Naar het overzicht
van stukken over FENNER





15 juli 1821: Fenner profileert zich als degene 'die de kolonisatie in den Nederlanden reets in den jaaren 1788 en 89 ontworpen heeft'


De list om Fenner voor te stellen zelf ontslag te nemen als hij zo ontevreden is met de functie van onderdirecteur, zie hier, werkt NIET. Op 15 juli 1821, invnr 58, stuurt hij twee brieven. De ene, geschreven in grote, zwierige letters, is gericht aan de permanente commissie:


Kolonie Ommerschans 15 julij 1821

De eer gehad hebbende het besluit der Per­manente Kommissie d.d. 12 julij N40/105 te ontvangen, daaruit ondergeteekende niet anders zien kan als dat, hij, den Heeren Lee­den der Permanente Kommissie ten vollen onbekend is; anders was het onmoogelijk, het besluit van den 12 julij ll. tegen hem te neemen:

het is zijne zaak niet der Permanen­te Kommissie van hem zelfs te onderrichten: hij wil maar eenvoudig aanmerken dat zool­ang hij in den dienst der Maatschappij van Welda­digheid de eer gehad heeft te zijn, niet anders dan machineel gehan­delt heeft, en heeft handelen moeten.

Hij is die man die de kolonisatie in den Nederlanden reets in den jaaren 1788 en 89 ontworpen heeft, hij heefd het ontwerp aan­ge­booden aan de Maatschappij van het nut van het algemeen te Amster­dam, daar het zich noch vinden moet.

Zijn ontwerp was verdeelt, in finantieele en de culture, zij wa­ren op overwerpelijke gronden geves­tigd, niet alleen voor dit geslag van menschen, maar ook voor onze naarzaaten; en indien hij zich noodzaakelijk stellen moeste, aan het hoofd van eener geheelen kolonisatie, twijfeld hij niet, of die natie, daarvoor hij die eer had te dienen, zal hem met eer en roem beloonen;

eene dertigjaarige beoefening in den Eijrope­aanschen landbouw, heefd hem doen zaaken ondervinden, daar hij tegenwoordige geene proeven hoefd over te maaken.

Hoe zijn gedrag is, - en geweest is, in die tijd dat hij op dezen plaats gevestigd was, overlaat hij aan ZHEdGestr den Heer den 2den Assessor tot eener gerechtelijken be­oordeeling, en ten laasten kan rappord wor­den geeischt, van den Heer Directeur der kolonies, die den 12 julij ll. deze kolonie, en de kolonie No.5 inspecteerd heefd.

De Achtbaare Heeren der Permanente Kommissie zeggen in het voor­noemde besluit dat zij bereid waren, wanneer hem deze be­trekking, niet meer mogde bevallen, uit haar­en dienst te ontslagen.

Dit eene zaak zijnde, die hij nooid van de Achtbare Leeden der Perma­nente Kommissie verwagd had.

Zijne ontfangene kindische opvoe­ding, en caracter als officier, veroorlo­ven mij niet, trots en on­beleefd te handelen, en eene demissie te vragen daarvoor hij zich niet bij den Maad­schappij van Weldadigheid geengageerd heefd.

Dezes is eene zaak, die hij aan de Heeren Lieden der Permanente Kommissie overlaad, indien een onfazoenlijk gedrag, of onkunde in het vak, dat hij waarne­men moet, het eischen; is het niets als rechtvaardig, tegen hem regtelijk te handelen.

Daarinteegen is zijn regtvaardig verzoek, indien de Permanente Kommis­sie hem in dienst doet blijven, dat hij de eerste perzoon in ambst­zaaken naar den Directeur wenschte te zijn;

en dat hij zich volstrekt niet aan de ordres van een ander, als die van den Direc­teur der kolonies te onderwer­pen heefd, dus verzoekende hem de schrijfte­lijke verzekering te geven, dat hij naagst den Heer Directeur der kolonies, het opperhoofd blijve, van de Ommer­schanz, en den darbij noch anteleg­genden kolonies.

Wad de onderwerping tegen zijne opper­hoofden angaad, die is ten strengsten, en darin hij reets blijken genoeg gegeven heefd, en volgens zijner kindischen opvoeding en officierwoord ten buiten gaan zal.

De andere brief, dus ook gedateerd 15 juli 1821, invnr 58, is gericht aan Johannes van den Bosch in Frederiksoord en is grotendeels van hetzelfde laken een pak. Hij grijpt terug op de komst van Wouter Visser op de schans in augustus 1820, die als adjunct-directeur BOVEN Fenner gesteld werd:


Kolonie Ommerschanz 15 july 1821

Ik heb de eer gehad te ontfangen het besluit der Permanente Kommis­sie van Weldadigheid dd. 12 julij ll., daaruit ik niet anders zien kan, als dat die Heeren Leeden der Permanente Kommissie, daronder UHEd­Gest begrepen bend, mij in t geheel niet kennen, en misschien voor een zoort van daghuur­der anmerken.

Wel mijn Heer Generaal ik verzoek, dat UWE de goedheid hebben mogd zich niet te vergissen.

Mijne antwoord op het besluit, zal UHEdGest onder t oog koomen, en daruit zien, dat ik het nadere ondericht mijner perzoon aan UHEdGest onderwerpe.

Ik zal zoo lang de adem in mij is, handelen en mij gedragen als officier, en ik zal blijven geven, indien ik niet machineel zal gebruikt worden, en aan mij de cultuur onder UWE ordre, en die van den Directeur onbetrouwd word, dat ik de man ben die aan UWE intentie voldoen zal; maar zoo niet, dan zij die zaak God bevoolen.

Is het noch niet genoeg dat ik mij volgens UWE ordres, gelijk eenen opziender, aan een Heer dien UHEdGest den 13 aug ll. hier gezonden onderworpen hebbe!

Was het niet zaak dat ik mij reets in die tijd, aan die Permanente Kommissie, en zoo ik geene voldoening bekwam aan het volk van Nederland adresseeren moeste, is het nu zaak dat men mij verder moet zoeken te verneederen.

UHEdGestrenge bend Generaal in dienst Z.M. den Koning der Nederlanden, en 2te Assessor der Permanente Kommissie van Welda­digheid, mijne onderwerping zal altoos UHEdGest in bijden betrekkin­gen voldoen; maar ik verwagd ook niet van een zulk voor­noemde Heer; dat een oud officier, voornamendlijk, die eene volle geregelde kolloni­zatie in zijn hoofd heefd, en als het gericht word in uitoefening kan brengen, in dezer zaak beneden leerjongens gesteld word.

Een Vlijer zal ik nooit worden, alles wat mij toekoomd moet ik ontfangen, daar mijne angeboorne openhartigheid en rechtvaardigheid, dus mijne zaak darmede niet overeenkomende, moet UHEdGest en de Perma­nente Kommissie naar goedvinden handelen.

Mijne verzoek in mijn onderwerpend andwoord aan de Perma­nente Kommissie, koomt darop neer, dat ik de schrifdelijke verzekering ontfangen moet, de eerste ambtenaar naar de Heer Visser te zijn, en te blijven, en den tijdel van Adjunct Directeur 1ter klasse direct te ontfangen, darnevens met het bepaalde tractement te beginnen, op die tijd, dat een ond. Directeur op kollonie No. 5 benoemd word.

Dit is een verzoek dat ten eersten niet voor de finantie der Maat­schappij naardeelig is, en ten anderen doet het mij naar dit tijdstip verzeeke­ren, van dat, t welk mij rechtvaardig toekomen.


Johannes van den Bosch stuurt deze brief op 29 juli 1821 door naar de rest van de permanente commissie in Den Haag, met het begeleidende commentaar, invnr 58:

Ik voeg hier nevens een missive van Fenner. De Kommissie vertrouw ik zal daar uit met mij zien dat het volstrekt nodig word dit waanzin­nig mensch zijn ontslag te geven.


Dat ontslag volgt op 1 augustus 1821 en daarop reageert de geschrokken Fenner ootmoedig, zie hier.