Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Bijlage 2 bij brief Fenner van 2 december 1823: een 'Memorieel nominative schrift' met toelichting en stukken


Het 'Memorieel nominative schrift' is een nominatieve staat van uitgegeven kleding, huisraad en gereedschappen door Fenner aan strafkolonisten die in zijn tijd op de schans woonden. Onderaan staat geschreven in het hand­schrift van Fenner:


Afgedragen door den Heer Fenner an inge­houden penningen voor het kleedingsfonds, zie specif. hiernevens    ƒ 520,62
╶────────
strekt hetgeen voor rekening van den
winke­lier is uitgegeven an saldo debet van den Heer Fenner    ƒ 279,19½

Maar in een ander handschrift, vermoedelijk van de permanente commissie, is hierbij geschreven:


Het origineel luit ƒ288-9½ die de gewezene Onder Directeur heeft betaalen moeten, maar bij goeder naartelling moesten het maar ƒ279-19½ zijn, dus zoo veel te meer betaald is.

Bij Fenners 'Memorieel nominative schrift' zit een uitgebreide toelichting met stukken:


Het zijn den hierbij gevoegden nominativen staat enkel 5 hoofden angemerkt hare eerste mise op der Ommerschanz ontvangen te hebben, daar evenwel noch 9 hoofden darbij gevoegd moeten worden

T.A. Werfd zonder man met 3 kinder
4 hoof­den
Wedw Visser idem met 3 kinder
4 hoofden
C. Koornevaard een man tusschen 50 en 60 jaaren    1 dito

T.A. Werfd en Wedw Visser met haaren kin­deren zijn door policij die van Sneek naar de Schanz gezonden, zij waren ten vooren zoo ik niet anders weed, eene korte tijd op Wil­lemsoort geweest, maar daar noch niets an kleeding of gereedschap ontvangen hebben­de, weggeloopen terug naar Sneek, van daar zij naar de Schanz overgezonden wierden, gelijk boven gezegt, en van allem ontblood, heeft de Onder-Directeur dezen lieden klee­ding gegeeven voor de eerste mise.

C. Koornevard is door de policij van een plaats uit Holland opgezon­den, moeste dus daar de eerste mise ontvangen.

P. Wolff en huisgezin van 8 hoofden
Kniezenberg en huisgezin 5 dito, te zaamen 17 hoofden

Deze 17 hoofden zijn den 14 aug. 1822 door den Heer Adjunct-Directeur uit de kolonie ontslagen - t welk reeds omstandlijk in den schriften dd. 14 febr: gemeld - zonder dat de Onder-Directeur dartoe iets zeggen mogt, ook zonder rugspraak met den Ond: Direct: over haare schulden, wie die betaalen zoude.

Daar de Onder-Directeur lang voor ankoomst van den Heer Adjunct op der Schanz, uitree­den om de menschen beter in hand te hou­den, wegens schulden maaken, stellig bij appel aan alle kolonisten verklaart dat geen uit de kolonie konde ontslagen worden, of hij moeste niets aan de Ommer­schanz schuldig zijn, t welk alreets de beste uitwerking ge­daan hadde, voornamend­lijk bij dezen darvan de meeste goede arbeiters waren.

Darenboven moeste op beveel van den Heer Adjunkt, de drie laasten daghuur, van 10-12 en 13 august hun ten vollen uitbetaald, en niets voor gemaakte schuld, of de verplig­te penningen voor de Maadschappij afgetrok­ken worden, zoo als reets in zijnen schrifte van den 14 febr. ll. angevoert is;

daar in alge­val volgens Wet dit dem Ond: Directeur ter last lag en hij als wettige ambtenaar, ook van den Heer Adjunct-Directeur, hadde moeten angemerkt en niet willekeurig, maar met hem darover gesproken worden;

noch meer be­wijst het hier anliggende copij eener missive der Permanente Commissie van Weldadig­heid an den Heer Directeur der kolonien van den 21 julij 1822 no. 66/7 dat het wettige gezag des Ond: Directeurs en het schulden maaken der kolonien noch niet vermindert of verandert was; dus verzoekt de suppliant Heeren Wetgevers deze 17 hoofden in an­merking te neemen.

Ten tweeden G.J. Nieuwenhuis volwassen meisje, P.J. Pirre en F. Machielse volwassen jongen, zijn van Steenwijk op de Schanz gezonden, zonder behoorige kleeding, en dat zoo, dat zij haar schaamde niet bedekken konden.

De twee laatsten hebben in t geheel geene hemden aan, en dat van het meisje was geheel onbruikbaar, aan die hij onderge­teekende genood­zaakt was met kleederen te dekken en met werkgetuig te voorzien.

Deze waaren ook in staad haare schuld afteverdie­nen; maar G.J. Nuiwenhuis de beste en sterkste werkster in der kolonie, was bij den 17 hoofden die den 14 aug: 1822 zonder rugspraak harer schulden, door den Heer Adjunct-Directeur is ontslagen, de laatste is gedeserteert.

Ten vierden T. Benzonides een perzoon van haaren verstand beroofd, op de Schanz gezonden zonder spinwiel, haspel en schop, t welk haar moeste gegeven worden; zij heeft het spinnewiel door haare krankzin­nigheid gebrooken en ten vollen onbruikbaar ge­maakt, den haspel evenzoo; zij kond noch niet spinnen, en was haar ook niet te leeren, dus heefd zij bij aller moeide aan haar be­steed, op der Schanz geene 7 stuivers ver­dient, wierde ziek en is gestorven.

Ten vijfden F.D. de Haan wierde van Frederiksoort wegens zijner buitengewoone luiheid naar de Schanz gezonden, en volgens zijn verkeert gedrag an den Onder-Directeur gerecommendeert, hem bezonders in t oog te houden.
Deze man met eene vrouw en drie kinderen, het jongste bij der ankoomst 4 wee­ken en het oudste 6 jaar, - darnevens eene voor-dogter van 19 jaaren, zijnde eene met van den besten werksters in de kolonie.

De­zes meisje was zoo ontblood van kleederen, dat een man van eeniger doorzigt, op de betaamlijkheid van schaamde, tegen jonge en oudere mannen, niet onderlaatende kon, dezer perzoon kleederen te geven, zoo wel voor de koude als ook haare schaamde te dekken, zij die door haare bezondere werk­zaamheden het huisgezin met 3 kleinen kin­deren ondersteunen moest, en veel tot vol­doening haarer schulden bijdroeg.

Dit meisje deet ZWEdGest: de Heer Adjunct-Direct: op den 7 sept: buiten weeten van den Onder-Directeur blijkens bijlage no.1 verhuuren aan een man van gemeen gerugt woonachtig op t Hoogeveen, en waardigste niet eens den wettigen Onder-Directeur over deze menschen gesteld darbij te zijn, of hem t minst darvan doen weeten, en door een ander voor getuigen lied teekenen.

Dit ge­daan zijnde gebood ZWEdGest: an hem, dezem meisje noch een nieuw hemd en borstrok uit het magazijn te geven.

Dit wei­gerde de Ond: Directeur volstrekt, steunende op bijlage no.2, en daar Zijne WEdel­Gest: tegelijk aan Haan haaren vader permissie gegeven hadde met zijner dogter naar de Dedemsvaart te gaan en deze man zoo als gezegd bezonders an den Ond: Directeur gerecommendeert was, nooid buiten de Schanz, anders als werkzaam gaan mogde, of hij moeste van den Onder-Directeur een pas hebben - dit den Her von Hoff ook wel bekent - daar het uur van zijn uitgaan en te huiskoomen duidelijk op bestemd was, zoo streed dit ten vollen met pligtmaatiger gehoorzaamheid de Ond: Directeurs tegen den Heer Directeur en goeden ordre dezer huis­houding.

Darboven het meisje bijgaans de meeste kleederen in de huishouding ontvan­gen hadde, dus alle hoop door het weggaan van het meisje op betaaling haarer of vaders schuld onmogelijk was, ten of vader - zoo men wil - over die an zijne zorg anbevoolene men­schen dit meisje an een man van een zulk gemeen gerugt en op zulke losse voet te verhuuren.

Dus bevaal de Ond. Directeur an Haan volstrekt niet buiten de Schanz te gaan zonder pas, of hij zoude hem in arrest doen stel­len.

Maar de Heer Capit: om zijn oogmerk te bereiken, kwam vligend tot den Onder-Directeur en dispenseerde - blijkens bijlage no.3 - hem van zijnen functien als Ond.Directeur s'middags om 12 uur.

Dus nu de Onder-Di­recteur niets meer te vertellen hebbende begaf zich Haan zonder pas met zijner dogter buiten de Schanz naar de Dedemsvaart; dit oogmerk bereikt hebbende, herstelde ZWEd­Gest: den Ond: Directeur noch den zelfden dag s agtermiddags 3 uur.

3 of 4 weeken na dato was het meisje reets van zijn baas ont­loopen, kwam bij zijn vader op de Schanz terug, werkte niet en holp vader en moeder het weinige opeeten; kort voor het weggaan des Onder-Directeurs van de Schanz is het meisje van de Schanz vertweenen, en op welke wijs het zijn brood gezogd en gevon­den heeft, is hem ondergeteekenden onbe­kend.

Heeren wetgevers zullen wel willen be­oordeelen, of men door zulke willekeurige en onvoorzigtige handelwijzen, den naam van vader over zoveel onder zijn gezag hebbende menschen verdient, en ten andern of een Adjunct de magt heeft, eenen door de wetge­vende magd angestelden Onder-Direc­teur te dispenseeren, en naar het oogmerk bereikt te hebben, weder te herstellen, zonder voorken­nis des Heeren Directeurs of Permanente Kommis­sie zelfs, en ten derden of de onder­geteekende verpligt is zulke schulden te be­taalen, daar hij in zijner pligtoefening altoos verhindert is geworden.

En zoo als de schrijver ondersteld - mis­schien ten onregten - dat zijne verpligtingen an oude beveelen; ingestelde schikkingen tot goede ordre in eener belangrijken zaak of ten derden ongehoorzaamheid aan superieu­ren - de Permanente Kommissie of Directeur der kolonien - niet door mindere superieuren te vernietigen is, of zij moeten zelfs door de hoogere superieuren vernietigt worden;

t welk ook het geval was in mijner kolonie wegens den raad van toezigt, blijkens anleggend copij, door den Heer Directeur ingesteld en mij darmeede belast, vervolgens door den minderen superieur den Heer von Hoff ver­nietigt.

Volgens altosige gevoelens des schrij­vers van dit, moeste het grondstelzel van deze door den Heer Directeur ingestelde zaak blijven - evenwel zoude an den Heer Adjunct President darvan zijnde, misschien vrijgestaan hebben, eene andere keus van leeden tot dezen raad behorende, doen te mogen.

Aan het slot van dit, verzogt de onder geteekende van de Heeren Wetgever, uit reeden dat de gewezene Ond: Directeur - ten naardeel van zigzelfs - wel ten strengsten zijne vermeende plicht behartigt heeft, even­wel door veele agterpaalen en hem onregt­vaardige ontnomende magt, niet in staad was, zijne pligten genoegzaam optevolgen, eene billijke schikking voor hem, reets ge­noegzaam met verdriet en rampen overlaad­ene, te willen uitspreken.

Fenner heeft bij dit stuk - naast het genoemde tuchtreglement - drie bijlagen gevoegd, een stukje over de verhuur van Eeltje de Haan, een besluit van de permanente commissie van 21 juli 1822 dat op de schans geen schulden gemaakt mogen worden en een tijdelijke schorsing van Fenner op 7 september.


Bijgevoegd stuk 1

Eeltje de Haan, dogter van den kolonist F.D. de Haan heeft in tegenwoordig­heid van den ondergeteekenden Adjunct Directeur der kolonien zich als dienstmeid, verdongen bij schipper Jurriaan Veltman van t Hoogeveen, onder de voorwaarden, van vrije kleeding en kost voor den tijd van drie jaren, zullende bij vroeger opzegging van den dienst van haar of van Veltmans zijde, aan haar verblijven hetgeen zij tot daarheen heeft genoten en ontvan­gen.

Verbindende zich Jurriaan Veltman om in alle gevallen ook van ziekte of onvermo­gen als vader voor haar te zorgen.

Ommerschanz den 7 septemb: 1822
De Adj: Directeur der kolonien von Hoff

Dit werk is gesteld door F. Veltman in bijwe­zen van J: Bosscha.

Bijgevoegd stuk 2

S'Gravenhage 21 julij 1822

De Permanente Kommissie heeft de eer etc.

Tevens geeft de Permanente Kommissie den Heer Directeur berigt, dat zij op de ingekoom­ende informatien van het maken van schul­den door de kolonis­ten in de Ommerschanz, in weerwil dat zulks bij de Reglementen als strijdig met die inrigting, stellig verboden word, besloten heeft den Heer Directeur te verzoeken, gelijk zij bij dezen doet, om den Heer onder Directeur Fenner aanteschrijven, dat de Permanente Kommissie met bevreem­ding en misnoe­gen vernomen hebbende de indruk welke hier omtrent op de reglementai­re bepalingen gemaakt wordt, den Ond: Di­recteur Fenner met den meesten ernst uitte­nodigen en gelasten om voortaan naauwkeu­rig te zorgen, dat door de kolonisten in de Ommerschanz, hoegenaamd geene schulden meer worden gemaakt, maar aan hun geen verstrekkingen worden gedaan, dan voor hetgeen zij werkelijk verdient hebben.
Terwijl alle schulden welke in het vervolg door die kolonisten mogten gemaakt worden van het tractement de Heer Onder-Directeurs zullen worden gekort, en waar omtrent de Heer Directeur der kolonien mits dien het nodige toezigt gelieve te houden.

van Hemert, secretaris

Bijgevoegd stuk 3

De ondergetekende suspendeert den Heer Fenner, Onder-Directeur van de kolonie Om­merschanz van derzelfs functien, tot nader beveelen daaromtrent van de Permanente Kommissie zullen zijn ingewonnen.

Ommerschanz den 7ten sept: 1822
De Adjunct Directeur der kolonien von Hoff

den middag 12 uur 7 sept. 1822 suspendeert
s agtermiddags 3 uur hersteld 7 sept. 1822