Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Verandwoording over het geval in julij en august 1821 gedaan door den ondergeteek­enden aan de Permanente Kommissie van Weldadigheid in den Haag.


Onderstaande stuk bevindt zich in invnr 64 scan 716 en verder en is een bijlage bij een brief van Fenner van 24 maart 1823. Hij gaat hier in op de toestanden in juli-augustus 1821 toen hij eerst ontslagen en daarna weer aangenomen werd.


De ondergeteekende wilde nooit, de brieven van den 20 en 26 januar 1821 an de Heeren Leeden der Permanente Kommissie, hebbe doen meede deelen, als hij de ondergeteek­ende niet dartoe gedrongen was:

De Heer Adjunct Directeur van Hoff is zeggende van gevoelen dat ZWelEdGestr niet schuldig daran was, mij op eene zulke onhonorable wijs van de Schanz gebracht te hebben, en het stukje brood, dat mij door recom­men­datie van den Heer Capit: en den Heer Generaal van den Bosch 1819 an de Permanente Kommissie gedaan - door de Permanente Kommissie is vergunt gewor­den - uit den mond te stooten, om dat de Permanente Kommis­sie mij reets voorleeden jaar hadde wegjagen willen.

Ten eersten oude misbedrijven, indien men het zoo rekenen moet, kunnen niet tot verschooning dienen, bij eener belediging, door eene lang naar die tijd geemploieerde perzoon gepleegd.

ten anderen Een oud misbedrijf kan niet, bij eenen nieuweren in reekening gebragt worden, voornaamendlijk als het oudere, op eene minder of meerdere wijs, is bestraft geworden, zoo als het bij mij plaas heeft; en is dus maar eene ontschuldiging, die men van oude weiven verwagt.

De Heer Visser wierde als adjunct Direc­teur geplaast in der kollonie Ommerschanz.

Deze Heer hadde in t minste geen verstand van timmeren, metzelen, landbouw of huis­houdelijke inrigtingen; men kon dit ook niet van ZWEdGestr. eisschen.

De Heer Visser hadde het niet bij toeval of langdurige onder­vinding of praktijk geleerd. ZWelEdGestr was landmeester geweest, en hadde het militair van 1812 tot 1820 op eene gelukkige wijs doorloopen, t welk revolutioneeren tijden eigen is.

Deze Heer wierde mij geplaast boven het hoofd, dus moeste een zulk Heer, alle dat hem reets overkoomende geluk meede be­reekende, zich eene overgoote inbeelding vormen, juist of alles van zijnen overtolligen verstand afhing - niet bereekende dat Mada­me la Fortune de grootste roll in de wereld speelt.

En op die wijs wilde ZWelEdGestr men­schen beveelen die kennis van de zaak hadden, maar niet het wettige oppergezag.

Had­de ZWelEdGestr die zaak volgens natuurlijk bestaan angemerkt, en met het soverijn op­pergezag zoolang gewagt, tot ZWelEdGestr aan zijnen ondergeschikten meerder geleerd hadde, dan hadde de Heer Adjunct Directeur wijslijk gehandelt, dit niet alleen, maar die Heer moeste handelen, volgens wett, en de onder Direkteur moeste zijn wettig gezag behouden, zoo als de Heer Generaal het ook op den 8sten aug 1820 eigens in perzoon aan den Ond: Directeur beloofd hadde.

De Andwoord dd: 26 februar 1821 van de Heer Visser, was ik wel verwagtende, natuurlijk moeste ZWelEdGestr iets zeggen, ik wil de andwoord geheel overgaan - maar wil alleen neederkoomen op het woort stand­punt.

Ik zal eenvoudig daarop andwoorden, dat bij de kollonisatie het eenige en waare standpunt is de wet, namendlijk die wet de­welke gegeven is, om daarna te leeven en te handelen:

heefd de Heer Visser dit standpunt opge­volgt, of in t oog gehouden, dan heeft ZWelEdGestr goed gehandelt, - en zoo niet, dan is zijne handelwijs de reden van de onte­vreedenheit des Ond: Directeurs - boven of beneeden dit standpunt namendlijk de wet, kunnen en durven wij niet koomen -

Alle zoorten van particulieren anmerkingen vinden daar geen plaas, zoo als men in den zin der andwoort voelen kan, of de Heer Visser zeg­gen wilde, dat ik van mijnen superieur gelijk officier wilde behandelt zijn, en dus eene verkeerde persoonlijke eergierigheid bezat en minder of meer brutaal.

Indien de Heer Visser darvan niet meer ingenoomen was, zoude ZWelEdGestr zich stipt an de wet gehouden hebben, maar voor mijne perzoon is het eene zaak, daar ik in t geheel niets van an mij heb: Evenwel ben ik zeer sterk darop gesteld dat het wettige ge­zag, mij en eenem ieder niet ontkoomen, en ook niet belaggelijk of veragten angemerkt word.

De wett wijst den Adjunct en den Ond: Directeur haare regten in vollen kragten an, en darin mag geene verandering gemaakt worden, dan alleen door de wetgevende magd.

Ook, zoo dikwijls eene wet door de be­staande wetgevende magd verandert wordt, moet zij van den hoogsten tot den laagsten ambtenaar bekent gemaakt, en stipt opgevolgd worden.

Dit verwekt regelmaatig­heid, trouw, gehoorzaam en vermeerdert de achting en eerbied voor de wetgevende magd.

De Heer Adjunct Directeur uit Sluitrecht terugkoomende, was ZWel­EdGestr just noch zoo, als bij het weggaan.

ZWelEdGestr doet zijne plicht in qualiteid van Adjunct, en ik als Onder Directeur, nu hadde ik eene korte tijd een angenaam leeven, maar dat was tot mij ongeluk, van eener all te korten duur.

De Heer Visser wierde verplaast als Directeur, en ik zag dien Heer met groot misgenoegen vertrekken.

In de maand junij wierden de Heeren Falk en Drieber, benoemd tot Adjunct Direc­teurs. De Heer Directeur Visser maakte mij zulks in eenem brief bekend, en ik deed het naar behooren bij apel bekend maaken an de geheele kollonie.

Eenige dage darna, kwam het gerugt op de Schans, dat de Heer Drieber als Adjunct Directeur op de Schanz geplaast was. Daar noch niet in gelooven willende, was ten ein­delijk in begin van julij, brieve op de Schanz gekoomen maar niet an mij, daar het verzee­kert wierde dat zulks waar was; en dit was het oogenblik daar ik de pen anvatte, en mij an de Permanente Kommissie en den Heer Generaal adresseerde.

Ik heb in die tijd ver­zogd om eene onpartijdige kommissie, mijne zaak te onderzoeken, en was mij die gege­ven worden, dan was aan het naarvolgende niets gebeurt; maar in plaas van dat ontving ik den 4 aug mijnen ontslag.

Het verzoek om eene onpartijdi­ge kommissie tot onderzoek mijner zaak, hadde ten gronde, of mijn ge­drag zoo slecht, en mijne kundigheeden zoo gering waren, dat ik moeste an den Adjunct Directeur Drieber onderworpen worden, ten eenen, en ten anderen was die vrees voor eenem nieuwen Adjunct niet gering, om dat ik de proef met den eersten den Heer Visser genoomen hadde, en dat was noch een offi­cier en deze een geweezen schoolmeester.

Lied ik het dus zoover koomen, dat die Heer hier was, dan moeste ik om mijnen ontslag verzoeken, of ik moeste heel gevoel­loos zijn geweest, en dat wilde ik niet graag, en konde het ook niet doen:

Daarom deede ik alles wat ik doen konde om dit te verhoe­den; maar het was mij niet darom te doen om Adjunct te worden, maar enkel dien man niet tot mijnen superieur te hebben, en deze ree­den durfd ik niet angeven.

De Permanente Kommissie konde dit voor de grootste ombe­leefdheid opgenoomen hebben, zeggende, als wij dien man niet darvoor waardig gehou­den hadden, zulden wij hem niet dartoe be­noemd hebben en

ten anderen, de waare grondstof mijner geschriften, was dat t welk ik in den 4½ eer­sten maanden bij den Heer Adjunct Directeur Visser bitterlijk ondervonden hadde, maar om dat ik an t eind van mijn brief dd: 20 januar 1821 den Heer Visser beloofd, niets meer van de zaak te zeggen, en die Heer was nu noch darboven Directeur geworden, was het dubbel mijne plicht van zoo ouden zaaken niets te reppen, om het fazoen van ZWelEd­Gestr niet te beleedigen, of misschien in het oog der Permanente Kommissie heraftezet­ten -

Of de Heer Visser zoo tegen mij gehan­delt heeft, onder vier oogen bij ZHEdGestr den Heer Generaal zijnde, laad ik an t geval over -

Dus voor dat ik de laagheid tegen mijnen superieur den Directeur der kollonien, dien ik ook uiterst beminde, begaan wilde, verkoos ik liever alles tot op t uiterste te wa­gen, en het mij angedaane geduldig te leiden.

Maar indien ik niet weeder angesteld was geworden, hadde ik het laaste tegen mijnen wil doen moeten, zoo als besloote was: het ongelukkig geval voor mij in druk uittegeven.

Dit verhaal en verandwoording van julij en august 1821, nevens den beijden autenti­quen brieven, van den 21 en 26 januar 1821; zullen de Heeren Lieden der Permanente Kommissie in staad stellen, te beoordeelen of men, dat, het welke de ondergeteekende gedaan heeft, in die tijd, hem voor brutaliteit of eener onveroorloofden persoonlijken eer­zugt van toereekenen, of dat het meer was nooddurftigheid in wanhoop, op de eene kand het fazoen van een man die den eer­sten ambtenaar niet te beleedigen, en op de andere kand zich eigens vrij te pleiden, om niet in slavernij van een, hem niet anstaande Adjunct te geraaden.

Den Heeren Leeden der Permanente Kommissie van Weldadigheid
Onderdanigste Dienaar Fenner
Jagdlust 24 maart 1823