Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Copie van een brief geschreven door den Onder Directeur Fenner 20 januar 1821 an den WelEdelGest: Heer Visser, doenmaalig Adjunct Directeur in den kollonien de Ommer­schanz, en ter tijd met verlof te Sluitrecht.



WelEdelGestrenge Heer!

Reets kort naar uwer afrijs van hier, was ik voornemens an UWEdGest: het geen schrif­telijk onder te oog te brengen, t welk het groote misgenoegen tusschen u en mij, en niet tot voordeel der Maadschappij, van den 19ten august ll: tot den 8 decemb ll: verwekt heefd, en in de tijd van UWE hierzijn, an u mijnen superieur, niet graag mondelijk doen wilde: - hoopende dat UWEdGest: het niet met bedaartheid overleezen zuld, en mijne onpartijdig­heid tegen UWE, als een vriend­schap anmerken.
Het is de weereldlijke orde, dat wij men­schen in rang niet alle gelijk wezen kunnen. De eene is, en moet boven den anderen verheffen zijn, dus moet zich een ieder, die met en door de wereld als een fazoenlijk man rollen wil, daran onderwerpen. De superiori­teit, hangd niet alleen af van verdien­sten, verstand, of groter famillie; maar zij hangd mede af van het geluk, en eener onbegrijpe­lijken beschikking in het heelal, of zoo men het noemd, de beschikking der Natuur.
Dit is het lot dat ik ondergaan ben, en ware ik in het geluk opge­volgd, zoo als ik het tot in mij 20 levensjaar genooten heb, dan was ik misschien tegenwoordig een groote staatsdienaar in t militair, van een of den anderen Raad, ook misschien een grooter deugniet of mijn licham was in den oorlo­gen noch meer verstimmelt als zoo. Maar neen, de beschikking heefd het niet gewild - en ik moet mij onderwerpen an mannen, die in die tijd daar ik in den bloei mijnes geluks leefde, noch kinder waaren, of eerst gebooren wier­den. Ik onderwierp mij aan mijn lot geduldig en doe geraag alles wat plicht en eergevoel van mij eischt, om zoo als boven gezegt, gelijk een fazoenlijk man door de weereld te kommen.
Word dus een zulk ongelukkig man, van zijnen superieuren in zijnen ambt wettig en fazoenlijk behandelt, dan word den ongelukki­gen dardoor eene naive fierkragt bijgezet, zijn moed word dan opgebeurt, en is hij anders geen laag sujet, dan zal hij zijne superieuren hartelijk beminnen, haare beveele stipt uit­voeren, en zooveel te stipter het wettige ge­zag van hem gehandhaaft word door zijn superieuren, zoo veel te grooter zal zijne liefde, achting en onderwerping zijn.
Het tegenovergestelde is, als men een zulk fazoenlijk maar ongeluk­kig man, gelijk eenen laager sujet behandelt, en niet denkt, dat zelfs de grootsten en rijksten, an ongeluk­kigen lotgevallen bloodgesteld, darvan bewij­ze genoeg in verschen andenken van de fransche revolutie zijn: dus word een zulk man mismoedig, of nederslagtig; de liefde tegen zijne supe­rieuren en voor zijn ambt, daalt van dag tot dag, en men zal weinig goeds door hem ter uitvoer kunnen brengen.
Het was den 8sten august ll:, toen wij de eer hadden den Heer Generaal met UWE ten eersten keer, bij ons te zien; en wat zegde ZHEd­Gest: tegen mij sprekende! Dit is de Heer Visser, die koomt hier in mijn naam. Gije ambtsbezigheden en gezag leiden daar niet onder. Gij blijft in de zelfde functie zoo als tot hier heen heefd plaas gehad, enkel dat de Heer Visser hier ter plaaze in naam van mijner perzoon handelt.
Den 13 august arriveerde UWEdGest: an Krizega. Kort naar uwer ankoomst, zogtet uwe eene zekere distance tusschen u en mij te houden als men plagt te doen bij lieden van heel geringer afkoomst, om hun dardoor eenen zekeren slavischen eerbied in te boe­zemen. Dit toondet UWE, door woorden en beveelen an mij. Men konde duidelijk zien, hoe UWE mij zomtijd­s met veragtenden blik­ken ankeiktet; zijd verzeekert mij Heer, dat mijne dogter even zoo wel, en noch meer een gevoelig hart hebbende als ik, tranen in stille vergooten heeft, dat zij zien moest hoe behoonent haar vader zomtijds behandelt wierde.
UWE ontving brieve of besluiten de kol­lonie aangaande, of dat in de kollonie of an­derzins veranderingen gemaakt zulden wor­den. Ik was Onder Directeur en dus de twee­de perzoon hier ter plaaze, maar niet waardig geacht mij darvan iets te zeggen, of met mij darover te spreeken. Moeste een of het an­der gedaan worden, zoo raadpleegtet UWEd­Gest: met den opzien­ders of boekhouder, mij geheel darbuiten geslooten.
De opzienders of boekhouder zomtijds, over dergelijken zaaken met mij spreken wilden, daar ik in t geheel niets van wiste, en pligtelijk geweest was, vroeger van blijk te verneemen, ik schaamte mij voor hun lieden, en de opzienders begreepen makkelijk, dat deze handelwijze, eene zoort van geringach­ting tegen mij als Onder-Directeur wezen moeste. Door deze en diergelijke meer wier­de het volk gedeelt, en respecteerden mijne beveelen niet meer, of toonden duidelijk, dat wat niet direct van de Heer Visser kwam, hoefde men niet te bevolgen, of zoo zij het noch deeden, wierde het vlouw­hartig uitge­voert. Metzelen en timmeren weed UWEd­Gest: zelfs, dat UWE daar geene kennis van had; evenzoomin als ik van het landmeeten, en evenwel wierden de metzelaaren en tim­merlieden door UWE gecomman­deert, mijne inrigtingen verworpen en andere darvoor in plaasgesteld. Geen mensch durfde u tegen­spreken, dardoor het volk niet meer wiste, an wien zij gelooven moesten. Doch was natuur­lijk en volkomen recht, dat uwe beveele als superieur de bovenhand behielten; maakte ik een of andere disordre an UWEdGest: be­kent, dan wierden de menschen tegen mij confronteerd, en ik dardoor als een verklikker angemerkt, mits daardoor beweezen dat mijnen woorden als Ond: Directeur niet te gelooven was - en noch slimmer als de men­schen daar stonden en ik spreeken wilde, wierde mij dat verbooden.
Krizega geen vriend der kollonizatie, zoo als bekend, was UWE eerste vriend, en wier­de zaaken gewaar, of UWE behandelt met hem over zaaken, daar ik niet eens naar vragen mogd; waarschouwde ik zomtijds in een of der anderen zaak, wierde mijn taal een oude weibertaal genoemd, en ik als een valsch denkend man beschuldigt; meerdere zaaken zuld UWEd­Gest: zich wel weeten te herinneren, daarin UWEdGest: mijn hart en opregte gezindheid voor de Maadschappij van Weldadigheid, en uwe eigene perzoon, ten onregte begreepen hebt of heeft begrij­pen willen.
Dit voorgemelde zal UWEdGest: ge­noegzaam an de hand geven, uit wat reeden ik van dag tot dag meer onverschilliger, in mijnen wettigen ambtszaaken wierde, en alles op UWE aankomen lied.
Het eergevoel is de eenige prikkel, die mij op dezen plaas gevoerd heefd, had ik in vroegeren tijden mij an laagheeden onder­wierpen willen, hadde ik geen sujet van U mijn Heer hoeven weezen. Maar neen dit is mijne zaak niet, dus verwagt ik ook van mij­nen superieuren dat zij behandelen, gelijk een ieder fazoenlijk man in zijnen ambtsbe­zigheden moet behandelt worden, - bepaald dat ik mij zoo gedraag dit eischen te durven, en in den post van Ond: Direct: volgens mij­ner destinatie met gehoorzaamheid an de wet, en an die beveelen mijner superieuren mij onderwerpe, het is een wensch dien ik als officier uite, en die zich van eigens omvormd, tot eigener bewaaring van fazoen en eer.
De Heer Generaal is de hoogste van drie superieuren, die mij voorgezet zijn, en zelfs lid der Permanente Kommissie, en wat heeft ZHEd­Gest: gedaan, mij althans als een fa­zoenlijk man behandelt - dat ik uit den brie­ven van ZHEdGest:, die ik de eer gehad hebbe te ontvangen bewijzen kan - en wat wil ik daarmeede zeggen!
Het is een Generaal, veer ja veer boven een gepensioneerden lieutenant verheffen; en wat is het resuldaat darvan, dat men de­zen Heer als een man van veel verstand anmerken moet, en die, door zijn minzaam gedrag, zoowel die boven als beneden hem, tot vrienden aneenschaakelen kan, en een ieder volgens zijnen stand hem beminnen moet.
Maar naar den 8 decemb ll: moet ik zeggen, dat UWEdGest: tegen mij zoo sterk veranderd bend, dat indien ik zelfs de onder­vinding van het voorige niet gehad hadde, ik onmogelijk hadde gelooven kunnen dat UWE noch dezelve man wart; was een of het ande­re te doen, of ontvingt u brieve de kollonie of administratie angaande, zegdet u mij dat daruit, wat ik tewee­ten van nooden hadde. Kort te gaan, mijn misgenoegen veranderte in liefde en groote vriendschap; zoo dat het onz onangenaam was, naar uwer afrijze niet meer in uwer gezelschap te zijn, en ik zoude kort voor UWE weggaan zelfs mijn leven voor uwe perzoon hebben kunnen in de waag­schaal stellen. En als ik tegenwoordig een brief van u de eer heb te ontvangen; ontvang en lees hem met een hartelijk vergenoegen.
Zie daar mijn Heer, dit is een onver­valscht verhaal, en zal u tot naar mijnem doot tot verzeekering strekken, dat UWE met een ongelukkig, vazoenlijk, en van harten braven, oprechten man te doen hebt gehad. En UWEdGest: kund klaarblijkelijk zien, hoe zich het hart des menschen beter in zagtzinnige en vrindschappelijke menschen schikken kan, als in lieden die anders denken en handelen.
Ik ben wel als Ond: Directeur geplaast, - in die tijd daar dezer geschiede, was ten eersten geen ander plaas, dan Opper en OnderDirecteur, en de Heer Generaal, een meedelijdent en menschlievenden man, zag wel in dat volgens mijner opgave; - mijne finantieele omstandigheeden niet de besten waaren - dus deed ZHEdGest. alles wat een menschlievend man doen kan, niet te vergee­ten, dat de Opper-Directeur Heer van den Bosch, het zijne ook dartoe bijgedragen heefd; - en de Permanente Kommissie van Weldadigheid heeft het behaagd mij dezen post te geven.
Maar darom is noch niet gezegd, dat de Heer Generaal, en de Permanente Kommis­sie van Weldadigheid, mij niet een beeter lot beschikken willen; en uwe plicht Mijn Heer is, om dat u mijn superieur bend, dartoe mede te werken; als ik ingezien ward, dat ik tot meerder nut voor de Maadschappij kan ge­emploieert worden. - maar het is mijne zaak niet, bedelaar te zijn, en dat angaande mon­delijk of met brieven de Permanente Kommis­sie of den Heer Generaal altoos lastig te vallen, - maar de ondervinding, het eigen gevoelen van mannen, die het belang der Maadschappij, en dat van eenen lang onge­lukkig geweesten behartigen, moeten zulks inzien, en dan ontvang ik, waardige zijnde, een eerenvoller post van hun.
Mijn Heer! nu heb ik mijn hart voor UWE uitgeschut, en verzoeke op t vriendelijkste, dezes te leezen en te overdenken, en als UWEdGEst. mij darop gelieft te andwoorden, dan verzoeke ik, het schriftelijk te doen, we­der bijeenkoomende, dan moet niets meer darvan gesprooken worden, en laad onz dan vervolgens, - in liefde, de hande te zaamen slaagen, ieder in zijner functie, en het prijslij­ke werk der Maadschappij van Weldadigheid anvatten, onzere vijanden zullen onz, over den gelukkigen uitslag prijzen moeten.
Met verschuldigter achting heb ik de eer te zijn

UWEdGest. DWDienaar
Fenner


Copij van een brief, de andwoord zijnde van den WEdGest. Heer Visser, als een brief door den Ond:Direct: Fenner an ZWEdGest: geschreeven den 20 januar 1821.


Dortrecht den 26 januar 1821

WelEdelGestrenge Heer!

Met verwondering ontving ik de zoo onver­wagte als ongepaste missive van UWEd 20 dezer. Ter beantwoording van dezelve, is in de eerste plaas dienende, dat mij nimmer door superieur, kameraad, noch inferieur, vriend, onverschillige, noch vijand, zulks , of dier gelijken onbeschaamde verwijtinge zijn gezegd, veel minder geschreven.
Gij beschouwd mij dan wel als iemand, die geheel buiten zijn vak geplaast was, en zijnen plicht kende noch deed: om kort te gaan mijn Heer, gij hebt uw zeer in mij be­drogen, en de verandering, die uw bij mij schijnt te hebben opgemerkt, is vast bij uw zelven te vinden, daar ik wel altoos naar een vast voorgenoomen plan gehandelt heb, en handelen zal; terwijl ik uw angaande hier noch kunne bijvoegen, dat ik uw nimmer met minachting laat staan verachting heb behan­delt, en niet den schein willende anneemen als of ik mij bij uw zoude willen verdeedigen of verontschuldigen, anders zoude ik uw op perzoon en zaaken kunnen wijsen, die uw van het tegendeel zoude overtuigen.
Dan ik kan en moet zoo iets bij uw ten goede houden, ten minsten niet zoo kwalijk nemen, als ik zulks ieder ander belediger van mij perzoon doen zoude, om reeden dat ik het anmerke als het gevolg dien hoofdtrek in uw karakter; - misschien door uwe omstan­digheeden verorzaakt, welke alle menschen als slegt en alle zaaken van de nadeligste, zelf verachtelijkste zijde doet beschouwen, ten minste zoo lang gij niet geheel van het tegendeel overtuigd zijde: en is nu weeder hier het geval; zoo lang gij mij niet kende, beschouwd gij mij als iemand, die zijnen ondergeschikten mishandelde, en nu zoo goed hart omdragende, dat gij zelve uw leven voor mij in de waagschaal zout willen stellen; dit toch gaad niet wel te zaamen. - neen Fenner dat gaat niet; legt dat vooroordeel af, wanneer gij menschen voor al, zulke, die in een meer of min belangrijke betrekkingen geplaast zijn, wilt beoordeelen, begind dan met hun ombevooroordeelt te leeren kennen, darbij nimmer vergetende om uw op het ware standpunt te plaatzen, om hunne werken naar te zien; welk standpunt meest altijd in de werkenden perzoon zelven te vinden is.
Zie daar wat ik vermeende op uwe ge­melde missive te moeten antwoorden, nie­mand, zelf hun niet die mij tragten of getragt hebben te benadeelen, kwaadwenschende, zal uw geschrift bij mij na twee dagen zeeker geen invloed meer hebben; en als ik weder op de Schanz kom zult gij mij weder vinden die ik was.

De Adjunct Directeur
Visser