Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Verandwoording van den gepensio: Lieut: Fenner geweezen Onder-Directeur der kollo­nie de Ommerschanz tegen eene anklagte gedaan door den WEdel­Gest. Heer Capitain van Hoff, Adjunct Directeur der kollonien 1ter klasse an de Achtbaare Permanente Kom­missie der Maadschappij van Weldadigheid in Den Haag

De ondergeteekende gewezen Onder-Direc­teur der kollonie Ommerschanz van zijden post door de Achtbaare Permanente Kom­missie der Maadschappij van Weldadigheid ontzet

- Op eene anklasgde van den Heer von Hoff Adjunct Directeur der kollonien, 1ter klasse, zonder dat de beklagde in staad is gesteld worden, zich tegen zijnen anklager de Heer von Hoff te verandwoorden.

- Daarintegen de ondergeteekende ver­meend verzeekert te zijn, dat de Wetten bij allen civiliseerten natien, dus ook in dit Rijk, eisschen: dat ieder beklagde tot verandwoor­ding moet getrokken worden,

- niet minder vind het zich, in het Wetboek betijteld Huis­houdelijke bepaalingen, volgens de jongste besluiten der Permanente Kommissie der Maadschappij van Welda­digheid bladz. 46 reg 4 enz. enz. luidende:

Niets is meer nood­zaakelijk dan onpartij­digheid in het welbeoor­deelen van verkeerde gedragingen, en niet alleen is deze onpartijdigheid noodig, maar de schuldige moet daar van zoo veel als mogelijk overtuigd zijn; zoo heefd de be­klaagde evenwel uit eerbied tegen de Perma­nente Kommissie zijn vonnis ontvangende en hetzelfde onderworpen.

- Maar daarintegen blijft hem beklagten natuurlijk voorbehouden dat noch te doen, t welk volgens allen wettigen regten voor zij­nem vonnis hadde van hem moeten geeischt, en door hem beklagten daran hadde moeten voldaan worden; en is de beklagte darom zoo vrij, an U Achtbaare Heeren, het nadere van dit door hem gepleegde dienstieverige misbe­drijf antebieden, en aan uwer wijzen en on­partijdigen beoordeeling overtelaaten.

Het besluit van den 27ten november 1822 luitende:
De Permanente Kommissie overweegende dat het haar gebleeken is, dat de Ond: Directeur K.F.L. Fenner, van zich heeft kunnen verkreegen, om zeekere zich in het instituud te Ommerschanz bevindende bedelaresse M.Th. Roijé, welke ter zaake van onwilligheid tot arbeid, overeenkomstig de reglementen, op last van den Heer Adjunct Directeur G.F.W. Von Hoff in zekere bewaa­ring was gesteld, ten einde haar tot den ar­beid te noodzaken, - strijdig met den last van genoemd zijnen superieur, uit die verzeeker­de bewaaring in zijne wooning te doen bren­gen;

1) Het Besluit zegd overeenkomstig de Re­glementen. De beschuldigte weed van geen­en andern reglementen als die in het Wet­boek, reets voornoemd en voornaamendlijk bladz. 42 enz. enz. over de zeedelijke oplei­ding der kollonis­ten, daar wel in verscheiden bladzijden niet besprooken word, van slagen bij onwilligheid in het werk.

Evenwel blijkt duidelijk daruit, dat de intentie der Maad­schappij niet en is, om te laagen of anders eigenmagtig of willekeurig te straffen: en dus heeft de beschuldigte in zijnen dienstiever dartegen gehan­delt:

maar daar in teegen heeft de Heer Adjunct Directeur, eenen bede­laar, circa 28 jaaren oud s morgens op den zelfden dag, zeer gevoelig met slagen aan het hoofd en ooren en met den voet hem trappende, tot werken willen twingen, en zulks moet dus veroorloofd zijn in der Om­merschanz, of de superieur zelfs darf het niet doen, om daardoor een voorbeeld an andere te geven.

2) Op last van den Heer Adjunct-Directeur in zeekere bewaaring was gesteld: de beschul­digte is nooid daarmeede belast geweest, dus heefd hij zich ook niet schuldig gemaakt an ongehoorzaam tegen die beveelen van zijnen superieur.

Vervolg van het Besluit
Overwegende dat gemelde Onder-Directeur Fenner zich al veerder niet ontzien heeft om gemelde vrouw door schoppen en slaagen te mishande­len en van zijn gezag over den wijkmeester Sijl tot voortzetting dier mishan­deling misbruik te maken;

De beschuldigte meent daruit te verstaan, dat hij de voornoemde bedelares­se, bij zich in zijner woonig zal geslagen hebben, - maar dat zoo niet is, hij heeft dit dienstieverige misbedrijf gepleegd op den plaats bij het werk, just gelijk zijn superieur s'morgens ook gedaan heeft.

De ondergeteekende zal hier volgen laaten hoe zich de zaak toege­dragen.

De bedoelte vrouw op der Schanz an­koomende heefd van begin geweigert om te werken. De Onder-Directeur maakt darvan rapport in den eersten dagen haarer an­koomst, an den Heer Adjunct-Directeur.

ZWEdGest. lied haar noch eenige daage tot bedenking, met het volle portie eeten op den zaal daar zij behoorte; naar dit tijd noch niet willende werken ontving zij een halv portie, en eindelijk wierde zij overgebragt op den policezaal, daar zij een half portie eeten ont­ving en geen brood, darbij niet in een hange­mat maar op den blooten grond slaapen moeste.

Alles dezes is geschieden zonder dat hij beschuldigte als Ond: Directeur dar­meede is belast geweest, en alles wat hij darvan weet, is van hooren zeggen.

Eindelijk zij op den policezaal der vrouwens zijnde - Moet hij beschuldigte eerst zeggen, wat de policezaal der vrouwens voor een verblijf­plaats is. De vrouwens darop zijnde wierden den dag daraf gelaaten, om op den plaas te werken, ja zelfs ordineerde de Heer Adjunct an den opziender van Kooten, dagelijks twee vrouwens van den policezaal in der keuk tot kooken te gebruiken;

op deze wijs bestond de policezaal, daar Roijé bij den overigen vrouwens was niet uit een extra verslooten plaas, daar verbooden was geene af te laat­en.

Dus wierden die, dewelke darop wassen s dags afgelaaten om op den plats te wer­ken, darvoor zij in den karten daagen 25 cens ontvingen, of zij het verdienten of niet, enkel als die week om was, dat zij weeder zooveel verdient hadden, als haare volle voeding uitmaakte, en dus van den policezaal afkwamen, en ander weder darop, darmede ging het weder zoo.

De Maadschappij moet maar betaalen.

Mits op den dag, daar de ondergeteken­de die vrouw geslagen had, maar niet geschopt, kwam om half twalf uur s morgens, de opziender van Kooten bij hem an zijne huisdeur, zeggende mijn Heer! hoe zal het doch met Roijé gaan, om dat die tot werken niet te brengen is.

De Capitain is van gevoe­len, dat zij in den kelder moet gezet worden, en niet meer te eeten hebben, en zoo werken of dood hongeren.

Dit was eene zaak die de Adjunct met den Ond: Directeur of in eenem raad van toezigd overleggen moeste, maar niet met eenem opziender. Ik verwonderte mij over zulk besluit, daar ik als Onder-Directeur niets van wiste, en andwoorde an den op­ziender, dood­hongeren dit is ook eene zaak die hart is.

Maar omdat ik de perzoon noch nooit alleen gesprooken heb, wat eigenlijk de reeden zijn moge dat zij niet werken will, zoo wenschte ik, dat gij zij eens bij mij bragd, ik wilde zij wel allenig spreken, om te zien, zij door goede voorstelling overtehaalen, om het werk an te vatten.

Dit deet van Kooten s achtermiddags om half een uur.

Ik begon geheel vertrouwelijk met haar alleen in eener kaamer te spreeken, en vragde zij of zij niet gezond was. Ik ben heel wel en gezond was haare andwoord.

En waarom wild gij dan niet werken, of hebt gij nooit gewerkt. De andwoord was ja, ik kan wel werken en heb ten vooren veel gewerkt, maar ik wil niet werken.

En wat zijn dartoe de reeden. Geen andere als dat ik het niet doen wil.

Ik stelle haar in t vriendelijkste voor, dat alle menschen werken moesten, van den daghuurder tot den konig toe. De eene werk­te met den handen, gelijk de daghuurder en ambachtsman, de andere met het hoofd en pen, en zelfs de koning hadde het moeijelijk­ste werk, door een geheel land te bestuuren, en alles door Zijne Majesteit beveelen in orde te houden.

Dus begreep ik dat zij zich scha­men moeste, zonder werken van der Maad­schappij van Weldadigheid onderhouden te worden. Haare antwoort was - ik heb reets vier maanden in Braband, darom vastgezee­ten, en de Heeren hebben mij niet dartoe twingen kunnen, en gij zult het ook niet doen, zoveel er u ook zijn moogen.

Op dezen voed hadde ik mij met haar bijkans een half uur onderhouden, en daar ik zag dat ik met mij­nen vriendelijken woorden en goede exempe­len die ik haar voorstelde, niets winnen kon; gelaste ik an den opziender van Kooten zij weeder naar den policezaal te brengen, dat ook geschiede; dus heb ik der vrouw hierbij geen een quaad woord gezegd, integendeel de vriendelijksten woorden gebeezigd, haar tot ander gedagtens te brengen.

Mij bijkans een half uur darna, ontving ik beveel van den Heer Adjunct, door een op­ziender, dat ik de vrouwens van den police­zaal zulle doen afgaan, en an t werk zetten binnen de Schanz, om den plaast gelijk te maaken; dus de vrouwens, daar was geene uitzondering.

Ik ordineerde an den opziender van Kooten, dat hij de vrouwens van den policezaal moeste aflaaten, om op den plaas te werken, en dat darvoor moeste gezorgt worden, dat Roijé ook iets deet, het was den zoo veel of min als het wilde, als zij maar toonde dat zij werken wilde, dan zulde haare stijfhooftigheid zich wel van tijd tot tijd verminderen.

Men moet gedult met zulken men­schen hebben was mijne recommendatie. Maar wat gebeurt! Alle de vrouwens gingen an t werk, maar Roijé nam haare schop, stook zij daar in den grond, en zette zich tegen eenen turfhoop die daar stond, het schorteldoek om het hooft hangen­de, tegen den opziender zeggende, ik verkies niet te werken.

De opziender daar niets meer an doen kunnende, kwam tot mij zijn beklag doende; ik ging zelfs darnatoe, zij vragende uit wat reeden zij niet werken wilde. De an­dwoord was, om dat het mijne verkiezing niet is, en dartoe zuld gij alle mij niet twingen.

Ik herhaalde mijne woorden in vriendelijkheid noch twee of drie keeren, maar zij roerte geen hand noch voet. Wel zegde ik, dan zall ik u het brood der Maadschappij om niet leeren eeten, en nam een takje, afgebrook­en van een erftenrijs dat ik reets in handen had­de, gaf haar darmeede eenige slagen op den rug, maar heb zij niet geschopt; darmeede stond zij op, ik gaf haar de schop in de hand, en bragde zij bij de andere vrouwens.

Zij hield de schop wel in de hand, maar zij wilde niet werken.

Darop wierde ik dienstieve­rig toornig, en gaf haar noch eenige slaage met het stokje.

Maar omdat ik op de Schanz ll. zoomer ongelukkig ben geworden, door bij der timmerage mijne linke hand uit het gelenk te rukken, die ik meest in een doek an hals hangen­de dragen moeste - en tot heden toe noch niet weder volkoomen hersteld is - maar ter zelfden tijd hadde ik den arm niet in een doek, en darvan stonde ik mij met den rech­ter arm niet roeren, of ik hadde an den linker hand, door de beweeging groote pijn.

Uit die reeden gaf ik het stokje an den wijkmeester Seijl - den Heer van Hoff zijner executive magd - hem in hoogduitsch zeggen­de, dezer tegen de geheele natuur inderkende(?) per­zoon, door noch eenige slage tot het werken te noodzaaken, dat hij ook deede.

Maar zien­de dat dit niet helpen wilde, ordineerde ik an den opziender van Kooten de perzoon terug naar den policezaal te brengen; en ging di­rect naar het huis van den Heer Adjunct Di­recteur, om rapport van het voorgevallene te maaken.

Maar dien Heer niet te huis vinden­de, wagde ik tot den avond daar de Heer von Hoff zelfs bij mij in de Schanz kwam. Ik deed dus getrouwelijk rapport van het gebeurte aan ZWEdGest.

De Heer Adjunct antwoorde, het gebeur­te was niet volgens zijner intentie, ik zie wel in zegde hij, dat het een dienstiever van u geweeste is.

Ik antwoorde Capitain! het is het eerste keer dat het mij hier ter plaze gebeurt is; ik hadde direct spijt darvan, en het doet mij leed dat het voorgevallen is, maar het zal nooit weder gebeuren, ik wille wel om veel dat het niet geschie­den was.

Dus ik begreep zelfs dat het verkeert gehandelt was, en had­de een groot berouw darover.

De Capitain andwoorde, het moet dus niet weer voorval­len. Door dezes is mijn geheele plan bedor­ven, ik ben naar den roomschen pastoor geweest en hem verzogd morgen hier te koomen, om deze perzoon tot dem doode voor te berijden.

Zij zoude verder heen niets meer te eeten hebben, of zij moet werken, of zij zal doodhongeren en tot dit einde in den kelder opgeslooten worden, dat geen mensch bij haar koomen kan; - zij is daar doch reets in!

Mijne andwoord was neen, dat is zij niet. De Capit: ant: - en ik heb het u door den opziender van Kooten zeggen laaten, dat zij van den policezaal naar den kelder zoude gebracht worden.

Ik an­dwoorde nu de ordre heb ik niet ontvangen; hadde ik die ontvan­gen, was dit nooit gebeurt, en vertelde an den Capt: wat voor gemerkt te U: A van Koo­ten voor der tegen mij gezegd hadde.

Maar hadde van Kooten tegen mij gezegd, de Ca­pitain laat u zeggen, dat Roijé naar den kel­der zal gebracht worden, hadde ik onmoog­elijk dezer ordre tegen werken kunnen, en ik hadde zij hier laten brengen.

Dus ik hadde berouw getoond bij den Capitain wegens het voorgevallene en de Capitain was te vreeden.

Maar ZWEdGest. begreep die zaak den tweeden en derden dag anders in die voege, dat dit eene goede gelegendheid was, den Ond: Direc­teur quid te worden, om dat ZWEdGest. den zoomer door, reets veele haspelarij met hem gehad hadde en dat de Ond: Direct: te sterk an de Wet verkleefd was, maar bij eenem nieuwen, noch onkundi­gen, zijne oppergezag hebbende herschappij beter uitbreiden kon.

Den derden of vierden dag darna, maak­te die Heer Adjunct, zonder dat ik iets darvan wiste, zijnen schriftelijken rapport, en zon­dags acht dagen darna, zegde ZWEdGest. op de Schanz zijnde, tot mij, dat ik eens den dag bij hem koomen mogde.

Om tien uur bij den Heer Adjunct in zijne wooning koomen­de, moeste ik mij zetten en ZWEdGest. be­gon tegen mij te zeggen: ik heb u iets te zeggen dat mij spijd, het hangt u een onwee­der boven het hooft.

Ik heb het voorgevallene van Roijé an de Permanente Kommissie ge­schre­ven, ik heb gegloofd dat het mijne plicht was, gij hebt mijne autoriteit bele­digd. -

Het was beter geweest ZWEdGest. had gezegd, gij hebt de autoriteit van der Maadschappij van Weldadigheid beleedigt. -

Mijne and­woord was: Capitain! Gij moet uwe plicht weeten, en de zaak maakt mij niet verleegen. Ten eerste meen ik dat het onmogelijk is, mij te veroordeelen, of ik moet ten vooren ver­hoort zijn. Dit is de grootste geruststelling voor mij, en men zal zich an t verkeerte kan­toor bevinden.

De Capitain mij stilzweigend anhooren­de, begon te zeggen: hoores! Ik heb spijd darvan, dat ik het gedaan heb, en mis­schien schuld daran ben, dat gij van de Schanz moet; maar dat is niets. Ik presentee­re u mijn huis en hof te Harterwijk, vrij te bewoonen een jaar lang.

Ik antwoordte van den stoel opsteigende, mijn lieve Capitain, ik dank voor uwe presendatie, ik zal daar geen gebruik van maaken, overigens zal zich de zaak wel zetten. Ik blijf bij mijn woord, dat ik onverhoort niet kan veroordeelt worden, en zoo vraagde ik of ZWEdGest. noch iets te ordineeren hadde en ging heenen.

Eenige dagen darna kwam ZHEdGest. de Heer Generaal, met den Heer Directeur Visser op de Schanz. De Heer Generaal logeerte in het logement bij Krizega an der vaart, en de Heer Visser zoo als gewoonlijk bij onz an huis.

Ik verwagde niets minder als dat ZHEdGest. de Heer Generaal mij zoude roepen laaten, en mij wegens het voorgeval­lene ondervragen, maar neen dat geschiede niet.

De Heer Directeur Visser de nacht bij onz in huis slapende en smorgens thee bij en met onz drinkende, zegde niet een woord van die zaak, dus was het ook mijne zaak als beklagte niet, om darvan te spreeken, omdat de beklagte altoos wagt tot hij tot verand­woording getrokken word, en niet zich zelfs dartoe anbieden moet.

Dit zoude veel te voorielig en laf zijn, en niets als zijnen vijan­den in de hande werken.

Mits vertrok ZHEdGest. de Heer Gene­raal met den Heer Visser, zonder mij ter rede gesteld te hebben, maar ik ben van gevoelen dat de Heer Adjunct Directeur bij ZHEdGest. de zaak zoo heefd weeten te leiden, dat mij­ne perzoon daar niet bij te pas kwam.

In der tusschen tijd zegde mij de Heer von Hoff verscheidene keeren - mij an het leidebandje voerende - dat ZWEdGest. meerdere brieven wegens mijnen reets an den Heer Generaal geschreven hadde, om de zaak te verande­ren.

Ik hoorte deze zoort van vlijerij an, en zweeg stil dartoe. Maar eens dat de Heer Adjunct mij ook zulks zegde en darbij voeg­de, dat de Heer Generaal geandwoord had­de, als of mijne verzoekingen niets helpen konden - de Permanente Kommissie zulde de zaak niet weeder veranderen, meene ik ge­voelt te hebben, als of de Heer Generaal begreepen hadde, dat ik den WelEdGest. Heer von Hoff, om voor mij te bitten, verzogd hadde.

Maar ik hoope niet dat ZHEdGest. zulke gevoelens van mij koesteren zal. Alles wat de Heer Adjunct gedaan heefd, is uit hem zelfs hervoorge­koomen.

De reeden warom en of het ook waar is, dat ZWEdGest. an den Heer Generaal darover geschreven heefd, is mij onbekent, ten minsten ik heb darom niet verzogd en hadde ook geene reeden dartoe, omdat ik vermeende niet gevonnist te kunnen worden, zonder verhoort te zijn.

En als het geval zoo geweest was, zulde ik mij zelfs per missive an de Permanente Kommis­sie of den Heer Generaal adresseerd hebben en niet an eenen Adjunct-Directeur, die voornaamenlijk mijn vijand was.

Ten andern bewijst zich dat ik den Heer Adjunct niet tot mijnen voor­spreeker zoude gezogd hebben, om dat de Heer Generaal voor dat de zaak eens beein­digt, of mijn vonnis door de Permanente Kommissie uitgesprooken was, de Heer Ge­neraal zelfs lid der Permanente Kommissie in het logement van Krizega logerende, en de Heer Directeur zelfs bij onz in huis, - warom zoude ik dan zoo stom zijn geweest en niet bij den Heer Generaal zijn gegaan, en dien Heer tot voorspreeker bij der Permanente Kommissie verzogd hebben.

Of wilde de Heer Adjunct de waereld wijs maaken, dat ik niet bij den Heer Generaal mag koomen. Neen de Generaal is een man, dien een ie­der spreken kan. ZHEdGest. is een zeer goede en welsprekende man, die mij noch noot onverhoort van zich heefd laaten gaan, en dus ik veel meer betrouwen op den Heer Generaal als op den Heer von Hoff hebbe.

Ten andern daar de Heer Directeur bij onz logeer­te, en ik niet zeggen kan dat die Heer een vijand van mij is, - dus zoude het voor­zichtiger zijn geweest dien Heer darover te spreeken, en om zijne gunst verzogt te heb­ben, als zich in de arme van zijnem vijand te werpen.

Maar de geheele anleg was een listige handgreep van den Heer Adjunct Di­rect:. Op eene hand bewees ZWEdGest. door mijn stilzwijgen, dat ik mij compleed voor schuldig erkende, en mij schaamde zelfs in perzoon mij an een of de andere perzoon te adresseeren buiten hem, ten andern zochte de Heer Adjunct mij an te leide bandje te voeren; door veelerlij zoort van vlijerijen en mij dardoor inteslaperen; om eensklaps met het besluit der Permanente Kommissie mij op den hals te vallen, daar den an meine retting meer te denken was; zoo als ook gebeurt is.

Niet lange naar de tijd dat de Heer Ge­neraal op de Schanz geweest was, zegde mij de Heer Adjunct, dat ZWEdGest een brief ontvangen hadde, dat de Permanente Kom­missie mij van mijnen post ontslaagen hadde, maar het besluit was noch te Frederiksoort, te welk ZWEdGest. dagelijks verwagte.

ZWEdGest. voegde hierbij, gij moet niet ver­leegen zijn, de zaak is zoo en niet anders. Het spijd mij, dat gij darom ook noch schrij­ven wild, het kan niet helpen. Maar ik wil u mijn huis en hoff te Harterwijk geven, dat kund gij een jaar om niet bewoonen, en als dat jaar om is, kund gij het te huur bewoon­en, en hoefd niet meer te geven als het u waardig is.

Mijne andwoord was, neen Capi­tain dat neem ik niet an. Het eenig dat ik de zaak zie en mij onbegrijpe­lijk is, is dat de Permanente Kommissie mij veroordeelen kan, zonder ver­hoor.

Ik hadde in die tijd nocht geen verblijf, zoveel moeide ik mij ook darom gegeven hadde. Ik schreef dus den her anleggende brief an ZHEd­Gest. den Heer Generaal, die zonder andwoord en gewenschter uitwerking bleef.

Tot eindelijk zondag den 8 december ll. zegde mij de Capitain dat ZWEdGest. het besluit ontvangen hadde, maar daar ZWEd­Gest. begreep dat de nieuwe Ond: Directeur, zoo gauw niet aankoomen zoude, wilde ZWEd­Gest. het behouden, tot ter ankoomst van hem, herhaalde alweer de presen­datie van wegens het huis te Harterwijk, dat ik gelijk te vooren - of ik ook schrikkelijk verle­gen was - niet anneemen wilde, noch liever alle mijne zaaken, buiten het grondgebied der kollonien, op het veld onder den vlakken heemel needer doen werpen.

Maar ik resolveerde anstons noch eens, naar den Heer van Dedem te gaan, om te zien, of de Heer mij niet veroorlooven wilde, enkel tot meij anst: in het spieker de Jagdlust genoemd te woonen. - Met meij was het in huur benoomen, of die Heer moeste darvan afzien, en dat wilde hij tot hierheen niet doen.

De Heer van Dedem was zoo vriendelijk en menschlievend, mij in de grootste verlegendheid ziende, en veroorloofde dat in den spieker bewonen kon tot meij anstaande, maar nu ging ik verderop naar Hasseld, met het voorneemen den andern dag met den schipper naar Amsterdam, en vervol­gens naar den Haag te rijzen.

Maar te Hasseld zijnde, ontmoete ik in t logement een koop­man, die mij niet er kante. Deze vertelde dat hij van een wijk kwam en daar gehoort had­de, dat de Ond. Directeur op de Ommer­schanz afgezet was, en de nieuwe Ond. Di­recteur met al zijn goed reeds darheen ging, des anderen daags.

Dit veranderte mijn voorneemen en rijste s anderen morgens terug naar de Schanz. Indien ik dat niet gedaan had, zoo hadde ik vreezen moe­ten, dat men al mijn goed voor de deur smeed, of ander ongeregeldheiden begonnen had.

Ik hadde mijn dogter met de meid in de grootste verleegend­heid alleen terug gelaaten, maar buiten mijner dogter wiste niemand, dat ik naar den Haag gaan wilde, en darom durft ik het niet waagen zij an beledi­gingen blood te stellen; en moeste dus terug koomen.

s Maandags te huis koomende, met de vrolijke tijding an mijne dogter, dat de Heer van Dedem onz opneemen wilde: -

Denzelf­den avond kwam de vrouw van den nieuwen Onder-Directeur en den tweeden dag haar man - doen stuurde mij de Capitain het be­sluit van de Permanente Kommis­sie, luitende dat de Onder-Directeur Fenner dadelijk im­mers binnen twee maal 24 uuren, na de me­dedeeling van dit besluit de Schanz verlaten moeste.

Dus wierde nu alles door malkander geworpen, heel of an stukken, alles zoo gauw als mogelijk gepakt. - De slegte keerel van Onder-Directeur moeste de Schanz af. -

Een uiterlijk leedweezen maar hartelijk vergenoe­gen voor den Capitain, zijnen zoo lang ge­wenschten plan voltooid te zien.

In dezer onbegrijpelijke verwarring zegde mij de Heer Adjunct, dat de Heer Generaal hem had geschreven, in dien ik niet anders kon, zoude ik tot ik den boel zetten kon, in eene boerenwooning trekken, maar wat voor een angebod was dat voor een beleedigt officier. Dus neen, niets neem ik van u an, mijne eer is mij geroofd en ik gaa weg.

Het laast was de Heer Adjunct noch zoo beleefd en presenteerde mij noch eens zijn huis te Harterwijk.

Dus heb ik het besluit ontvangen den 10 dec: ll. en heb mijn goed in de grootste disor­dre weggezonden den 12ten.

Den 13ten ben ik agter na gegaan. Mijne dogter in het verdriet agerlaatende, om den winkel te zetten.

Ik op jagtlust koomende, wierde dadelijk ziek. T was zoo gesteld dat ik voor mijn leven vreesde. Het waaren de na­tuurlijke gevolgen - allen verdriet van den 16 meij af an, hadde ik opgekropt en nu kwam deze, eene der grootsten verdrieten dartoe, moeste dus mijn ligchaam, zoo sterk het ook anders is, ter needer werpen.

Ik gebruikte medecijnen, tot eindelijk de ziekte zich in de geelezugd veranderte. Mijne dogter, die toen ook reets bij mijn op Jagdlust was, vreeste voor het leven hares vaders, en ik zelfs had­de geene goede verwagting.

Dit alleenig voortkoomende van den Heer Adjunct, die van den 16den meij af an, rechtstreeks tegen de gezonde vernufd en de Wet gehandelt hadde, daarintegen ik altoos dienstieverig voor de Maadschappij mijne eer en gezondheid in de waagschaal gesteld.

Ik hadde het al lang vooruit bereekend, dat de Capitain bij der eersten occasie daar ZWEdGest. vat op mij hebben kon, darop werken zoude om mij van de Schanz te ver­weideren.

Maar hadde ik enkel als een loon­trek­kende dienaar gedagt en mij niet darom bemoeit of het eer of oneer, schade of voor­deel voor de Maadschappij was - hadde ik mij eigens voordeel ver­schaffen kunnen, en was noch op de Schanz.

Ik ben altoos we­gens mijnen oprechten gevoelens in vroege­ren tijden geprezen worden, en ieder tot mijn vriend gehad. Hier word ik gehaad en is mijn naardeel.

Dat mijne gevoelens zoo zijn, is eene beschikking in der natuur over mij, zoo wie dat plaas heeft bij allen menschen, en ik geloof niet dat ik anders worden zal.

Verlijden of omkoopen in eener zaak die tegen mijn gevoelen is niet wel mogelijk.

Evenwel indien ik tegen mijn gevoelen tot eener zaak ge­twongen worde, moet ik gehoorzamen, tot ter tijd van verandering in der zaak of omstan­digheeden.

Indien deze voorgemelde ziekte niet geweest was, hadde ik al vroeger deze mij­ner memorie schrift en verandwoording an de Achtbaare Heeren Leeden der Permanente Kommissie der Maadschappij van Wel­dadig­heid ingezonden enz. enz. enz.

Jagtlust bij Dalsen den 13 febr. 1823

(spieker = spijker = klein landhuis)