Naar het overzicht
van stukken over FENNER





19 november 1823: Fenner vindt dat aan zijn verzoek om een mondelinge behandeling van zijn zaak tegemoet gekomen moet worden


Onderstaande brief is gedateerd 19 november 1823, invnr 67. Blijkbaar bevindt Fenner zich in een logement te Den Haag, in afwachting van de beslissing op zijn verzoek om een mondelinge behandeling van zijn zaak:


De ondergeteekenden heefd zich de vrijheid genomen dd. 31 octob. ll. verzoekschrift aan de Heeren Leeden der Permanente Kommis­sie intezen­den;
inhoudende

ten eerste hem wegens de bezwaarden tegen hem perzoonlijk te hooren, op zoodani­ge wijze als die Heeren geschikt zouden oordeelen; en uit dit verhoor zou blijken, of het hem ter last gelegde verschooning ver­dient, of niet: en

ten tweede naar omstandigheeden van het eerste afgeloopen zijnde, heeft hij eerbie­dig verzogt, om den gemeld vacant te koom­ende post.

De Permanente Kommissie heeft darop per missve dd. 8 nov. ll. N5/11 zijn verzoek om in dienst der Maadschappij van Weldadig­heid ge­plaatst te worden van de hand gewee­zen - maar het eerste verzoek, na­mendlijk het perzoonlijk verhoor, onangemerkt gelaat­en;

zijn gevoelen is niet vatbaar genoeg voor het geene dat een van hem zo onderwerpen­de opregt gedaan verzoek; van den Heeren der Kommissie niet in anmerking genomen word.

Zijne Majesteit onze geeerbiedigde Ko­ning; geeft edelmoedig een passend gehoor aan ieder zijner onderdanen, of doet hun gehoor geven door haare competente reg­ters.

Zoude de ondergeteekende iets anders verwagten van der Maad­schappij van Welda­digheid, darvan de Heeren Leeden der Per­manente Kommissie verkoozen zijn, den plaats van wetgevers en regters te beklee­den; -

neen hij de ondergeteekende is van gevoelen, dat de Heeren wel anders gelieven te besluiten; en hem het verzogte verhoor willen vergunnen.

Degeene, die vaader is, kan makkelijk gevoelen, hoe voor of tegen­spoed der ou­ders, invloed op de kinderen heeft, voorna­mendlijk als de kinderen in t laaste geval onschuldig zijn; dit is ook het prikkelpunt van hem die vader is van een dogter 28 jaaren oud, dien haar vaader zijnen post met over­haasting heeft verlaaten moeten, zonder zich persoonlijk te mogen verandwoorden; het gevoelen van veelen andern over dit geval laat zich lichtelijk bespeuren, en is vooral niet honorabele voor een meisje van die jaaren.

Zonder in twijfel te trekken, zullen de Heeren der Permanente Kommissie zoo veel compassie met hem hebben, om hem in zijn geval gerust te stellen, door an hem een mondelijk verhoor te vergunnen; voor­naam­endlijk daar dit, in t minst geen bewijs ople­vert van naargevendheid of vrijschelting der geplegde fouten, alles darop volgende hangt van der regter­lijke beoordeeling Uwer Heeren af.

De Heer von Hoff, vader over vier noch minderjarige kinder, alles gebeurte van den 16 meij tot novemb: 1822 rijpelijk en bedaart overwegende en als medemens en eerste ambtenaar dier kolonien denkende, moet zich in stille schaamen werkzaam geweest te zijn, hem ondergeteekenden uit zijn post te ver­treiven; -

daar ZWEGest: door een gemaatigt beleid, dezen (in dien tijd) onwedersprekelijk wettigen ambtenaar der Maadschappij van Weldadigheid, indien hij ook fouten gehad hadde, als superieur op eene menschlieven­de, en zijnen ambt toekomende wijze te regt hadde stellen moeten.

Dus op wat plaats zoude de onderge­teekende bescherming en eene billijke beoor­deeling zijner gevallen zoeken?

Bij niemand anders dan bij de wetgevende magd der Maadschappij van Weldadigheid, die hem in dien post gesteld heeft, darvan hij blijken gegeven, door zijne verzoekschrift aan deze Heeren dd. 14 feb: ll.; en hoe zal hij zich oprecht en ongeweifeld an deze Heeren too­nen! om onderzoeking zijner zaak en eeren perzoonlijken veran­dwoording bieden; en dan alles hem ter last gelegde op eene bedaarde en bescheidene wijze beandwoorden.

Dit is het, darom de ondergeteekende de Heeren Leeden der Perma­nente Kommissie van Weldadigheid dd. 31 octob. ll. oodmoe­digst verzogt heeft, en hier dit verzoek nede­rigst herhaald, tevens eerbiedig te kennen geeft, dat hij zich perzoonlijk bevindende in S'Gravenhage, met vertrouwen wenschende tot dat einde de beveelen te ontvangen in t Zwijnshoofd op Spui daar hij logerende is

De oodmoedigste dienaar
K.F.L. Fenner
S'Gravenhage den 19 novemb: 1823 67)

Op de brief heeft de permanente commissie geschreven: 'verzoekt om eene mondelinge behandeling zijner bekende zaak' --> gedeklineerd. Rescrib. 20 id. Zie not. id. art. 23.