Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Johannes van den Bosch en adjunct-directeur Hoff reageren op de stukken die Fenner 13 februari 1823 gezonden heeft, de toon is fors


Op vrijdag 14 maart 1823, invnr 64, reageert Johannes van den Bosch op het pak papier van Fenner:


Frederiksoord den 14 maart 1823

WelEdele Heeren!

(...)

Wat de aanklagt van Fenner betreft.
Ik zal hieromtrent eerlang nader verslag inzen­den.

Voorlopig echter moet ik de Kommissie bedeelen dat de Direkteur en ik beide altijd bezorgd geweest zijn voor te veel toegevend­heid en hare reden gehad hebben om te veel gestrengheid te vermoeden.

Dat Fenner zelf gedurende mij aanwezen zich een gezach aanmatigde, zodanig dat ik de adjunct direk­teur in zijne tegenwoordigheid gelast heb geene de minste reflectie te slaan op zijne reclamatie, en dat de eerste maal dat Fenner zijne orders niet stiptelijk volbragt mij daar van kennis te geven, als wanneer ik de Com­missie zou voorstellen Fenner zijn ontslag te geven.

De Direkteur heeft Fenner mede meer als eens om zijn geinsubordineerd gedrag onderhouden.

Trouwens heeft hij zich niet tegen de Kommissie zelf op eene brutale wijze gedragen toen hij haar schreef dat zij geene bevoegdheid bezit om hem te ont­slaan, maar zich op den Koning of het volk van Nederland beroepen zou met een (?)urd(?).

De kaerel is een verachtelijke gek.

Ongeloof­elijk veel moeite heeft Hoff zich geveven bij mij om de man te redden.

Zijne aanklagt zelve was ten hoogste bescheiden, hij eindigde daar in met te zeggen dat na de zaak nogmaals rijpelijk overwogen te hebben, hij moeste toestemmen dat Fenner uit hoofde van zijn ontslag en hoofdige geaardheid de vereischtens voor den post van Onderdirec­teur niet bezit.

Dat had ik lang ingezien.

Fen­ner was van tijd tot tijd wel niet geheel dron­ken, maar toen ook in lang niet nugteren en voerde dan allerlei dolle kuren uit.

Hoff hoop­te hem teregt te brengen.

Deze is een man van een zeer bescheiden en zeer menschlie­vend karakter en zo de Maatschappij ook over hem te klagen mag hebben, zal het wel zeker over te weinig gestrengheid, niet over te veel gestrengheid zijn.

Met betuiging van hoogachting heb ik de eer te zijn

UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch

De volgende dag reageert adjunct-directeur George Wilhelm Friedrich Hoff, 15 maart 1823, invnr 64 scan 584 en verder:


In de stukken door de Heer Fenner dd 13 febr. ll aan de Permanente Kom­missie inge­diend, vind ik niets wederom, daar dezelve verwaandheid en eigenliefde, dewelke meest­al aanleiding tot de geschillens tusschen ons bijde heeft gegeeven, - wanneer bijvoorbeeld de Heer Fenner begreep in letterlijk staande durfte te houden dat de Adjunct Directeur over zijne kolonisten niets te zeggen had, - wanneer hij meer belang stelte in de raad­pleeging over eenige zaak met hem Fenner dan in de goede voortgang van de zaak zelfs.

Ik hebb geduurende onze tezaamenle­ving gemeeden, zoo veel ik konde, om de groote meening meer zigzelven om die ver­keerde ijverzucht op eenen niets waardigen schijn van eiger gezag bij den Heer Fenner te kwet­sen.

Ik wierd dikwerf wanneer de onge­reldheid en wispelturigheid aan hem in de waarneeming zijner bezigheeden eigen, mijne tusschen-komst dringend vereischte, zijne trouwe assistent, om niet zijn superieur te schijnen en ik hebbe, om kort te gaan, meer moeite, tijd en overleg bested, om de eigen­liefde van die man te sparen, dan ik nu her­ken, dat hij waardig is.

Ik hebb lange tijd gemeend, om op die wijze zijne medewerking tot hetgeen ik ondernam, te kunnen winnen, en ik hebb de onmogelijkheid daarvan niet eerder herkend dan wanneer het eigenbelang van de Heer Fenner in verband tradt met dezelfs eigenliefde, natuurlijk bij het invoeren van het nieuwe stelzel van voeding.

Winkelier zijnde, had hij de leevensmiddelen voor de gewoone voeding de kolonisten ten allen tijde na de winkelprijzen bereekend.

Dit zoute niet langer bestaan, zo ik een beter middageeten dan van te vooren en wel voor 4½ cent de portie gegeven worden.

Zijn beweeren van de onmogelijk­heid noodzaakte mij, om de voe­ding zelf te regelen en om de voorraaden zelfs optedoen, de prijzen van nu af aan na de inkoopprijs in het groot stellende.

Zeedert dit oogenblik schaamte hij zich niet, om bij het dagelijksch nietbevolgen mijner beveelen, zijne toevlucht zelfs tot het leugenachtige ontkennen zijner en mijner woorden te nee­men, en wel zoo dat ik genood­zaakt was, om over de klijnste details schriftelijk met hem te handelen.

Het geval met de vrouw Raije en het verhaal, door hem daarvan gegeeven leevert een voorbeeld van deeze schaamtelo­ze ontkenning op.

Zijne beschuldigingen dus, als of ik hem veragtelijk had behandeld en zijne wettige authoriteit had miskend, beantwoord ik met te zeggen, dat het mij ernstig leed doet, des­zelfs eigenliefde met zooveel omzigtigheid gespaard en zooveel inschikkelijkheid met zijne verkeerdheden gehad te hebben.

Maar er worden teevens door de Heer Fenner daadzaken aange­haald, dewelke voor honderden van getuigen voorgevallen, en volkomen waar zijn.

Zonder mij optehouden met het wegrukken van het hatelijk omkleed­zel, waarmeede de Heer Fenner deeze daad­zaken in deszelfs relaas omhangen heeft, zal ik trachten mij aangaande dezelve te verant­woorden.

Er heeft geen Raad van Toezicht be­staan zeedert mijne aanwezig­heid op de Schans.

Dit is zoo - de redenen daarvan zijn eenvoudig.
Er is geduurende den zomer in het midden der klijnen bevolking gene misdrijf van belang gepleegd en er hebben geen andere strafoefeningen plaats gehad, dan die van eenige hiergezondene straffelingen inge­volge de decisie van de Raad van Policie te Steenwijk.

De Heer Fenner heeft dikwerf zijn weinig behagen aan mijne zachte leiding van dat hoopje menschen, ter helft kinde­ren, te kennen gegeeven, zich beroemende, dat hij dezelve door middel van hieben veel beter in orde had gehouden.

Met de aankomst der bedelaars had ik den Onderdirecteur getracht te overtuigen, dat de natuur van het gesticht dringend eischte een volgerechte handelwijze dat de onze van nu af aan moest zijn
1, vermijden aller willekeur en verachtelijken behandeling, vermijden van allen schijn van drift
2, gulle publiciteit, wettigheid en geregeldheid aller onderzoekingen van misdaaden en aller straf­fen.

Ik had hem medegedeeld de aan mij gegeven beveelen, waarbij een nieuw reglement van straffen voor deeze kolonie wierd voorspeld dat ook in de nieuwe zamenstelling der Raaden van Toezicht bevatten zoude en waarbij ik teevens wierd gelast, om provisio­neel met overleg en rechtvaar­digheid, maar teevens met kracht te handelen.

Onder de van Hoorn gekomen aanzienlij­ke transport vertoonde zich een geest van weerspannigheid, dewelke te buigen de vreesachtige handel­wijze van deze Onderdirecteur weinig geschikt was.

Acht dagen na de komst van het transport, had onder hen de eerste desertie plaats.

Bij het terugbren­gen van twee deezer deserteurs besprak ik met den Onderdirecteur de noodzakelijkheid van het geven van een voorbeeld van ge­strengheid.

In het midden der geheele bevol­king wierd het verhoor gehouden.

Het feit was beweezen, de schuldigen ontkenden het niet; de straf wierd hen aangezegd en volgte onmiddelijk daarna.

Ik geloof niet, dat er een der ambtenaren of kolonisten, de Heer Fen­ner daaronder begrepen, aan de regtvaardig­heid deezer rechtspleeging heeft getwijfeld.

De ontdekking van het misdrijf van Barint en Fukke van eenige winkelkaarten der Heer Fenner vervalscht te hebben wierd door deeze laatste gedaan, met het dringend verzoek om een voorbeeld van gestreng­heid te geeven, om dat een mogelijke herhaaling van zoortgelijke misdrijf den winkelier met groote verliezen bedreigte.

De rechtsplee­ging, t.w. het verhoor, het bekentenis en de straff hadden in den kring der gezamentlijken kolonisten en in aanwezigheid aller ambte­naaren plaats, even als in het vorige geval.

De klagten tegen Braakman werd door de Heer Fenner bij mij aangebragt.

Het was zeedert lang busuque(?), dat de in het bin­nengebouw vermiste goederen door de huis­gez. van buiten het gebouw woonende en meer vrijheid genietende strafkolonisten ver­loren gingen.

De Onderdirecteur was met mij van gevoelen, dat er een voorbeeld van ge­strengheid moest worden gegeven; ik herin­ner mij zeer wel van zijne meening in het bijzonder afgevraagd te hebben.

Alle onder­scheiding tusschen de buitenkolonisten en bedelaars valt meede weg door het besluit der Permanente Kommissie, dat bijde op gelijke voet moeten behandeld worden.

Bij de bestraffing van A. Star was de Heer Fenner eigens aanklager, niet ik; want hij zelfs had het feit ontdekt.

Eene toevallige omstandigheid was het, dat het gestolen horologie aan mij had toebehoord, en niet het leed, mij toegevoegd, maar alleen het misdrijf van diefstal wierd gestrafd.

Het staat niet aan mij om de verwijten van onkunde en verkeerde handelwijze in de administratie bijder kolonien teegentespree­ken - maar zoo lange zij mij van geen ander dan de Heer Fenner worden toegevoegd, baren mij dezelven nog geene ongerustheid of wantrouwen in de eigene krachten.

Dat het door den Heer Fenner voor on­mogelijk word geacht, dat ik, afgezien van het geschil tusschen ons belang in hem en in zijn toekomstig lot stelle, begreep ik tot mijne leedweezen nog niet, doen ik hem het aan­bod van mij huis deet. Tegenwoordig ben ik tot mijne beschouwing beeter onderrigt.

Bij Hoffs brief gevoegd, dus ook invnr 64, is een kattebelletje van Johannes van den Bosch, gedateerd 21 maart 1823, waarin hij kort aangeeft hoe de permanente commissie volgens hem op de stukken van Fenner moet reageren:


Ik stel voor onder verbetering de Heer Fen­ner zijne stukken terug te zenden met bijvoe­ging dat het onderzoek zijner aanklagten op nieuw heeft doen zien dat hij alle vertrouwen onwaardig is en mitsdien zijn verzoek om weer geemployeerd te worden word gedecli­neerd.

Zulke knapen moeten mijnes inziens nooit ontzien worden.

Hij kan niets met waar­heid tegen de directie inbrengen en derhalve behoeven wij niet te schromen.

Het zal ech­ter nodig zijn copie der stukken te houden of wellicht de stukken zelf, want hij is een regte brouiller(?) die zich in de war praten zal.

Frederiksoord den 21 maart 1823
J. van den Bosch