HET PRILLE BEGIN VAN VEENHUIZEN (november 1822 - juni 1823)

door André Huitenga

De allereerste keer dat binnen de Maatschappij van Weldadigheid de plaatsnaam Veenhuizen valt, is op 28 november 1822. Johannes van den Bosch is nog druk bezig met de reglementering van het bedelaarsgesticht op de Ommerschans, waar juist de eerste clientèle binnendruppelt, als hij aan de Permanente Commissie schrijft: 'De Heer van Royen heeft eenige gronden gekogt te Veenhuyzen onder approbatie van de Kommissie. Er is voor uitzicht om aldaar toe billijke prijzen nadere duizend morgens grond uitstekende voor de cultures te bekomen.' Blijkbaar is de tweede assessor nog steeds van plan heel Drenthe tot aan Stadskanaal te koloniseren.
Een maand later stuurt hij de contracten van de aankopen 'te Veenhuizen in de markt van Norch. Deze gronden zijn uitmuntende voor de kollonie geschikt, alle effen en met een a ½ voet veen bedekt, slechts 3 uuren gaans van Wateren verweidert.' Dat laatste is gunstig omdat Johannes hoopt tezijnertijd de tussenliggende gebieden ook aan te kunnen kopen, zodat het grondgebied van de Maatschappij één aaneengesloten geheel wordt dat een flink stuk Drenthe omvat. Er zijn voor Johannes, in hedendaags idioom, no limits.
Tussenpersoon bij de aankopen en volgens Johannes door zijn positie 'volstrekt noodzakelijk' is Johannes Tonckens, die al sinds 1811 de gemeente Norch, tegenwoordig Norg, bestiert, eerst als maire, nu als schout en notaris. Voor elke aankoop waarbij hij bemiddelt ontvangt Tonckens 100 gulden, maar ook als dat er bij geteld wordt, beschouwt Johannes 'deze koop als de voordeeligste tot nog toe voor de Maatschappij gesloten'. Dooreengenomen komen heideveld, bouw- en groenland gemiddeld niet boven de 30 gulden per morgen uit en dan krijgt men de gebouwen, een boerderij, een 'schoon huis', er voor niets bij. Bijkomend groot voordeel is dat er twee bevaarbare kanalen in de buurt zijn, de Haulerwijk die door Vriesland loopt en de Hoofdwijk, een aftakking van de Smildervaart die naar Norg voert. Kortom, concludeert Johannes, 'voordeeliger gelegenheid tot het aanleggen van kolonie kan wel nergens gevonden worden'.

BELEIDSWIJZIGING

Alleen wordt hier met kolonie niet bedoeld de traditionele opzet als in Frederiksoord of Willemsoord, van arbeidersgezinnen met ingedeelde kinderen en huisverzorgers met groepjes wezen. Vanuit Drenthe kondigt Johannes een beleidswijziging aan. Het huidige systeem voldoet niet, er zijn 'drangredens die aansporen om van de thans gewone wijze aftewijken'. Wanneer hij op 18 februari 1823 zijn nieuwe plannen ontvouwt, wil hij nog niet teveel over die drangredens uitweiden (want dat zou lijken of hij de huidige kolonies als mislukkingen bestempelt), maar als hij wordt bestookt met vragen vanuit de commissie van weldadigheid, het gouvernement en prins Frederik, licht hij ze - intern - toe.
De gebreken van het huidige systeem komen voort uit 'de liederlijkheid van veel huisgezinnen'. Meer en meer blijkt dat kinderen, ingedeeld bij zulke huisgezinnen 'in plaats van beter, slechter wierden'. Goede gezinnen zijn niet te krijgen. Subkommissies en armenverzorgers zijn 'geenszins kies in eene keuze van menschen om daar bij kinderen intedeelen. Op deze wijze word het onmogelijke van ons gevorderd, dat wij de kinderen namenlijk een goede opleiding zullen doen geven door middel van menschen die zelve geen der minste opleiding gehad hebben.'
Hieruit verklaart Johannes 'het eindeloos getal van klagten, met welke de directie overstroomd word. Dan eens van de kinderen, dan eens van de personen bij welke zij ingedeelt zijn en dan wederom van de uitbesteders, schoon deze het zich door hunne ongeschikte keuze zelve te wijten hebben.'
Op zich lukt het wel om met 'vereischte maatregelen' de onaangenaamheden te beteugelen, maar 'bij eene plotzelijke uitbreiding' zouden ze wel eens van een zo ernstige 'geaardheid' kunnen worden dat ze 'het welgelukken der onderneming twijfelachtig zoude maken'. Hij gaat nog een stap verder: 'Ik voor mij, en de Heer Visser deelt volkomen in mijn gevoelen, ben zo volkomen zeker dat de onderneming geheel mislukken zal en moet zo wij op de gebruikelijke wijze voortgaan, als zeker ben van mijne existentie.'
Het moet dus anders. De détailtekening van een vleugel van het nieuwe gebouw laat zien dat het één verdieping hoge gebouw door een middenmuur in tweëen wordt gedeeld, zodat het tegelijk aan de buiten- en aan de binnenkant (rond het middenplein) bewoond kan worden. De buitenkant is opgedeeld in hokjes voor gezinnen, de binnenkant is één langwerpige grote ruimte voor de kinderen. Inplaats van te worden ingedeeld bij gezinnen, zullen de op te nemen vondelingen en wezen dus zaalsgewijs worden gehuisvest, vergelijkbaar met de manier waarop dat al eeuwen in weeshuizen gebeurt.
Binnen die zaal 'kan men de kinderen schiften naar hunne jaren en sexe' en kan een onderofficier 'daar over de directie uitoefenen'. Johannes beveelt deze inrichting aan bij ZKH (prins Frederik) als zijnde verre te verkiezen boven de oude vorm en vooral omdat 'op de gewone wijze met de huisgezinnen welke wij te wachten hebben het doel van Zijne Majesteit niet kan worden bereikt, namentlijk wat eene goede opvoeding betreft'.
Overigens houdt hij een slag om de arm. Als er bezwaren komen van ZKH of het gouvernement kan makkelijk teruggekeerd naar de oude vorm, 'gelijk uit neffens gaande tekening blijken kan. De woningen der kolonisten namentlijk stoten onmiddelijk tegen de zalen. Zo nu de dwars beschotten wierden doorgetrokken dan zou de zaal in zo veele kamers afgescheiden zijn als er vertrekken waren en een communicatie deur in de muur plaatsende zouden de kinderen bij het huisgezin gebragt of daar mede verenigd zijn'. En de minister van binnenlandse zaken kan desnoods verteld dat de kinderen slechts 'aanvankelijk in een bijzonder instituut' worden ingedeeld, 'ten einde ons met dezelver geaardheid bekent te maken alvorens die toetebetrouwen aan de huisgezinnen om door de ondervinding te leren beoordeelen in hoeverre de gemeenschap tusschen de kinderen en de huisgezinnen of huisverzorgers met de kinderen voor of nadelig geacht moest worden'. Pas daarna zou over de tussenmuren besloten moeten worden.
De slag om de arm is overbodig. Noch ZKH noch het gouvernement heeft veel aanmerkingen op de nieuwe opzet. Ook commissieleden als Sijpkens, Kemper, Mendez de Léon en Schrant gaan zonder tegenwerpingen accoord. Dokter Nieuwenhuys uit Amsterdam heeft één bezwaarpunt en toont daarmee over voorspellende gaven te beschikken. Hij vreest 'dat de vereeniging of buurtschap van de kinderen met den verkwistenden kolonisten en bedelaars geene goede indruk op het publiek maken zal'. De toekomst zal uitwijzen hoezeer hij gelijk heeft.
En zoals gebruikelijk is het commissielid Ameshoff die met de meest fundamentele (en verstandige) kritiek komt.

DROOMBEELD

Petrus Ameshoff is er eens goed voor gaan zitten. Hij heeft het stuk 'bedaard, met ernst gelezen' en heeft het getoetst aan 'in dit vak deskundige schrijvers als Vollenhoven' en aan 'mijne begrippen van doelmatigheid, ja van menschelijkheid'. En hij kan de kritiek niet voor zich houden: 'Aan dwalingen ben ik wel als elk mensch onderworpen. Doch tegen mijn gevoel wil ik niet handelen'.
Zijn eerste conclusie is dat de nieuwe opzet feitelijk de erkenning inhoudt van het failliet van 'de tegenwoordige wijze van koloniseren'. Men erkent nu 'dat de denkbeelden om de behoeftigen te verbeteren, slechts droombeelden waren.' Meer dan in een vrije kolonie mogelijk is, moet 'de magt over de kolonisten op een punt vereenigd worden'. Je kunt dat niet overlaten aan opzieners, want die bekleden hun post niet uit vrije verkiezing, maar uit financiële noodzaak.
Daarom juicht hij het toe als er centraal geleide 'arbeiders- en bedelaarsgestichten' komen. Voorwaarde is wèl dat de arme 'zedenverbasterde menschen' in afgescheiden ruimtes terechtkomen, want anders worden het 'massa's ondeugende die door hunne samenleving elkander meer en meer zullen bederven en nog slechter de inrigtingen zullen verlaten. Even als de gevangenen onderling zich de ondeugden leeren, zal hier ook geene betere zeden geleerd worden'. Als aan die voorwaarde voldaan wordt en er ook een gebouw ontworpen wordt waarin dat kan, stemt hij van harte in met zulke gestichten.
Maar dan komt zijn grootste punt: 'bij deze arbeiders inrigtingen weeshuizen plaatsen omdat de huisverzorging niet deugd, dit kan niet'. Inderdaad is de methode van huisverzorging zoals toegepast in de vrije koloniën 'te onbekookt' ingevoerd. Dat wordt nu toegegeven, maar 'deze bekenning moet ons echter voorzichtigheid leeren, en vooral moeten geene kinderen het slachtoffer van onberadenheid worden'. De nieuwe opzet is niet het juiste antwoord op dit falen, hier komt niets goeds uit, hier zullen de kinderen alleen slechter van worden.
De zaalsgewijze opvang zoals Johannes die heeft laten tekenen is toch niet anders dan een godshuis of weeshuis zoals onze voorouders die bouwden? We hadden daar in het verleden 'niet zoveel kwaads van moeten zeggen', want nu moeten wij zelve weeshuizen bouwen'. Het bederf van alle weeshuizen is de onbetrouwbaarheid, Ameshoff noemt het 'brooddronkenheid' van de opzichters. Geschikte toezienders zijn niet te krijgen, omdat het beroep te 'slaapachtig' is. 'Suppoosten spannen samen en zoeken gelegenheid om de misdrijven te bedekken. Oneindig zijn de misbruiken die zij om hun zelfs wille bedekken, en zelfs overal pogen te doen ontstaan.'
Als bestaande weeshuizen zoals het Aelmoezeniersweeshuis in Amsterdam zulke problemen niet op kunnen lossen, moet de MvW dan ook zo'n gebouw oprichten en er ook nog eens honderden volwassen slechte voorbeelden bij zetten??? Nee dus, vindt Petrus Ameshoff.
'Wij moeten geene kinderen in massa overnemen.'
'Wij hebben de ondervinding hoe gevaarlijk het zij, met kinderen proeven te nemen. Het denkbeeld van proeven met kinderen, stuit mij tegen de borst.'

Hij kan het voorstel in deze vorm niet goedkeuren. Het liefst zag hij 'onze inrichting omkeeren' en teruggaan naar het plaatsen van brave kolonisten op hoeves, met daarnaast bedelaarsgestichten. Het opnemen van kinderen 'vereischt te veel zorg en opzicht'. En helemaal tenslotte toont hij nog zijn vooruitziende blik door te waarschuwen voor ziektes bij grote concentraties mensen in een slecht ventileerbaar gebouw.

VOORTGANG

Zo gebruikelijk het is dat Petrus Ameshoff kritische noten kraakt, zo gebruikelijk is het dat Johannes van den Bosch het commentaar op zijn plannen niet afwacht. Hij is alweer enkele stappen verder. Hij wil meteen twee hoofdgebouwen neerzetten, één in Doldersum en één in Veenhuizen. Maart 1823 waarschuwt hij de permanente commissie dat 'de kanalen die daar na toe lopen niet langer dan in het begin van meij bevaarbaar zijn'. Dat brengt de aanvoer van bouwmaterialen in gevaar, want vervoer per as is onbetaalbaar.
Begin april worden bouwbestek en tekeningen gemaakt en bidt hij om een snelle beslissing. Als de droogte intreedt, kunnen de gebouwen niet in dit jaar voltooid. Zijn mening daarover is kort, krachtig en Johanniaans: 'Dit kan derhalve volstrekt niet.'
Hij wacht dan ook niet af. Terwijl de steenbakkerij in de vrije kolonie op volle toeren draait om gewone stenen te vervaardigen, heeft hij ene Poelman naar de Zaan gezonden om hout te kopen en opzichter Elzinga naar Harlingen om voor elk van beide etablissementen 210.000 stenen voor de schoorstenen, 80.000 vloerstenen en 15.000 pannen aan te schaffen. Van de eerdere bouwprojecten heeft hij geleerd dat tijdige aanvoer van materialen het 'hoofdpunt waarvan alles afhangd' is. 'Het is op dit ogenblik een tijd van handelen, om te delibereren schieten er weinig oogenblikken over'.
De directeur van de koloniën, Wouter Visser, wordt aangestoken door die dadendrang en vraagt tegelijkertijd toestemming 'tot het maken van een begin met het graven eener scheepssloot of verlenging van een kanaal genaamd de Norchervaart', zodat straks bouwmaterialen aangevoerd kunnen worden. Hij begroot die onderneming op 2500 gulden, maar moet kort daarop toegeven dat de kosten ongeveer het dubbele bedragen: hij was vergeten dat er bruggen gebouwd moeten worden op plaatsen waar het nieuwe kanaal bestaande wegen doorsnijdt.

Notaris Van Royen onderhandelt met de boeren uit Norch, Zuid- en Westerveld door wier land het kanaal moet lopen en krijgt daarbij belangrijke hulp van de Drenthse gouverneur Hofsteede. Blijkbaar had die eerst dwars gelegen, want Johannes prijst de gouverneur en wil een loftuiting aan zijn adres in de Star, 'want warelijk is hij ons bij die gelegenheid zeer nuttig geweest en werkt thans ijverig meede a tout peche misericorde (= op een manier waarop voor elke zonde vergiffenis is).
Niet iedereen kan Johannes helemaal bijhouden. De begeleidende brief bij de bestekken moet noodgedwongen eindigen met de mededeling dat 'men mij zo komt zeggen dat zij noch niet voltooid zijn'. Na een nachtje doorwerken komen zij alsnog, echter vergezeld van de mededeling dat wat Doldersum betreft 'het saisoen te ver verlopen is om te kunnen hopen dat de materialen er tijdig zullen aankomen. Moesten deze per as getransporteerd worden dan zeker zou dit alleen ten minste 6000- bedragen. Ik meen derhalve terug te moeten komen op mijne propositie en dit jaar ons te bepalen tot het bouwen van een etablissement te Veenhuizen'. Maar dat - is zijn boodschap - moet dan wel onmiddellijk ter hand genomen.
Hij krijgt zijn zin. Prins Frederik heeft het ontwerp goedgekeurd, het gouvernement is bereid op basis van de plannen een kontrakt voor overname van wezen, vondelingen en verlaten kinderen af te sluiten en eind april verschijnt de advertentie:

PUBLIEKE AANBESTEDING,

De Direkteur der koloniën der Maatschappij van Weldadigheid, als daartoe behoorlijk door de Permanente Kommissie van genoemde Maatschappij geautoriseerd, zal op zaturdag den 10 meij aanstaande in het logement te Frederiksoord aanbesteden het maken van een geheel nieuw

HOOFD-GEBOUW,

tot plaatsing van vijftien honderd personen, te Veenhuizen gemeente Norgh, provintie Drenthe.

De bestekken zullen twaalf dagen te voren ter lezing liggen op het Bureau der Permanente Kommissie te S' Hage, en op dat van den Direkteur, te Frederiksoord. Voorts te Leeuwardenin het Heeren Logement bij Poelman; te Groningen in het Posthuis bij van der Molen; te Zwolle in het Heeren Logement bij Harmsen; te Assen bij Donker, en te Veenhuizen in de herberg aldaar.

Zullende 4 dagen voor de besteding, aanwijzing in loco geschieden, en nader informatie bij den Direkteur voornoemd te bekomen zijn.
 

KUNSTGREPEN

Er liggen die zaterdag 10 mei in het logement elf schriftelijke inschrijvingen. Nuis, de bouwer van de Ommerschans, heeft van zijn ervaringen geleerd en is met 76.000 gulden de duurste en Oosterloo, de bouwer van de meeste koloniale woningen, met 63.000 de goedkoopste. Bij de mondelinge onderhandelingen weet men er bij Oosterloo nog vierduizend gulden af te pingelen, maar ook dat is nog ver boven de begroting. Johannes wil het gebouw voor 52.000 hebben staan en begint een plaatselijke kleine aanemer te bewerken.
Al na twee dagen tekent Herman Wint een contract dat hij Veenhuizen voor 53.000 gulden wil bouwen. Johannes denkt door zijn handelsmerk (voortvarend optreden) nog eens een kleine drieduizend gulden op de aankoop van bouwmaterialen te kunnen besparen, zodat het geheel een koopje lijkt te worden. Een probleem is dat aannemer Wint niet in staat is de gebruikelijke cautie (waarborgsom) te betalen, maar Johannes vindt notaris Stephanus van Royen bereid borg te staan. Laatstgenoemde kan dan tegelijk mooi het werk superviseren.
De permanente commissie vindt dat allemaal wat dubieus. Ze gaat alleen accoord met het contract als een onafhankelijke inspecteur, dus niet Van Royen, het eindresultaat beoordeelt. Het brengt Johannes in een lastig parket tegenover zijn vriend en medestrijder, want Van Royen is uitermate gekwetst door dit besluit en wil zijn participatie intrekken. Hij is door Johannes 'niet dan met de uiterste moeite te bewegen om daar bij te blijven persisteren en zo ik thans daar van slechts een woord rep, zal hij zich inderdaad wel zeer slecht beloond rekenen voor het geen hij voor de Maatschappij ten mijnen gevoelen in deze gedaan heeft'.
Naar aanleiding hiervan barst Johannes uit in een klaagzang, maar dat neemt niet weg dat het hoofddoel is bereikt: Veenhuizen wordt gebouwd. Gelukkig valt de droogte mee en blijven de diverse kanalen tot in juni bevaarbaar.
Bijvoorbeeld op woensdag 4 juni 1823, een prachtige dag met zon en temperaturen boven de 25 graden, als directeur Visser het werk bezoekt en zijn gemoed prompt vol schiet.
Welk 'een schoon gezigt, op een plaats voor zes weeken niet dan zeldzaam door menschenvoet betreeden'. Nu is er een en al levendigheid: 'niet minder dan 22 zoo groote als kleine schepen met hout, steen enz. aan de plaats des gebouws te Veenhuizen, het opslaan van lootsen tot huisvesting van werkvolk voor het gebouw, het graven van sloten, het veenhouwen en zandschieten'. Hij moet 'bekennen' dat de gedachte dat hij met de permanente commissie aan 'deeze groote verandering' heeft meegewerkt en zelfs de werkzaamheden in aanleg 'gederigeerd' heeft, hem 'een weinig aandeed'.
Die aandoening brengt hem tot het spontane verzoek of hij een steen met zijn naam erop in het gebouw mag plaatsen.
Of er een steen gekomen is, is onbekend. Wel heeft het Gevangenismuseum Veenhuizen een houten plank met daarop Vissers naam.