Naar het overzicht
van stukken over Willempje van der Dooze





Op zoek naar toestemming om met elkaar in het huwelijk te mogen treden


Nadat Christiaan Willem Harbrecht op leden van de permanente commissie is afgestapt, nemen ze op 13 oktober 1836 N7, invnr 453, het volgende besluit:

De PC,

Gelet op het tijdens de jongste inspektie der kolonie, aan den heren medeleden, mondeling gedaan nader verzoek van den kolonist C.W. Harbregt, in de bedelaarsgestichten gevestigd onder N1072, strekkende om met de weduwe Schoolbroek een huwelijk te mogen aangaan,

Besluit

aan den adressant te doen kennen dat, bij aldien hij als bedelaarskolonist mogt worden ontslagen, de PC niet ongenegen kan zijn hare toestemming tot het verlangde huwelijk te verlenen, ten einde vervolgens hem, met de weduwe Schoolbroek en hare kinderen, onder de arbeidersgezinnen te Veenhuizen optenemen, ?? ?? de adressant, ten einde ontslag te verkrijgen, verwijzen aan Zijne Exc. den minister van Binnenlandsche Zaken, als bij uitsluiting bevoegd hetzelve te verlenen.

In de kantlijn vraagt een van d leden of men hier bij wil voegen 'de correspondentie eenige jaren geleden - ik meen in 1829 of 1830 - met de commissie heeft gevoerd over het ontslag der weduwe Schoolbroek'. Een klerk zorgt ervoor en voegt toe: 'Retroacta 31 augustus 1829 N15 (of N16) - 8 september 1829 N16 - 11 december 1829 N15 - 9 februari 1836 N10

Maar de voorwaarde is dus dat Christiaan Willem ontslag wordt verleend uit het bedelaarsgesticht. Dat kan geregeld, er gaat een rekwest naar Binnenlandse Zaken en die besluit daarover op 11 februari 1837.

Ingekomen post invnr 180 scan 308. Besluit van het ministerie van Binnenlandsche Zaken op een request, door de pc opgeschreven 7 Maart 1837 N34 in advies en nader 23 Maart 1837 N2
                   
7e Afdeeling

Request van C.W. Harbrecht N1072 om ontslag uit de Ommerschans -->>

-->> De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid wordt geauthoriseerd tot het verleenen van gevraagd ontslag.

Afschrift dezes zal gezonden worden aan dezelve Commissie om dienovereenkomstig te handelen, aan den Heer Staatsraad Gouverneur van Zuid-Holland tot informatie, en aan den Heer Burgemeester van Ommen, ter uitreiking aan den Requestrant.

ís-Gravenhage, den 11 February 1837
De Minister van Binnenlandse Zaken, De Cock.

In de kantlijn bijgeschreven: Wij hebben immers nog geen authorisatie van Amsterdam, de belanghebbenden moeten deze aanvragen.


De permanente commissie bespreekt de brief op 23 maart 1837 bij agendapunt N2, invnr 458. Daarbij besluit zij:

1) Den Direkteur magtigen tot het ontslag van den bedelaarskolonist C.W. Harbregt;
2) Denzelven uitnoodigen om aan den weduwe Schoolbroek te doen kennen, dat zij zig tot het aangaan van een huwelijk met opgemelde bedelaarskolonist tot de Subcommissie Amsterdam zal behooren te wenden.

Vanwege dat laatste punt schrijft de permanente commissie naar de subcommissie van weldadigheid te Amsterdam. Die schrijft op 9 mei 1837 terug dat ze al op 19 mei 1836 aan Willempje toestemming hebben gegeven te trouwen. In de kantlijn schrijft een lid van de permanente commissie daarbij: 'Niet gevonden.' Met dat administratieve gklungel schiet het niet op!


De subcommissie stuurt bij die gelegenheid ook een bij haar ontvangen verzoekschrift van Willempje, gedateerd 18 april 1837 waarin ze nog eens meldt dat zij en Christiaan Willem na hun huwelijk naar de vrije koloniŽn willen. Dit verzoekschrift bevindt zich - evenals de brief van Amsterdam (voor de volledige tekst zie hier) - bij de uitgaande post van 29 Mei 1837 bij agendapunt N29, invnr 460 (daarvan zijn geen scans) en luidt:


Ommerschans, den 18 April 1837

Wel Edele Gestrenge Heer!

Naar aanleiding van Uw Edelgestrenge geeerde missive dd 19 mei 1836 neem ik de vrijheid U Edelgestrenge vriendelijk te bedanken voor de goedheid aan mij bewezen, door mij permissie te verleenen en een wettig huwelijk aan te gaan met C.W. Harbregt, Kolonist alhier.

Thans is de Wel Edele Heer Adjunct-Directeur alhier, door de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid, namens de Minister van Binnenlandsche Zaken gemagtigd om bovengenoemde C.W.Harbregt uit het Gesticht te mogen ontslaan;

dit ontslag zou hij gaarne aannemen om dan, na gehuwd te zijn, naar de vrije Kolonien te mogen worden overgeplaatst, doch daar ik van goederhand vernomen heb, dat dit zonder tusschenkomst der Subcommissie niet kan geschieden, zoo waag ik mij andermaal tot dezelve te wenden, met vriendelijk verzoek, om nader met de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid te ís-Gravenhage in onderhandeling te treden, opdat wij dan door de Koloniale Directie naar de vrije Kolonien, na het voltrekken van ons  voorgenomen huwelijk, mogten worden opgezonden.

Ik heb de eer mij met verschuldigde hoogachting te noemen, Weledele Gestrenge Heer!

Uw Edelgestrenge dienstige dienaresse,
Weduwe Scholbroek

Aan de wat houterige ondertekening is te zien dat Willempje de brief niet zelf geschreven heeft, daarvoor wijkt de ondertekening te veel af van de rest:


Bij dit alles noteert de permanente commissie echter: 'Maar de toezegging van deze zijde was dat het huisgezin onder de arbeiders te Veenhuizen zou worden opgenomen.

Er kan nu getrouwd worden. Zie hier.