Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Door Fenner bijgevoegd bij zijn klaagschrift over adjunct-directeur Hoff van 14 februari 1823: 2) Verhaal eener niet minder anmerkings­waardigen handelwijs strekkende tot voor­beeld an de ondergeschikter ambtenaaren der kollonie Ommerschanz.


Volgens reets genoemden Wetboek bladz. 25 reg. 5 enz. enz. is de Onder Directeur speci­aal belast, met de toezigt, dat alle reglemen­ten der Maad­schappij behoorlijk worden be­tragt, en reg: 8 - alle perzoonen, tot eene kolonie behoorende, over welke de Ond: Directeur gesteld is, zijn diens volgens an hem onderschikt, en
bladz. 74 reg. 19 enz. enz. bepaald de Wet, dat de Adjunct Directeur speciaal belast is, om toe te zien, dat de Ond: Directeurs, ieder in zijn ressort, getrouwelijk hunnen plicht vervullen; -

maar men vind, in t geheele Wetboek niet, dat de Adjuncten zelfs over­treeder der Wetten zijn moogen, zoo als blij­ken zal uit volgendem verhaal.

Woensdag den 14 aug. ll. zijn ontslagen en van de Schanz gegaan volgende kolonisten, die van anders kollonien voor straf dar­heen gezonden waaren.

P. Wolf en F. Knizenberg met hun huis­gezinnen.

H. van Schie, G. Moolen, Betje Liefmans en Gees Nieuwenhuis, alle eenloopige perzoonen.

Volgens het voorgemelde in het Wet­boek; is het de Ond: Directeur die zulke perzoonen uit zijner kollonie an den Heer Ad­junct schriftelijk voor­dragen moet, om waar­dig te zijn ontslagen te worden, darbij ange­vende de reeden warom; -

de Heer Adjunct exameneerd dezen voordragt en voegd zijne anmerkingen darbij, geefd vervolgens kennis darvan an den Heer Directeur, darop afwag­tende, of de voordragd geheel of gedeeltelijk ange­noomen of verworpen word;

in dezelfde voege heeft mij de Heer Capitain van den Bosch, toenmaalige Directeur en mijn eerste superieur, deze zaak verklaard en belast.

Maar de Heer Adjunct Directeur von Hoff, was van gevoelen, hier in zoo wie in allen zaaken, willekeurig handelen te moogen - ja zelfs tegen de Wetbilligheid en ten naar­deel der Maadschappij en goeden ordre, over eene zaak te beschikken, die in te geheel in geenem ambtenaar der Maadschappij zijner magd staad.

Ten eersten, droeg ZWEdGest. boven genoemde perzoonen, als waardig te zijn, ontslagen te worden, voor an den Heer Ge­neraal; men moet anmerken, de Heer von Hoff was enkel 10 weeken op de kollonie geweest, en dus niet wel in staad, deze men­schen naauwkeurig te kennen of zij waardig was om ontslagen te worden of niet; - maar het was, om an den belofden op den 16 meij in den kringen, an de kollonisten gedaan, te vol­doen, - zich an hun in die tijd vertoonende, als haare eenige retter en beschermer, - overigens met der billigheid en voorzigtigheid overeenkommen of niet.

Ten andern was ZWEdGest. niet bereg­tigt dartoe, zulks doen te moogen buiten een behoorlijk voordragd des Onder Directeurs; evenwel was dit noch niet van een groot belang, maar

Woensdag den 14 aug. zouden deze menschen vertrekken, het was mitten in de week. Zij hadden noch van drie dagen werk­loon te goed, namenlijk van den 10-12 en 13 aug. Deze drie dage kwamen hun met recht noch toe; - ik zegde dit tegen den Heer Ad­junct, bijvoegende dat volgens reglement, door den Heer Generaal, lid der Permanente Kommissie an mij gegeven - dat de Heer von Hoff wel wist, en ook kende - moeste afge­trokken worden naar proportie der 3 daagen, voor administratiefonds, licht en vuur, klee­ding, en van het overschot een derden voor crediet bij der Maadschappij en een derden voor de Maadschappij, - de Capitain and­woorde dat is goed.

Maar naar dat ZWEdGest. met den boekhouder Greve, zijnen Minister van Staad, gesproken hadde; wierde mij door den Heer Adjunct-Directeur bevoolen, dat ten eersten den vrijgesproken kollonisten in het schuld­boek niets te goed zoude geschreven wor­den, maar dat zij alle het geld, zooveel het ook was, contant zouden uitbetaald hebben, en ten andern ook niets voor administratie­fonds, licht en vuur, kleeding, of het derde voor crediet bij der Maadschappij en het der­de voor de Maadschappij uit niet zoude afge­trokken worden.

Dit hoorende was het, als of mij op het hoofd geslaagen wierde. - de Maadschappij was door dit openbaar bedroogen, zonder te gedenken an de noodlottigen gevolgen, die daruit voortspruiten konden, - ik zegde een­ige woorde in qualiteid van Ond. Directeur tegen, maar de Heer Adjunct begreep boven den Generaal of de Permanente Kommissie wetgever te zijn, en andwoorde ik beveel het, en dus moeste de Ond: Directeur zweigen, of hij ook noch zoo verdrietig darover was.

Mits was de Heer Adjunct, de welke superieur van den Ond: Direc­teur is, en bladz. 74 reg. 26 speciaal belast om toe te zien, dat de Ond. Directeurs ieder in zijn ressort, getrouwelijk hunnen plicht vervullen, zelfs ongetrouw an de Wet:.

Maar de Heer Adjunct dem Onder-Direc­teur niet betrouwende, of die ook misschien zijn gezag noch mogte handhaaven, en even­wel volgens Wet, dat behoorige aftrekken, - gaf ZWEdGest. dem boekhouder Greve ordre dat hij en niet de Onder-Directeur dit volle geld an die menschen contant uitbe­taalen zoude, t welk ook geschied is, uit die reede ik niet ontwaar geworden ben, hoe groot die verdienste geweest zijn, maar ik meene kort an de dertien gulden; -

zij hadden zoo veel geld, dat de meesten bezoopen naar haaren kollonien kwamen en G: Moolen worp die zeste halven te Meppel op der straat om heen, ook is bij dit geval eens der besten paarden doot gejaagd worden, dat den 2ten dag darna hier afgetrokken is, maar dit geval kan men niemand anders als dem voerman en den jenever toeschreiven.

De voerman, een vreemder daghuurder, heefd ook ZWEd­Gest. dadelijk weggejaagd, maar indien ik volgens mijn gevoelen hadde handelen mo­gen; zoo hadden deze lieden op den zelfden voed, als zij op de Schanz gebracht zijn, weder terug naar de kollonien moeten ge­bracht worden.

De wijkmeester Seijl of eene andere gezag hebbende perzoon, hadde zij overbrengen, en in alle ordnung an de Onder Directeurs overgeven moeten dan hadde alles fazoenlijk en in goeder ordre afgeloopen kunnen, maar daar zij an zich zelfs overlaat­en wirden, en contant geld in handen had­den, konde het niet missen, of daar moeste minder of meer disordre plaas hebben.

Maar nu moesten evenwel de drie dag­huur van al den vrijgesprooken kollonisten, door de Maadschappij betaald worden, dit kon niet anders geschie­den als door bedrie­gerij, maar daar wiste de boekhouder Greve wel raad voor, om der Permanente Kommis­sie een blauw bloemetje voor te schilderen,

dit zal zich vinden, als men onderzogd, op welke tijd de voorge­noemde kollonisten, in de kollonien terug gekoomen zijn, het is den 14den augustus ll. geweest, en dan den weekstaad van 10 tot 17 aug. naarziet, daar moeten zij noch van drie daage den 10, 12 en 13ten werkende voor­koomen, maar neen zal zij niet vinden; -

ik was door en door vol erger en verdriet, en wilde mij niet meer da­rom bemoeijen; maar ik meen dat die ver­diensten op andere weekstaten gebragd zijn op vreemde daghuurders, die misschien nooit of voor zeeker deze drie dage in te geheel niet gewerkt hebben voor de Maadschap­pij.

De boekhouder an dien de bereekening der komptabiliteid Wetb. bladz. 6 reg. 27 anbetrouwd is, moeste als een getrouwe dienaar der Maad­schappij natuurlijk met den Ond: Directeur dartegen gewerkt hebben, en voornaamendlijk daar hij de boekhouder was van den Ond. Directeur in der kollonie, maar neen dit kon niet geschieden, hij was toen reets teveel in de belangens van den Heer Adjunct gewikkeld; het zij uit vrees voor ZWEdGest. of anderzins.

De zaak was eigendlijk eene groote onverschilligheid tegen de Wet, en zeekere ongetrouwigheid an de Maadschappij, en voornamendlijk an de kollonisten en andere belanghebbende te toonen, dat ZWEdGestr. soverain pouvoir in handen hadde, - wat voor een perzoon kan dat anders zijn! die zich buiten eene zulke magd onderstaan zulde, over een wettiges eigendom der Maadschap­pij te beschikken en te verschenken.

Het was eene zaak die zeer interessant was, voor ieden kollonist, voornaamendlijk voor andere belanghebbende perzoonen om haar oogmerk te bereiken, zich compleed in de belangens van den Heer von Hoff te voe­gen, en den onnozelen Ond: Directeur met de geheele Wet loopen te laaten, ik geloof ook dat de Heer von Hoff gedeeltelijk dardoor zijn oogmerk bereikt heefd....., en het overige zal wel volgen.

Of dergelijke zaaken meer gebeurt kun­nen zijn, laad de schrijver an de beoordeeling der Heeren over, het zijne zal zich vinden in het journaal van den kollonie de Ommer­schanz.

Het nadeeligste van dit, aan de Maad­schappij gepleegd, was niet alleen het weini­ge geld, darin haar te kortgedaan wierde, maar de hoofdzaak was, dat door dezes eenem ieden ondergeschikten angeweezen wier­de, hoe hij het anleggen moeste, om zich zelven op die wijze voordeele te verschaf­fen en is dit het ongelukkigste, en naardeeligste voorbeeld dat een superieur an zijne onder­geschikte geven kan, en dat evenwel alle oprecht denkende superieuren, niet waak­zaam genoeg zijn kunnen, tegen zulke fouten harer ondergeschikten.

De Achtbaare Heeren zullen denken hoe kan het mogelijk zijn, en wie zal zich onder­staan durven, valsche weekstaten te teeke­nen, darin werklie­den staan die niet eens gewerkt hebben: - mar hierover gelieven de Heeren zich niet te verwonderen: -

zoo gauw de Adjunct of eerste superieur van zijn res­sort, het wettige gezag der ondergeschikten vernietigd heefd, en zich als wetgever op den voorgrond steld, kan hij alles naar zijnen wil beschikken, en het zal zich geen een onder­staan durven, niet doen te willen, dat wat de wetgever ordineerd;

zulde het ook het groot­ste onrecht zijn: - of zoo zich een of de ande­re ondergeschikte, dartegen verzet, haald hij zich den haad, van den wetgever, zijner su­perieur op den hals, en zijne rechtmaatige tegenkan­ting, word twarsboomen genoemd, en onder deze of dergelijke benoeming, word hij an den Heer Directeur, of ook wel an de Permanente Kommissie recommendeert - en dit is het begin, dat zijn ongelukkig lot, in t vervolg bestemd en beslist.

Wij zijn alle menschen, en dus, is ook, de voorzigtigste vatbaar voor overijlingsfeilen, buiten dat kan hij evenwel een braaf ambte­naar zijn, deze zoort van fouten worden ge­booren, door ontijdige drifd of onverzigtigheid;

- dan, - als zoo iets gebeurt, of ook de schul­dige zich schuldig erkent, het grootste be­rouw bettond, met beloofden dat het gebeurte niet weeder gebeuren zal en eenem andern zulke fout gemakkelijk vergeven wierde; - had hij dartoe geene hoop, zijn superieur zocht, reets zijn vijand zijnde, hem door dezes quit te worden.

Dus wenscht de schrijver dat de Achtbaare Heeren, dit and dien vergeven, die zulks gedaan heefd, als hij anders braaf is, om dat ieder geraag zijn stukje brood be­houd, en niet op eene onnozele wijs verlie­zen wil.

Maar word eenem ieder zijn wettig ge­zag, als ondergeschikte, gewaarborgd, en dat hij zijn ambt angaande vrij spreken darf, dar­nevens de Wet als het eenige fondament van de goede zaak angemerkt en gehand­haafd, dan is de ondergeteekende van gevoelen, dat geene naarzigt plaas heefd, en de over­treeder rechtmaatig strafbaar is.

De schrijver van dit
Fenner