Naar het overzicht
van stukken over FENNER






De ondergeteekende per missive der Perma­nente Kommissie van Weldadig­heid van den 27 novemb: 1823 no. 4/11 de eer gehad heeft onderrigt te worden, dat zijn gedaan verzoek van den 21 dezer maand, om een perzoon­lijk gehoor, onnodig was, maar dat de Heeren der Kommissie zijne vermeente pre­tentie op de Maatschappij behoorig gejustivi­ceert schriftelijk wilden gelieven anteneemen:

Of schoon dem ondergeteekenden een perzoonlijk, voor der vergade­ring angenaamer geweest was, om, op eene bescheiden wijze den heeren in eenigen minuten alles, enkel tot deze zaak behoorende hadde op­helderen kunnen, t welk door de pen, indien daar der schrijver niet veele zaaken verkort, of geheel overgeslagen; verscheidene velle papier beslagen zoude; zo neemt evenwel de suppliant deze eedel anbieding an, en maakt met eerbied darvan met Heeren Wetgevers sprekende, een bescheiden en passend ge­bruik.

De ondergetekende heeft in zijn verzoek­schrift tegen Heeren Wetge­ver van eener onbillijkheid, maar niet onregtvaardigheid gesprooken.

Dus grond zich zijn verzoek, niet op eene pretentie maar bij opheldering, op eene billijke schikking, dewelke zijne omstan­digheeden niet op eene onregtvaardi­ge wijze, door de reeds binnen een jaar geleedene rampen, eeniger maaten zoo niet ten vollen, doch gedeeltelijk, door, en op gronden van den naam Weldadigheid moge verzogt wor­den.

De Wet zegt, dat geen kolonist of banne­ling naar de Ommerschanz gezonden zijnde, meer hebben zal als dat wat hij werkelijk verdient; - in hoever zich deze uitstrekt - of het op voedzel, kleeding en gereedschappen zich bepaalt! of alleen op voedzel! is niet uitdrukkelijk gezegt, maar ongewim­peld vol­gens mijn gevoelens sprekende;

bepaalt het zich op alles wat de kolonist van der Maad­schappij ontvangt, - darom zulde het eene geheel ongepaste uitdrukking zijn, van billijk­heid eene pretentie te maaken, en dit zoude zijnen gevoelens - de Wet heilig - regtstreeks tegen spreeken, en in allen zijnen rampen, door dit zijn gevoelen hervoorgebragt, of bewerkt; - hem een volkoomen vonnis van onregt uitspreken.

Neen; hij blijft in zijnen grootsten tegen­spoeten daran kleevende; - de Wett is heilig en onkrenkbar - dus is het pligt door eene opheldering in der zaak, eene billigheid bij Heeren Wetgevers te zoeken en hoopendlijk te vinden.

Het is an den Heer Directeur, en voorze­ker ook an ZWEdGest: den Heer 2ten Asses­soor der Permanente Kommissie bekent, dat geene banne­lingen - zoo als men zij in die tijd noemde - naar de Ommerschanz gezon­den, of haar buitengewoon slegt gedrag, of luiheid tot werken; in t algemeen darmeede verbonden veroordeelden zij naar de twang kolonie; -

dus het meerder gedeelte zulker menschen daar ankoomende wassen van den alderslegteste kleederen en gereed­schappen, van het laatste; zeer veele met gaar geen voorzien, zoo dat zij buiten werk­geluig niets verdienen konden, of ten vooren van den ondergeteekende darmeede moes­ten voorzien worden.

Met den kleederen was het juist hetzelfde, het ongedierte was niet onbekent bij hun, en als zij van dezen on­vriendelijken gasten zouden gezui­vert wor­den, - ten eenen tot haar eigen welzijn en gezondheid en ten ande­ren om andere niet darmeede te besmetten - zoo was het nood­zaakelijke, een en naar omstandigheden twee hemden te geven, met den overigen kleede­ren, en beddegoed was het niet beter ge­steld.

Dit waaragtig verhaal, strekt wel tot eer en bewijs aan den Heer Directeur, en Heeren Leeden der Kommissie te Steenwijk, dat geene on­schuldig naar de bankolonie gewe­zen zijn, maar op de andere kant was het eene gevoelig ondoenlijke zaak, en consen­tieuze pligtmaatige werkzaamheid, daaruit voor den Ond.Directs. - om dat voor de Om­merschanz geene bezon­de­re uiteenloopende en deze ellendige omstandigheeden raaken­de Wett bestaan heeft, dus de Ond:Direct: zich meest naar omstandigheeden regelen moeste; -

darenboven kwamen verscheidene geheele huisgezinnen van het gemeenste zoort, in het ruwste jaargetijde daran, na­mendlijk kort voor kerstdag, eene tijd die weinig gegaar geene verdienste opleverte, en het spinnen angaande ware de weinigsten kundig darin, voornaamendlijk het mannelijke geslag.

Spinnewielen, haspels enz. hadden zij geene, of waren zoo an stukken en brok­ken, dat zij niet konden gebruikt worden.

De billigheid tegen onze natuurgenooten steld zich in veelen gevallen op den voor­grond van der strengsten geregtigheid; - dit was hier het geval.

De kosten hunnen, voor­dat zij noch iets verdient hadden of konden, waren grooter, als of zij in den zoomer op de kolonie gekoomen waaren.

Alleen het vuur en ligt voor iet huisgezin raapte veel weg, - en zoo het vuur hun ontrok­ken wierde, moesten zij in haren reets slegten kleeding met den onschuldigen kinderen bevriezen, en het licht in den korten dagen en langen nagten ont­noomen, was het volstrekt onoogelijk noch met gezinnen, noch met iets anders, enkel een gedeelte harer kost te winnen.

Dus was­sen zij niet in staad, buiten die zoo weinig srale kost, den agterstand van kleeding en gereedschappen te betaalen - die zij doch hebben moesten om darmede haar brood te verdienen, en kleederen voor het ruwe jaar­getijde en haare schaam­de te bedekken.

Het voorjaar naderende, zogte men zoo­veel als doenlijk, het agteruit van den winter te voldoen; maar nieuwe gereedschappen, ziektens in een of ander huisgezin, door ar­moede en slegd voedzel voorkoomende, streeden al meeder tegen de goede en pligt­maatige gevoelens van den ambtenaar, zoo dat hij met niets als zijnen heiligen pligten voor de Maadschappij en men­schenliefde te streiden hadde,

darenboven was geen spin­nezaal of spinne­baas in de kolonie, uitgezon­dert eene korte tijd, eene onervaren jongeling dezen post vervulde;

al de overige tijd heefd de Ond:Directeur het ambt van spinnebaas en den post van magazijnmeester, onder den naam en tracte­ment van Onder-Directeur waarnemen moeten.

Een ander zaak was het, met den vrijen kolonisten, of nieuwerdings met den bedelaars in der Ommerschanz; -

deze liede op den plaats haarer bestemming ankoomende, wierden van allem naar omstandigheeden hun benodigte voorzien, en dus was het eer­der eene mogelijkheid, voor een administra­teur; enkel te zorgen, dat die menschen in dien omstandigheeden, darin zij gesteld wier­den, niet verminderten.

De Onder Direct: wilde in t voorjaar 1822, het door hem ontworpene en beproef­de stelzel van evenwigt der verdiensten en consumptie tot proef invoeren, en naar ver­loop van vier weeken proeftijds, wilde hij an den Heer Directeur en Permanente Kommis­sie van Weldadigheid het beproefde ontwerp tot goedkeuring anbieden en vervolgens daar dit stelzel, alle op der Ommerschanz ge­maakte schulden mortificeeren, zoo dat naar zijner bereeke­ning naar verloop van den zoomermaanden weinige of geene schulden in den boekjes zich meer vinden zouden.

Dit stelzel beloofde voordeel an de Maadschappij, en ook an den kolonist.

Het toonde dem kolonist duidelijk zijne twalingen aan, waardoor hij, of de meesten in armoede vervallen zijn; - het verzekerde hun het altozi­ge gelijkvormige voedzel en kleeding, in win­ter en zoomer, bewaarde zij voor schulden, en bespaarde ten minsten 1/3 der gewoonlij­ke schrijverij, deet in eens an de grote admi­nistratie zien, hoeveel contenten in de week, daar het geheele jaar an die kolonie gezon­den moeste worden; en bezorgde an den kolonist een zijnem stand angemeeten verge­noegt en onbezorgd leven.

De Onder-Directeur vlijde zich darboven, dat dit stelzel in t kleine de proef gehouden hebbende, ook misschien uitvoerlijk zoude kunnen gemaakt worden in den nieuwen noch anteleggenden vrijen kolonien en daar­door de kolonisatie in t geheel angenaamer en ligter zoude maaken.

Op die tijd van eener vlijenden inbeel­ding ingenoomen, iet bezonde­res te onder­neemen, kwam de tijd, dat de Heer von Hoff, als Adjunct-Direc­teur op de Ommerschanz koomen zoude.

Met de lewendigsten kolee­ren stelde de ondergeteekende zich voor, hoe de Heer Adjunct zijn voorneemen onder­steunen en het nadere met ZWEdGest: over­leggen zoude, om het stelzel door zijne me­dewerking te verbeteren.

Maar ongelukkig de 16te meij, de dag der ankoomst van den Heer von Hoff - in de schriften dd. 14 febr. ll. vermeld - boezemde hem onderge­teekende andere gevoelens van dien Heer in; de Onder-Directeur behielt het stelzel voor zich, en liet het onuitgevoert.

ZWEdGest: nodigte hem dagelijks, om an een of den anderen kolonist, nodige klee­ding te geven -

die denkingswijza van ZWEd­Gest: was goed en eedel, maar niet volgens de huishoudelijke intenties der Maadschap­pij van Weldadigheid voor de twangkolonie en naardeelig voor den Onder-Directeur, zoo als tegenwoordig bij het opmaaken van den bij­gevoegden nominativen stand duidelijk te kan, van uitgegeven kleeding en gereed­schap­pen -

De kolonisten van hem onderge­teekenden niets meer bekomen kun­nende of de oude schuld moeste eerst voldaan zijn; maar de kolonisten volgens belofden des Heeren von Hoff op den bewusten 16ten meij waren natuurlijk van gevoelens, dat de Ond.Directeur weinig of niets meer te zeggen hadde, adresseerte zich dagelijks an den Heer von Hoff, die in t eerste met eener an­genoomenen vriendelijkheid, en verzoeken te werk ging, en vervol­gens met beveelen, den kolonisten benoodigte kleeding te geven.

In die tijd daar ZK Hoogheid de Heer Prins Fre­derik der Nederlanden in den zoomer 1822 op de Schanz koomen zoude, wilde de Heer von Hoff, dat de onderge­teekende eenen wagenvol kleederen, van Frederiksoord zou­de haalen laaten; om dat in het kleine maga­zijn op de Schanz, niet zooveel meer was, om de kolonisten daruit met nieuwen kleede­ren te voorzien.

Maar omdat zulks de schuld om ƒ300 zoude vermeerdert hebben, beloof­de de ondergeteekende het haalen laaten der kleeding van eenem dag tot den anderen, en het onderbleef geheel.

Evenwel zorgde hij darvoor, dat door lappen en opverven der onderklederen de kolonisten in eenem reed­lijk goeden staad, ZK Hoog­heid zijn voorge­steld geworden, zoo als ZHEdGest: de Heer 2te Assessoor en de Heer Directeur met ZK Hoogheid op der Schanz geweest betuigen kunnen.

Het is dus niet te verwonderen, wegens zijner dem Heer von Hoff gedaane pligtmaatige tegenwerking, dat deze Heer te groots van inbeelding, niets van eenem subaltern antehooren, en duidelijk uit den handelwijzen te zien is, dat ZWEdGest: niet ten vollen bekent was, met het huishoudelijke dr kolo­nien, en bezonders met die der twangkolonie, en indien de Ond: Direc­teur zoo niet gehan­delt hadde, zouden de schulden noch meer dan eens zoo hoog zijn.

Zijne persoon daar dezes, en ook gedeeltelijk daar zijn eigen toedoen met de zwartesten koleeren van insubordinatie beschuldigt is, darbij zijne reets vorige gevallen gereekent, die evenzoo, bijgaans uit dezelfde wortel van een wettig ambtenaar te zijn, en luidende de wetgeven­de magt an zijnen wettigen regten, niets ge­hart konde worden, ontsprooten zijn.

Wat ten andern zijn eigen toedoen, dar­van ten vooren gezegt, angaad, bestaad in eener zeekeren zoort van pligtverzuiming om dat hij niet vroeger, en wel in den eersten weeken naar den 16 meij 1822 wegens der voorgemelde zaak, zich niet aan de Perma­nente Kommissie wan Weldadig­heid heeft geadresseert, en om instructien zijner hou­ding indezen netelijken omstandigheeden verzogt.

De Permanente Kommissie door deze van veelen onderrigt, zoude hem onder­geteekenden voor zeker instructien doen toe­koomen, en daardoor veele onaangenaamhe­den in gunstigere verandert hebben.

In dezer memorieschrift, over het geheel sprekende, ter inligting zijner gevoelens een­er billijken schikking van Heeren Wetgevers te verzoeken, voegd de suppliant hier noch bij eene memorieele nominative schrift, dat bezonder de schulden van dezen hem te last gebragt, voornaamendlijk bij onderzoeking door eene billijke schikking moge tot zijn voordeel uitgesprook­en worden

de oodmoedigste dienaar
K.F.L. Fenner
S'Gravenhage 2 decemb: 1823


Bijgevoegd zijn:

- 'Eenige voorloopige bepalingen aangaande de inwendige polisij in de dwang­kolonie de Om­merschanz', zie hier.

- een 'Memorieel nominative schrift' met bijbehorende verhalen, zie hier.

Verder zitten hierbij de op last van de permanente commissie vervaardigde stukken die Fenners vraag om compensatie moeten ontkrachten:


- een rapport door boek­houder Greven opgemaakt op 19 december 1823 met een post te veel en een post te weinig berekend door Fenner. Te weinig berekend komt op ƒ37,15½ en te veel bere­kend op ƒ163,57.

- een extract uit het reke­ningboek voor de winkel aan de Ommer­schans over de periode juni 1821 tot en met september 1822, waaruit blijkt dat er in die periode voor ƒ669,92 aan kledingstukken is ontvangen uit het algemeen magazijn. Dit extract is door boekhouder Lindeman opge­maakt op 19 december 1823.