontbrekende door de eigen verdienste
van de huisverzorgers zal worden gesupplieerd (...) tot een bedragen toe van ƒ1-4-.'
Allerongeschikst Volgens Johannes kan de maatregel bij de andere huisverzorgers op begrip rekenen en moet daarom doorgegrepen. 'Leba is de enigste van alle
huisverzorgers die dit geweigerd heeft, welker voorbeeld derhalve van
schadelijke invloed zou hebben kunnen worden en mitsdien terug gezonden
wordt met vrijlating aan de kommissie om deze door een andere geschikte
persoon te doen vervangen. Het is van het hoogste belang dat wij bij de
genomen
maatregel blijven persisteren. Vooral deze protegé zo spoedig
mogelijk weg te zenden.'
Maar nadat de permanente commissie dat aan Harlingen heeft doorgebriefd, moet zij 'met leedwezen' constateren dat Harlingen er helemaal niet blij mee is. Harlingen geeft een 'ongunstige beoordeling' en verwijt de Maatschappij 'onbedachtelijk handelen'. De pc is teleurgesteld: 'Zij had zich gevleid, dat eene
subkommissie, die zoo veel ijver aan den dag gelegd heeft in het
bevorderen en uitbreiden van de belangen der Maatschappij, als die van
Harlingen, eene zoodanige mate van ijver, wij durven zeggen,
belangeloozen ijver en overleg in het algemeen beheer van de zoo
moeijelijke taak, waarmede wij ons belast zien, in ons zouden hebben
voorondersteld.'
Harlingen stuurt wel een opvolger, Anske Alles Dijkstra, van beroep bakker, met echtgenote. Maar daar komt volgens de directie ook niet veel werk uit handen: 'Dijkstra is gekomen in plaats
van Leba, hij was bij lang voor zijnen komst te Willemsoord ziek en
zwak en in die tijd verliet hij niet het bed of de hoek van den haard,
is dus allerongeschiktst voor zijne betrekking.'
Het blijft modderen. Ook rond andere Harlingse huisverzorgers als Smit en Ydema wordt nog veel gecorrespondeerd. Harlingen blijft ontevreden over de verzorging van hun wezen en de Maatschappij blijft ontevreden over de inactiviteit van de Harlingse huisverzorgers. Echt tot elkaar komen zal nooit lukken.
Over de Harlinger proefkolonist Frans Nak, zie zijn file elders op de site. Over Wouter Peen zie zijn file elders op de site. Tjerk Pieters Veenstra zou volgens de (niet altijd betrouwbare) kolonie-administratie zijn geboren 1782 en zijn getrouwd met Tjitske Jans de Bruin. Zij blijven tot hun dood, respectievelijk 1841 en 1851, op de kolonie. Ze wonen in het begin Willemsoord hoeve 94 De naam van de huisverzorger die slechts twee dagen blijft komt slechts één keer voor en is moeilijk te lezen. Het lijkt nog het meest op Tape. Verdere informatie ontbreekt. Rense Sibrens Leba, wiens naam ook voorkomt als Leeba, zou in 1760 zijn geboren en zijn echtgenote Bregje Mellema in 1757. Ze wonen (eventjes dus) Willemsoord hoeve 12 Anna Maria Schuurman is volgens het Harlinger Archief no. 3720 geboren mei 1806. Over haar wordt door de directie ook nog geschreven: 'Het kind - meisje kan mijns bedenkens niet worden gezegt, zodanig van verstand te zijn ontbloot, dat het tot eenig vrouwelijk werk onbekwaam is, hoe wel het aan de andere zijde ook waar is dat zij somtijds blijken geeft van zulke bewrongen geest. vermogens, en dingen doet, dat men haar als onwijs zoude beschouwen.' Zij wordt genoemd bij Willemsoord hoeve 12 Regnerus de Leeuw zou volgens de kolonieadministratie zijn geboren 16-2-1804, van beroep 'koperslager' zijn en als overleden ouders hebben gehad Jan de Leeuw en Hijlkje G. Bolta. Hij blijft drie jaar op de kolonie en vertrekt 24-7-1824. Hij wordt genoemd bij Willemsoord hoeve 12 Uiltje Ebes Veen zou zijn van 26-5-1804 en wees van Ebe Uiltjes en Antje Dirks. September 1824 zal hij van de kolonie deserteren, maar na een half jaar keert hij terug. Op 5-6-1826 verlaat hij de kolonie voorgoed. Hij wordt genoemd bij Willemsoord hoeve 12 |