Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Verhaal van gebeurtenissen op der Ommer­schanz an de Permanente Kommissie der Maadschappij van Weldadigheid gedaan door den gepensio­neerden lieutenant Fenner, gewezen Onder Directeur der kollonie Om­mer­schanz


Het was den 16 meij ll. toen de Heer Capitain von Hoff, op der Ommerschanz ankwam, om te anvaarden den post van Adjunct Directeur, in voornoemden kollonien. Ik - de onderge­teekende, deet alle bewoonders der kollonie vergaaderen, en stelde zij an mijnen nieuwen superieur voor.

De Heer von Hoff deelt direct mijne kollonisten in vier deele mannen, vrou­wen, jongens en meisches, vormde uit iedem deel een bezonderen kring, stapte darbinnen, en zegde hun volgens ieder zijn ouderdom zijne pligten voor.

Vervolgens vertoonde, noch in dem kringen zijnde, zich ZWEdGest. an hun als haaren eenigen retter en bescher­mer. ZWEdGest. presendeerte zich ter zelf­den tijd in eenem ieder kring bezonders, an hun, als die perzoon aan dien zich alle adresseeren moesten, hun beloovende voor voed­zel en kleeding genoeg te zorgen, als zij maar gehoorzaam waren an zijne beveelen.

Bij dezer handel­wijze gedagte ZWEdGest. geenen Onder Directeur noch wijkmeester.

De Onder Directeur moeste buiten den kringen staan, gelijk eenem gnaden jongen, en wierde dan zoo van ZWEdGest. be­schouwd.

De kollonis­ten uiteengaande ver­heugten zich, over de beloofden van den nieuwen Heer, darin de ondergeteekende volgens het Wetboek, betijdelt Huishoudelijke bepaalingen, volgens jongste besluiten der Permanente Kommissie der Maadschappij van Weldadigheid, bladz. 34 regel 24 en bladz. 76 regel 28 niet beter hadde voldoen kunnen, als hij gedaan hadde, om dat geen meer hebben zoude als hij werkelijk verdient, en dus begrepen zij van mij ontsla­gen te zijn; hoe hart voor den Onder Directeur deze zoort van veragting was, laad zich lichtelijk denken.

Doch evenwel lied hij zich bij ZWEdGest. niets merken, denkende dat die zaak met de tijd wel veranderen zoude.

De eersten gevolgen hierop was, de oogenscheinlijke insuportinatie der kollonisten tegen den Onder Directeur.

Tot daarheen hadde ik mijn magazijn en alles overige in eener goeden ordre. De boekhouder Grebe hadde wel is waar, de binnen en buiten kollo­nie te zaamen waargenoomen, evenwel had­de ik geene klagde over den man. Den boek­houder eigende zich nu de Heer Adjunct naar en naar meer en meer toe, en ik hadde ein­delijk, tot op t laaste toe, in t geheel geen boekhouder, die eenem ieden Onder Direc­teur toegekent is, blijkens Wetboek bladz. b: reg, 27 enz.

Alles wat nieuwigheeden waaren de kollonie angaande, wierden niet met den Onder Directeur maar met den boekhouder onderhandelt, en alles wat ik ontwaar wierde was bijgeval uit der tweeden of derden hand, en meest van kollonisten die het vroeger wisten dan ik, t welk regtstreeks tegen de Wett is, bladz. 5 regel 3 enz.

En daar niet an den schrijver van den Onder Directeur, wijk­meester of kollonisten, de ordres, maar an den Onder Directeur moeten gegeven wor­den, en deze is speciaal belast met der uit­voering aller ontvangene ordres en voor de naarkoming aller reglementen bezonders verandwoordelijk.

ZWEdGest. zogte de opperheerschappij en wetgevende magd; of beter gezegd, wille­keurige heerschappij zoveel te bekragtigen, en het wettelij­ke gezag van de Onder Direc­teur te vernietigen, zoowel in der binnen als buiten kollonie als immer mogelijk was.

Dar­door veele eigen werkzaamhee­den van ZWEdGest. met onkunde, en schaden voor de Maadschappij bekroond wierden, en niet minder tot groot verdriet der bijden Onder-Direc­teurs strekte.

De ondergeteekende heeft zoo veel als doenlijk zijne plicht betragt, en tegen het een en ander tot nut der Maadschappij in werk doen willen maar alles vrugteloos, en dardoor niets meer bewerkt als den haad van den WelEdGest. Heer von Hoff zich op den hals gehaalt.

Zeeker was het pligt van den onder-geteekenden geweest, zijn beklagde reets vroeger bij den Heer Directeur, en vervolgens bij de Permanente Kommissie te doen, maar in aanmerking neemende, dat het zijn supe­rieur was, heefd hij van eener tijd tot der anderen, op eene verandering van zaake gewagd, die buiten zijn toedoen gebeuren konde.

In de midden van den zoomer, daar ik op den opendlijken plaas van ZWEdGest. eene beschimping ondergaan moeste; zegde ik - Capitain! weed U wel dat ik Ond: Direc­teur ben, en wat de Wett den Adjunct en Onder Directeur zegd. De Capitain antwoorde wat Wet, de Wet heefd de Permanen­te Kom­missie verandert.

Mijne andwoort was, goed, in dien dat zoo was, zulde de Permanente Kommissie ook darvoor gezorgd hebben, dat ik zij ontvangen hadde om mij darna te ge­draagen, en zoo lang geene nieuwe wet be­staad of bekend gemaakt is, blijfd de oude in volle kragd; de Capitain - wat gij hebt met de Permanente Kommissie niets te doen, -

ik antwoorde, dus Capitain zal ik u voor wetge­ver erkennen, neen dat kan nooit geschie­den, ik erken maar eene Wetgevende magt en dat is de Permanente Kommissie in den Haag, en alle zonder onderscheid in den kollonien aangestelde ambtena­ren zijn daran onderworpen. De Capitain ging vol graam­schap van mij.

Ik kort naar dezem weder bij ZWEdGest koomende, was ik natuurlijk als subalterna de minste, en liet mij van het voorgevallene niet merken.

Het Wetboek reets voorheen genoemd zegd bladz. 11 reg. 6 en bladz. 45 regel 22 tot 27 dat een raad van toezigd bestaan zal, maar die heefd bestaan in der kollonie Om­merschanz, tot ter ankoomst van den Heer von Hoff, maar van die tijd af an is hij niet meer, of beter gezegd de Heer Adjunct maakt geen gebruik darvan, en ZWEdGest. strafd en beloond gelijk een soverijn willekeu­rig.

Het voorheen gebeurte wil ik hier niet eens anstip­pen, maar wil beginnen met de tijd dat de Hoornschen bedelaars angekoom­en zijn.

Twee van de Hoornsche bedelaars, die desserdert wassen, en door een gerichts­dienaar van den Hardenberg terug gebragt, zette ZWEdGest. s achtermiddags in den kelder, sanderenmorgens moeste de wijk­meester Seyl, zij uit den kelder haalen, en zonder behoorig verhoor, zonder beoordee­ling haarer misdaat wierden deze twee per­zoonen op den plaas in tegenwoordig­heid aller bedelaars op eene bank gelegd, door 4 man gehouden, en door den wijkmeester Seijl met stokken een vinger dik, zoo veel slaag op de agterbillen gegeven, dat de eer­ste het zenuwen trekken kregde, en naar ontvangener straf, zinloos zonder gevoel op den grond needer gelegd wierde, en darna de tweede, die dezelfde handelwijs door den wijkmeester Seyl onderging, vervolgens naar willekeurigen goedvinden van den Heer Ad­junct voor eene bepaalde tijd in den pollicie­zaal opgeslooten.

Twee andere hoornsche bedelaars, die de cijfers in eenigen winkel­kaarten verandert, en dus eenen bedroog gepleegd hadden, wierden in den kelder opgeslooten, des ande­ren morgens, door dien wijkmeester Seyl opgehaalt, en zonder behoorig verhoor wier­de de eene op de bank gelegd, door mannen gehouden en de wijkmeester Seyl moeste tot plezier van den Capitain an hem execute­ren.

Voor den tweeden die eenen breuk hadde, deed ik mijne voorbeede bij den Heer Adjunct, en mijn verzoek wierde verhoort, om dat ik vreesde dat hij onder der straf mogd doot blijven. Naar volbragter executie wierden zij door den Heer Adjunct naar den pollicie zaal verweezen.

Een ander naamens Braakman, zijnde een kollonist, van den anderen kollonien tot straf naar de Ommerschanz gezonden, heb­bende vrouw en kinder, wierde om dat hij een kollonien halsdoek van een wees naamens Schuurman gekogd hadde, zonder behoorig verhoor of vonnis, op een bos stroo gelegd, in den kring van aller bedelaars, door man­nen gehouden en even zoo door den wijk­meester Sijl met stokken op de agterbillen geslagen.

De vrouw van Braakman bitte en smeekte den Capitain in tegenwoordigheid aller bedelaars en kollonisten, enkel om der schande voor haar en haare kinder, haaren man in tegenwoordigheid der bedelaars, met dezer straf te verschoonen, en hem eene andere minder schandelijke op te leggen.

Maar neen, willekeurig moeste de Heer Ad­junct gelijk een onomschrenkter wetgee­ver handelen.

De wees namens Schuurman, die zijnen doek an Braakman verkogd hadde moest deze straf in tegenwoordigheid der bedelaars ook ondergaan.

A. Star, een wees uit Delfd, had zich schuldig gemaakt an diefstal. Hij hadde den Heer Adjunct Directeur een zak horloogie uit zijner kaamer van der tafel genoomen, en verkogt an der Lichtmis, drie uur van der Schanz.

Deze wees 18 jaar oud, wierde s avonds in den kelder gespert, en sanderen daags ook zonder verhoor of beoordeeling der groote zijner misdaat, op een bos stro gelegd, gehouden door mannen zoo als die voorigen, en door den Wijkmeester Seijl met even zulke stokken, in tegenwoordigheid aller bede­laars, op de agterbillen gehouwen, en op twee maande verweezen in de pollicie zaal.

Een mans perzoon van de Hoornsche bedelaars circa 28 jaar oud, die bij het werk met de schop in de binnen Schanz, ontschul­digte zich eenvoudig bij ZWEdGest. dat hij van eene goede familie was, en dat hij ge­raag werken wilde, maar dat werk met de schop zoo handig niet kon, als andere die het langer gedaan hadden.

Daar sprong ZWEd­Gest. naar hem toe en gaf hem meerdere slage an het hoofd en ooren, hem agternaar­loopende, en dezen menschen met den voet trapte.

Dit gebeurte s morgens doen ik s agtermiddags het ongeluk hadde de bedela­resse Roijé, wegens haaren steifhooftigheid uit dienstiever te slagen, darover ik van mijn post ontzet ben.

Dit weinige zal vooreerst genoeg zijn uit het journaal der wilkeurige opper­heerschappij des Heeren Adjunct Directeur von Hoff, het slagen op voorgezegde wijs door den wijk­meester Seijl, altoos willekeurig bevoolen door den Heer von Hoff gaad maar gestaadig zijnen gang voort.

De ondergeteek­ende zegd niet dat deze kollonie niet door strenge maadregelen moet bestierd worden, of dat die menschen zulke straffen niet verdient hebben, het zij minder of meer, maar hij spreekt enkel van der altoos willekeurigen handelwijze, streidig met de intentie der Maadschappij, en het Wetboek bladz. 11 regel 6 enz. en blaadz. 45 reg: 22.

Darbij is noch te weeten, of men een kollonist, die vrouw en kinder heefd, of wees zijnde, ten pronk voor allen bedelaars steld, en zij op die mannier bestraffen mag.

Eene zulke be­schim­ping zal die kollonist, weder in een of de andere kollonie teruggaan­de, met zijner vrouw en kinder zich moeten laaten voorwer­pen, en dus een altoozige schandvlek voor hem en zijnen kinder is, even zoo is het ook met een wees, die niet naar den kollonien gestuurd zijn, om den bedelaars gelijk te stellen; maar als zij zulke straffen verdient hebben, en naar behoorlijk verhoort en ge­vonnist te zijn, zij niet voor het quartier der kollonisten of in eener kaamer, haare straf ontvangen moeten.

Darboven ben ik van gevoelen, dat ook een perzoon, aanklager zijnde, niet willekeuri­ge richter, en executeur in zijner eigen zaake zijn kan, blijkens het geval met A. Star, die de horlogie van den Heer von Hoff ont­noom­en hadde.

De zaak was crimineel, - de Capi­tain van die de horlogie gestoolen was, was anklager, ZWEdGest. was ook willekeurige richter, ZWEdGEst. veroordeelte hem wille­keurig tot de straf, en was ook executeur van de straf, ZWEdGest. liet in zijner tegenwoor­digheid op eigenen beveel, door den wijk­meester Seijl de strafoefening doen:

Ik meen dat een raatsheer zitting hebbende in een of het ander gerichtshof, anklager voor eene daad­zaake zijnde, voor die tijd dat de zaak verhandelt word, geen stem in den ge­regtstzaak heefd, noch minder uitspraak doen in zijnen eigen zaake, of de executie der strafoefening ordineeren of commendeeren.

In hoeveer de regten van een Adjunct Direc­teur der Maadschappij van Weldadigheid, boven die, der crimineelen wetten van dit Rijk gaan, weet ik niet.

Op de andere hand zullen wij maar over­vlakkig beschouwen, de onkundige, der Maadschappij naardeelige en willekeurige handelwijze, in der buiten kollonie, en verpro­viandeering der binnen kollonie.

Het reets voornoemde Wetboek der Maadschappij van Weldadigheid zegd bladz. 5 reg: 3 tot 7 dat an den Onder-Directeur speciaal op gedraagen is, de uitvoering van alle ordres, welke hem door den Heer Direc­teur, of van zijnentweege gegeven worden, benevens het toezigt, dat alle reglementen der Maadschappij, behoorlijk worden betragd.

Volgens dit is de Onder-Directeur, de executi­ve magd, ieder in zijner kollonie; en de Ad­junct Directeur bladz. 43 regel 25 de toezien­de of beveelende magd, en superieur van den Onder-Directeur, en bladz. 5 regel 25 zegd de Wet, dat de executie magd der re­glementen, van den Ond: Directeur op de weijkmeesters overgaan, en de Onder-Direc­teur word dardoor toeziende en beveelende magd zijner subalter­nen.

De grootste vijand der kollonizatie moet zeggen, dat deze ordre van zaaken onverbeeterlijk is, en als deze wet van iedem stipt opgevolgd word, geen boven of beneeden zijne functie werkt, moet alles goed gaan.

Maar van dezem allen wil de Heer von Hoff niets weeten. ZWEdGest. is van gevoe­len de functien van Adjunct, Onder-Directeur, weikmeester enz. enz. in eener perzoon uit­oefenen te moeten, dardoor de mindere amb­tenaar­en magd en werkeloos te maken, en zij in t duister te leiden, om zooveel doenlijk alles tot op den minsten graad zich dienst­baar of verpligtent te maaken.

Dit gevoelen van ZWEdGest. heefd door de onkunde in het huishou­delijke, in der bin­nen en buiten kollonie, schaden voor de Maadschappij bewerkt, en veel verdriet en werkeloosheid bij den Onder-Directeurs.

De ondergeteekende wil verder van het huishoudelijke bestuur, gevoert door den Heer von Hoff, niets meer anstippen, om de Heeren Leeden der Permanente Kommissie, niet langer lastig te vallen, met een verhaal, dat zoo onangenaam te leezen is, tot op eene tijd, daar het noodzaakelijk zijn zal, deze zaaken naader te ontvouwen.

Jagdlust bij Dalsen den 9 febr: 1823