Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Verzoekschrift van K.F.L. Fenner, geweezen Onder-Directeur der kollonie de Ommer­schanz an de Permanente Kommissie der Maadschappij van Welda­digheid in den Haag


Al deze stukken van Fenner zijn van 14 februari 1823 en bevinden zich in invnr 64. Het belangrijkste is het verzoekschrift met de hierboven genoemde titel. Dat verzoekschrift, waarin hij ook begint te dreigen met publiciteit, staat hieronder. Daaronder staan de verwijzingen naar de andere door hem meegezonden stukken.


De ondergeteekende neemt zich de vrijheid, an U Achtbaare Heeren Leeden der Perma­nente Kommissie, dat hier, het bijgaande an te bieden; ten eersten die hem wel niet af­geeischde evenwel noodzaakelijke verand­woording wegens het misbedrijf, door hem gepleegd op der Ommerschanz, darover hij blijkens besluit van den 27 nov. ll. van zijnem post ontzet is.

Ten andern voegt hij eerbiedig bij, maar een klein verhaal, van gebeurtenissen op der Ommerschanz.

Zijne onderdanige beede is, deze voor­melde schriften, volgens uwer wijsheid, on­partijdig te doen beoordeelen.

De ondergeteekende reekent zich onge­lukkig te zijn, dat hij reets in zijn 20te levens­jaar zoo zwaar gequetst is geworden, daar­door de gelukkige uitzichten in t militair voor hem vertweeken waaren. En nu in dienst der Maadschappij van Weldadigheid, ook zijne oprecht an de wet verkleefde gevoelens, door den Heer Adjunct Directeur von Hoff, zijnen superieur, als tegenstreidig beschouwd wor­den, en van den 16 meij ll. daardoor veel heefd lijden moeten.

Maar hij de ondergeteekende gevoeld zich evenwel noch gelukkig, bij dezen en andern ongelukken hem overkoomende, vol­gende gevoelens te koesteren.
Het is de waereldlijke ordre, dat wij men­schen in rijkdom, anzien of rang niet alle gelijk weezen kunnen. De eene is en moet boven den andern verheffen zijn, dus moet zich een ieder, die met en door de waereld als een fazoenlijk man passeeren wil, daran onderwerpen, zijne superieuren trouwe­lijk gehoorzaamen, en zijne ondergeschikten, bedaart met goed overleg en voornamendlijk niet verachtend in haaren ambt behandelen.

De superioriteit hangt niet alleenig af van verdiensten, verstand, rijkdom, goedernaam of grooterfamilie; maar zij hangt meede af van het geluk, eener onbegrijpelijken beschik­king in het Heelal, of zoo men het noemt de beschikking in der natuur.

Dit is het lot dat ik onderworpen ben, waare ik het geluk opgevolgd, zoo als ik het tot in mijn 20 levensjaar genooten heb, dat was ik misschien een groote Staatsdienaar in t militair in het een of andere rijk, ook mis­schien een groote deugniet, of mijn lichaam was in den oorlogen noch meer verstim­meld als zoo, ook wel op het bet van eer in den oorlog gestorven. Maar neen de beschikking heeft het niet gewild, en mij bespaart tot iets anders, dat mij onbekent is.

Word dus een zulk ongelukkig fazoenlijk man, een ambt hebbende van zijnen supe­rieuren in zijnen ambt wettig en fazoenlijk behandelt, dan word den ongelukkigen dar­door eene nieuwe veerkragt bijgezet, zijn moed word dan opgebeurt, en is hij anders geen laag sujet, dan zal hij zijne superieuren hartelijk beminnen, haare beveelen stipt uit­voeren, en zooveel te een veroorloofde en passerende vriendschap is, die hem zijne superieuren buiten ambtzaaken toedragen, zooveel te grooter zal zijne liefde, achting en onderwer­ping zijn, evenzooveel als de goede zaak, of de belangens van den prinzipaalen daardoor, eene groteren voorspoed en kragd-dadigen voortgang in der bedoeling genieten.

Het tegenovergestelde is, als men een zulk fazoenlijk, maar ongeluk­kig man, gelijk eenen laagen sujet behandelt, en niet denkt, dat zelfs de grootsten en rijksten, an ongeluk­kigen lotgeval­len bloodgesteld. Dus word een zulk man mismoedig, of neder­slagtig; de liefde en achting tegen zijne supe­rieuren en voor zijn ambt, daalt van dag tot dag, en men zal weinig goeds door hem ter uitvoer kunnen brengen. Noch grooter is het ongeluk voor de algemeene goede zaak, die door eenen hooghartigen, verkeert denkenden of onkun­digen superieur, te veel leiden moet, om dat alle ambte­naaren, onder hem, vlouw in haar­en functien worden, en de zak minder of meer, in verwarring geraaken moet.

Zoo is het geval dat de ondergeteekende op de Ommerschanz heeft ondergaan moe­ten, door den WelEdgest. Heer von Hoff: ZWEdGest. heeft van het begin, het wettige gezag van den Onder-Directeuren zoeken te vernielen, en het zijne darvoor in plaats te zetten: het ambt van Ond: Direct: heefd de Heer Adjunct Direct: dardoor onwettig ver­klaard, en dus de Wet bladz. 5 regel 2 tot 10 kragdlos gemaakt.

Maar als het zoo is, gelijk de Heer Ad­junct Direct: an den Onder-Directeur, den ondergeteekenden gezegd heeft, dat de Per­manente Kommis­sie de Wet verandert hadde, dan heefd de Heer Adjunct rechtstreks tegen zijne pligt gehandelt, om dat ZWEdGest. dit besluit of besluiten der Perma­nente Kommis­sie niet aan de Onder-Directeurs bekent ge­maakt heeft, dat zich deze en andere minder ambtenaaren in der binne en buiten kollonie, volgens zijnen plannen, blind en onnoozel houden willen, om zoo veel eender alles ge­looven te moeten en voor wettig te erkennen, wat ZWEdGest. doet, en dus minder of meer ZWEdGest. voor wetgever erkennen.

Ik hoop dat het U Achtbaare Heeren, uit mijnen angiften en nader onderzoeking blij­ken zal, hoe verdrietig de ondergeteekende van den 16 meij ll. af tot zijn weggaan van de Schanz geleefd heefd.

Maar om dat wel gebruikelijk is, als een mensch gestorven, of anders niet meer an­wezig zijnde, zich verandwoorden te kunnen - men eener zulken of dood of doodscheinen­de perzoon, een of het andere niet in orde zijnde, ter last legd, - zoo gaad mijne onder­danige beede daarheen, dat alles, ja het minste dat dem ondergeteekenden kunde ter last gelegt, an hem tot veran­dwoording moge toegezonden worden. Hij weed niets zich te herinneren, dat iets hem kan ter last gelegd worden, darover hij zich niet genoegzaam justificeeren konde.

Hierbij voegd de ondergeteekende zijne onderdanige beede, dat het der Permanente Kommissie behaagen mag, hem weder in dienst der Maad­schappij van Weldadigheid te stellen. Hij zal zoo als ten vooren, zijne pligd van dat hem anbetrouwde ambt, oprecht en plichtmaatig zoeken waar te neemen, om daardoor wegteneemen den schandvlek, die hij door het haastige wegzenden van de Schanz heefd ondergaan moeten; weliswaar dat hij door het gepleegde dienstieverige misbedrijf strafbaar was, zonder zich op de misgrepen zijnes superieuren te beroepen, maar is van meening, dat hij eenem verhoor des beschuldigten, voor zijnem vonnis de Permanente Kommissie anders zoude be­slooten hebben.

Maar om dat dit geval, gelijk andere dergelijken, in den Star geplaast worden, en daardoor mijne goeden vrienden of kennissen voornaamendlijk in Gelderland en Overijssel, een compleed slegt denkbeeld van mij be­koomen zullen, om dat men mij met over­haasting van de Schanz verwijdert heefd, ben ik van voorneemens alle voorvallen, van den 22sten maar 1820 af, die tijd dat ik daarge­koomen ben, tot op de dag van ontvangst mijnes ontslags, in druk uittegeven. Ik wil zoeken alle gebeurtenissen niet hooger of laager, maar enkel in haaren zuiveren koleur daarstellen, om daardoor niet alleen mijnen goede vrienden, maar ieder een te doen zien, hoe het mij de tijd van mijn verblijf op der Ommerschanz gegaan heefd, en hoe men daar leefd. Ik zal zorgen dat deze schriften door mij zullen opgesteld en geslooten zijn, met ultimo april anst: - maar niet in der ne­derlandsche taal.

Eigensmagtig genoeg zijn­de, zoo zal ik mijn opstel met primo meij anst: an eenen goeden neder­landschen schrijver geven, om het in de nederlandsche taal en stijl overte­schrijven, darnavolgende zal het journaal der kollonien de Ommer­schanz met ultimo junij d:a: in druk verschei­nen kunnen.

Maar zulde door onderzoek, mijn voor­iges gedrag angaande, U Achtbaare Heeren, kunnen in staad gesteld worden, mij weeder in dienst der Maadschappij te plaatzen, zoo wordt dit natuurlijk ook weeder in den Star geplaatst, en strekt voor mij tot een bewijs eenes niet volkoomenen slegten gedrags. Daardoor dus de ondergeteekende zich de moeide niet hoefd te neemen, door eenen andern weg zulks te doen bekend maaken, en het in druk geven van voornoemd journaal vervald van zelfs.

Jagtlust bij Dalzen den 14 febr. 1823


En hierbij zijn dus een heleboel stukken meegezonden, die ik voor het gemak even genummerd heb:

1) een kleine verontschuldiging voor zijn schrijfstijl,

2) een kopie van een brief die hij januari 1821 aan toenmalig adjunct-directeur Wouter Visser had geschreven, met het antwoord daarop van Visser,

3) een klaagschrift dat adjunct-directeur Hoff hem vanaf zijn komst in mei 1822 niet correct behandeld heeft, met daarbij beschrijvingen van de strafexercities tegen bedelaars en strafkolonisten. Met hierbij gevoegd:

4) een 'Verhaal eener anmerkingswaardigen disci­pline', over diefstal door twee jonge strafkolonisten in juni 1822,

5) een 'Verhaal eener niet minder anmerkings­waardigen handelwijs' over de eerste vrijlating van strafkolonisten op 14 augustus 1822, en

6) een 'Verhaal van kundigheid in den landbouw' over een mislukte verkoop van aardappelen in juli 1822,

7) een verweer tegen de aanklacht van Hoff, met een beschrijving van de gebeurtenissen rondom werkweigeraarster Rayé en zijn vertrek van de schans,

8) een kopie van een brief van 4 december 1822 van Fenner aan Johannes van den Bosch na het vernemen van zijn ontslag,