Voorlopig Kontrakt tusschen de Permanente Kommissie ter eenre en den heer Baron van Dedem tot den Berg CS etc. ter andere zijde betrekkelijk het koloniseren bij de Ommerschans, dato 25 mei 1820


Drents Archief, toegang 0186, invnr 960

(NB: Titel klopt niet helemaal, ook de stad Ommen is contractant)

Voorlopig Kontrakt gesloten tusschen de Permanente Kommischie ter eenre en het Stedelijk Bestuur der Stad Ommen benevens den Heer van Dedem tot den Berg, zoo voor zich, als namens de verdere eigenaren in de Markt en Gronden ten zuiden der Vaart, en waarbij de verschillende opienien omtrent het eigendom der 300 roeden gronds rondom het Fort de Ommerschans worden getermineerd en vereffend ter andere zijde.

Art. 1
De Kontraktanten ter andere zijde nemen aan de kontraktanten ter eenre te bezorgen in den omtrek der Ommerschans zeshonderd morgen lands, zoo in het Ommerhuizinger, als Katinger veld gelegen.

Art. 2
De kontraktanten ter eenre, verbinden zich om daarvoor te betalen de Som van negenduizend gulden, welke gelden zullen worden bestemd ter gedeeltelijke bekostiging om een kanaal aan te leggen, uit de vaart van den Heer Baron van Dedem tot den Berg CS bezuiden het schut van Peekman, volgens daarvan beraamde roijing door het huizinger Ommerveld.

Art. 3
Een gedeelte dezer penningen echter zal kunnen besteed worden tot schadevergoeding van zoodanige Eigenaren als in den grond aan kontraktanten ter eenre aftestaan, geërfd mogten zijn, en dat wel tegens betaling van vijftien guldens de morgen, zullende echter onder deze gronden niet begrepen zijn het Partikuliere eigendom van den Heer Baron van Dedem tot den Berg CS in de hoven en landerijen bij de Schans behoort hebbende bij afgebroken Herberg de Zeven Provinciën, aldaar thans in gebruik bij M.J Kruizinga.

Art. 4
De Kontraktanten ter eenre nemen op zich bij zijne Majesteit den Koning pogingen te doen ter bekoming van de Som van tienduizend guldens, tot verdere goedmaking der kosten van het kanaal in artikel 2 vermeld het zij als don gratu of op eenige ander voorwaarden waarvan de lasten in alle gevallen door de Kontraktanten ter eenre zullen worden gedragen.

Art. 5
De Kontraktanten ter eenre verbinden zich verder de helft te dragen in alle onkosten die het aanleggen van gezegde kanaal boven en behalven de Sommen in Artikel 2 en 4 vermeld, zal komen te bedragen, mits het totaal bedrag der kost de som van veertig duizend guldens voor beide partijen niet te boven gaat.

Art. 6
De Kontraktanten ter eenre verbinden zich tevens deze om zooveel meer gronden mits dezelve voor het doel de Maatschappij van Weldadigheid welgelegen zijn, van de Kontraktanten ter anderen zijde te zullen overnemen tegen betaling van dertig guldens de morgen, als gevorderd zullen worden om het aandeel der kosten in het meergenoemd kanaal van de Stad Ommen geheel of gedeeltelijk te zullen voldoen.

Art. 7
Alle de voordelen die het genoemde kanaal moge opleveren, gelijk met de kosten van deszelfs onderhoud, zullen door beide partijen gelijkelijk worden genoten en gedragen.

Art. 8
De Kontraktanten ter eenre, zullen het recht hebben van dadelijk te aanvaarden zoodanig een Stuk gronds, in den naasten omtrek der Ommerschans, tot aanlegging eener kolonie, als met wederzijds goedvinden zal worden bepaald, en Kontraktanten ter eenre verbinden zich om daarvoor des verkiesende in de Nederlandsche Bank te deponeren eene gečvenredigde som, voor den grond in Artikel 2 bedongen.

Zullende verders bij eene nadere overeenkomst tusschen beide Kontraktanten, met en benevens de heer Baron van Dedem tot den Berg CS over het aanleggen van den Vaart en het beheer van dien worden geregeld.
In Kennisse der Waarheid is deze provisioneel getekend, om nader op zegel te worden overgebragt
’s Gravenhage den 25 Mei 1820.


Op zondag 4 juni 1820 schrijft Johannes van den Bosch hierover aan de rest van de permanente commissie, invnr 55:

Het kontract wegens den afstand van gronden bij de Om­mer­schans is getekend.
Den Heer van Dedem heeft Z.K.H. Prins Frederik daar over reeds op 't Loo onderhou­den en daar ook andere geďntres­seerdens even gepres­seerd kunnen zijn, en wellicht onze demarches om bij den Koning voor ƒ 10.000 voor het kanaal te verzoeken ver­keerd konde worden begrepen, heb ik het dienstig geacht hoogst dezelve het gesloten kontract toe te zenden, in het doek in niets dezer maatregel te repliceeren. Zo dra ik het terug erlang zal hetzelve worden opgezon­den.