Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Door Fenner bijgevoegd bij zijn klaagschrift over adjunct-directeur Hoff van 14 februari 1823: 3) Verhaal van kundigheid in den landbouw


De Heer Adjunct Directeur von Hoff, rijste in de maand julij ll. met een kolloniall wagen en paarden nar Harderwijk voor eigene particu­liere zaak, en verkogde daar bij geval an een schipper 800 schepel ardappelen, t schepel voor 10 st. in 14 dagen te leveren;

zonder ten voren met den Ond: Directeur der buiten kollonie Boscha over den mogelijk of onmo­gelijkheid, van het leveren der ardappelen in die tijd gesprooken te hebben, en zelfs geen verstand darvan hebbende; -

terugkoomende vertelde mij ZWEdGestr. deze zoo voordelige koopmanschap; - ik moeste hartelijk darover lachten, an­dwoordende, ik wilde niet wen­schen, dat ik deze schaden, die dit veroor­zaakt betaalen moeste;

bijvoegende Capit:! een administrateur van den landbouw, moet ja van buiten weeten, zonder eens op t land te koomen, hoe het ongeveer met zulken vrugten staad, als hij maar weet, op welke tijd de ardappelen gepoot zijn, wat voor zoort het is, hoe gunstig de grond voor dergelijken gewassen is, en het gunstig of ongunstig weeder darbij gereek­end,

als dan kan een ieder kundige landbouwer weeten, bijgaans de tijd, der rijpwording zulker vrugten en als een zulk administrateur zich noch vergissen kan, dan was het misschien om 50 schepel, maar niet geheel en al met 800.

De Heer von Hoff begreep dat ik zijne belangrijke koopmanschap belaglijk maaken wilde, of hem darin twarsboomen, ZWEdGest. bevragde zich bij andern, en lied op mijn gezegde de zaak onderzoeken, be­vindende dat het niet mogelijk was, en den schipper moeste geschreven worden, om in plaas van 14 daagen in 4 weeken te koomen.

Nu, daar de bestemde tijd der aflevering annaaderte moeste de toenmalige weinige kollonisten op der Schanz, en vreemde dag­huurders an te werk de ardappelen uit te maaken, maar daar kwammen zeer veele onreipe met onder.

Deze ardappelen wierden in de bokke gekruit en heen en weer ge­sleept, dat natuurlijk grote kosten verwekte; maar door de groote hitte in die daagen, en rijp en onrijp goed doormalkander, moesten zij natuurlijk op hoopen leggende an t broei­jen koomen en bederven.

Voor de kollonisten en voornaamendlijk voor de vreemden dag­huurders was dit eene heerlijke tijd, en waren ook verheugd over den goeden verstandigen Heer, die hun goed geld verdienen lied.

Boscha de Onder-Directeur der buiten kollonie hadde in t geheel geene schuld an dit al, om dat hij in zijn ressort zoo min wat te zeggen hadde, als ik in het mijne, en wierden van den Heer Adjunct maar als bijlooper an­gemerkt, alles moeste ter uitvoering gebracht worden op last van den WEdGestr. Heer von Hoff.

Eindelijk kwam de schipper an, toen waaren als veele ardappelen door het broei­jen zwart of blauw, en hadden in t geheel eene verderflijke lucht, dus de schipper wilde zij niet ontvangen; - mits was men genood­zaakt, om de ardappelen niet tot mest te laaten worden, met den schipper te accor­deeren, zij in zijn schip te neemen, en voor reekening der Maadschappij naar Amsterdam te brengen, an een koopman zijnde een ken­nis van den Kapitain, die zij daar verkoopen zoude.

Naar Amsterdam koomende, waaren zij reets zoo veer bedorven, dat zij niemand hebben wilde, maar eindelijk noch verkogd zijnde, bragten zij negen gulden boven de scheepsvragd op; - dus waren de ardappelen vernield, de veele arbeitsloon verlooren, en de tijd verkwist.

Om dezen verlies voor de Maadschappij juist te bereekenen, dartoe zie ik geene mo­gelijkheid, om dat men den kinderen haare regte naamen verbasteren kan; - het eene kan men noemen wegsligter het andere sand­schieter, het derde krippenmaaker, het vierde plaasopruimer enz. enz. - en dus, of deze ardappelkinder alle hunnen rechten geboortenaam, in den weekstaaten bekoom­en hebben, is mijn onbekend, en was dus zeer gevaar­lijk een zulk werk te ondernee­men.

Als men dit en dergelijken zaaken naar­gaad, is het geen wonder dat de Ommerschanz veel geld kosten moet.

De schrijver
Fenner