Drie maal Veenhuizen: aankoop, een moordenaar en een verliefde veldwachter

door Wil Schackmann

Januari 1818 richt generaal-majoor Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. Verarmde arbeidersgezinnen worden overgebracht naar Zuid-West Drenthe. Het begin is een experiment in Frederiksoord dat ik in De Proefkolonie zo waarheidsgetrouw mogelijk heb trachten te beschrijven. Dan volgen er andere 'vrije' kolonies, zoals Willemsoord (1820) en Wilhelminaoord (1821), maar als er zo'n 400 eenvoudige hoeves gebouwd zijn wordt het beleid veranderd. In plaats van gewone arbeidersgezinnen moeten er nu bedelaars en weeskinderen opgevangen worden.
De eerste keer dat de plaatsnaam Veenhuizen in de annalen van de Maatschappij voorkomt is op 28 november 1822. Johannes van den Bosch bericht het hoofdkantoor in Den Haag van de activiteiten van Stephanus Jacobus van Royen, de schout van Vledder die voor de Maatschappij land aankoopt: 'De Heer van Royen heeft eenige gronden gekogt te Veenhuyzen onder approbatie van de Kommissie.’
Approbatie betekent dat de commissie het nog moet goedkeuren. Een maand later is dat allemaal rond en stuurt hij de contracten van de aankopen 'te Veenhuizen in de markt van Norch. Deze gronden zijn uitmuntende voor de kollonie geschikt, alle effen en met een a ½ voet veen bedekt.’
Johannes is zeer tevreden. ‘Voordeeliger gelegen­heid tot het aanleggen van kolonie kan wel nergens gevonden worden.’ De aankoopprijs is laag, ‘zodanig dat door een gere­kent heideveld, bouw en groenland te zamen genomen niet boven de ƒ30- de morgen kosten’ en dan krijgen ze de opstallen, een boerderij, een ‘schoon huis’, er gratis bij. Een belangrijk pluspunt, zowel voor het aanvoeren van bouwmaterialen als voor het in de toekomst afvoeren van landbouwprodukten, is dat ‘twee bevaarbare kanalen, het een de Hauler wijk die door Vriesland loopt, de andere de Hoofdwijk uit de Smildervaart naar Norch genaamt, in des zelfs nabuurschap eindigen’.
Het is hem ook goed duidelijk dat er één man is waar ze bij transacties niet omheen kunnen. ‘De Heer Tonkes is schout en notaris in die omtrek en ons volstrekt noodza­kelijk.’ Voor elke aankoop waarbij hij bemiddelt ontvangt Tonckens 100 gulden, een bedrag waarvoor een arbeider al gauw vier, vijf maanden moet werken. Maar ook als dat er bij geteld wordt, beschouwt Johannes 'deze koop als de voordeeligste tot nog toe voor de Maatschappij gesloten'.

Een moordenaar
In de loop van 1823 wordt het eerste etablissement gebouwd en begin 1824 arriveren de eerste weeskinderen. Bijvoorbeeld Cornelia van der Leelie, zeventien jaar eerder als vondelinge aangetroffen op de hoek van de Keizersgracht en de Utrechtsestraat in Amsterdam, en nu met negen lotgenoten op 17 februari uit die plaats vertrokken en de 20ste in Veenhuizen aangekomen.
Ze blijft drieëneenhalf jaar en keert dan terug naar Amsterdam, waar ze uiteindelijk een eigen winkel drijft en maar liefst 85 jaar oud zal worden. Zo wel gaat het lang niet alle wezen! Na Cornelia’s vertrek wordt haar inschrijfnummer, 29, toegekend aan ene Rixtie Lammertse uit Friesland en die overlijdt twee maanden na aankomst. Het nummer gaat dan naar de wees Catherina Blom die aankomt op 11 juni 1828 en... overlijdt op 17 augustus 1828. Haar opvolger in 1829 heet Peter Blom en die blijkt volgens het stamboek maar vijf weken in leven te blijven.
Inmiddels zijn allang het tweede en derde etablissement gebouwd en zijn overal vandaan opgepakte bedelaars naar Veenhuizen gebracht. Het zijn lang niet allemaal lieverdjes. Zo meldt de directeur eind 1825 dat ‘den bedelaar kolonist - wiens naam ik mij op dezen oogenblik niet herin­nere, en die bij een volgende zal opgeven - om een of ander misdrijf in het etablissement te Veenhuizen in arrest zijnde, heeft verklaard voor 2 of 3 jaren in een bosch niet ver van Antwerpen hout hakkende, eene jongen wiens naam hij noemt, door een slag op het hoofd van het leven te hebben beroofd, en denzelven in dat bosch begraven, waar op hij is weggegaan en rondge­zworven, tot hij te Antwerpen als bedelaar is opgevat en in het werkhuis geplaatst.’
Eerst denkt de directeur dat zo’n spontane bekentenis duidt op een vorm van krankzinnigheid, maar de bedelaar lijkt goed bij zinnen te zijn. ‘Ik heb dus gemeend om het belang der justicie de noodige maatregelen te moeten neemen, dat deze bekentenis ter kennisse van de publieke justitieel authoriteiten werd gebragt.’ Hij draagt de onderdirecteur op ‘eene schriftelijke verklaring van drie geemployeerden in wiens bijzijn den zich aanklagende, het hier boven omschreven gezegde herhaald heeft, aan den schout der gemeente Norgh te doen toekomen’.

De verliefde veldwachter
Er bestaat bij zowel wezen als bedelaars een sterke neiging de benen te nemen en om dat de kop in te drukken heeft de Maatschappij veldwachters aangesteld. Eentje, met de sjieke naam Paulus Claudius Gillet van Dompseler, raakt december 1825 in de problemen. Hij heeft een verlofpasje gehad om, zoals hij schrijft, ‘vrij te mogen vertrekken na Zuthvent om mijne famielliezaken te redderen en aan de kant te doen’. Hij bedoelt Zutphen. Maar bij het passeren van de kolonie in Frederiksoord treft hij een adjunct-directeur die het niet vertrouwt, het pasje inneemt en hem sommeert terug te gaan naar Veenhuizen. Paulus besluit stiekem toch door te reizen, ‘om reden het niet was voor plaisier maar wel uithoofde noodzakelijkheid en te meer daar het mijn gepermiteerd was door mijne Directeuren van het tweede gestigd’.
Maar als hij zijn zaakjes geregeld heeft, is hij ‘bevreest en beschroomt’ om terug te keren. Hij reist naar Den Haag en schrijft daar een smeekschrift aan de jongste zoon van de koning, prins Frederik, die hij - wat zeker niet gebruikelijk is - ‘Lieve’ Doorluchtige Hoogheid noemt. Hij wil namelijk ontzettend graag terug naar Veenhuizen. Niet omdat hij het zo’n prachtbaan vindt, maar omdat hij daar kennis heeft gekregen aan ‘een meijsje welk ik zoo teer bemind’. Die door de 29-jarige Paulus beminde, is de twee jaar jongere Anna Maria Christina Claassens. Paulus verzekert dat zij ‘mijn in het binnenste van mijn hart en ziel geprent staat en niet kan missen en zij mijn niet’. En het teer beminnen heeft er al toe geleid dat Anna ‘hoog zwanger van mijn gaat’.
Hij vraagt de prins ‘eene verlofpas of briefje om met mijn mijsje te mogen trouwen’ en blijkbaar heeft niemand bezwaar, want korte tijd later is hij weer in functie. En als alle papieren geregeld zijn, treden Paulus en Anna te Norg in het huwelijk.


Bronnen: ingekomen brieven in het archief van de Maatschappij van Weldadigheid dat berust bij het Drents Archief, toegangsnummer 186, invoernummers 63 (aankoop) en 76 (‘moordenaar’ en veldwachter), bevolkingsregister wezen invoernummer 1408 plus informatie van genealogisch onderzoekers.