Naar het overzicht
van stukken over FENNER





24 maart 1823: Fenner is in Den Haag geweest maar keert onverrichter zake terug naar Dalfsen


Op 24 maart 1823, invnr 64 scans 708-709, stuurt Fenner een brief waaruit blijkt dat hij in Den Haag heeft gebivakkeerd en allerlei tevergeefse moeite heeft gedaan iemand van de permanente commissie te spreken te krijgen:


De ondergeteekende is zoo vrij an de Acht­baare Heeren Leeden der Perma­nente Kom­missie van Weldadigheid overtezenden de verandwoording over julij en august 1821, behoorende bij de reets overhandigte twee brieve dd. 20 en 26 januar 1821.

Het smart hem, dat hij den Heeren zulke oude voorval­len tot zijner verandwoording open leggen moet, iets dat hij zoo lang zonder voorweeten van een ander bij zich bewaart heefd, en noch te meer smart het hem, daar de Heer Directeur naar zijner terugkoomst an t eint van febr: 1821 van Sluitrecht op de Schanz, zoo stipt naar de Wet, tot mijn hartelijk verge­noegen, geleefd en gehandelt heefd, en dus niet anders weet, ten minsten in 't openbaar­e, als dat die Heer tot hier heen, hem altoos geneegen was, -
dus verzoekt hij onderge­teekende, deze verandwoording bij de twee briefe te voegen, en enkel daruit te beoor­deelen, de wanhoopige tijd in den twee maanden julij en august, maar verder als niet weetende te beschouwen.

De ondergeteekende hadde zich geraag noch eenige dage in den Haag opgehoude, maar den WEdGestr. Heer van Rijmsdijk, wegens drukte niet te spreeken kunnende kreegen, darboven die Heer, hem door den knecht zeggen lied, dat hij ondergeteekende in de vergadering weezen moest.

Maar niet weetende hoe lang het duurde, dat de Hee­ren vergaaderten, en evenwel die an het Bureau afgegevene brieve en ander papie­ren, niet terug noodig hadde, zoo eischten het zijne omstandigheeden, met den eersten te vertrek­ken, zoo hij ook gedaan heeft.

Bijgevoegd is een 'Verantwoording over het geval in julij en Augustus 1821', invnr 64 scan 716 en verder, zie hier.