Naar het overzicht
van stukken over FENNER





22 december 1823: Fenner dringt aan op een beslissing over zijn claim


Uit deze brief, gedateerd 22 december 1823, invnr 67, blijkt dat Fenner al zes weken in Den Haag is in de (tevergeefse) hoop een glimp van de permanente commissie op te vangen. Volgens een opschrift op de brief is Fenner hierna 'door den 2e secr. berigt dat zijne zaak werd onderzogt'.


De ondergetekende suppliant heeft zich den 21 nov. 1823 geadresseert aan die Heeren Wetgevers der Permanente Kommissie van Weldadigheid wegens het darbij gevoegte nominative stuk, zijnde schulden der kolonis­ten op der Ommerschanz voor ontvangene kleeding, gereedschap, huisraad en bedde­goed, eene som van ƒ288-95 vermeenende dat dit; angemerkt, wegens den darmeede verknoopte omstandigheeden niet tot last van hem hadde moeten gebragt worden.

Darop de suppliant de eer gehad heeft per missive der Permanente Kommissie van den 27 nov: ll. no.4/11 onderigt te worden, dat eene mondelij­ke behandeling over de bedoelde zaak onnoodig was, en dus wegens de vermeende pretentie, zulks schriftelijk en behoorig gejustificeert aan de Permanente Kommissie intezenden hadde.

Daran de suppliant zich onderworpen hebbende, heeft hij onder den 2 desember 1823 an dit voldaan, door inzending eener memorie en memo­rieele nominative schrift met bijvoeging van eenigen stukken strekken­de tot bewijs, om zich te mogen vlijen, dat door die Heeren Wetgevers eene billijke schikking tot zijn voordeel zoude kunnen gemaakt worden.

Tot dit einde heeft hij suppliant zich tot heeden in S Haag opgehou­den maar het genoegen niet gehad hebbende, op een of de andere wijs van zijn lot, dat van der beslis­sing Uwer Heeren Wetgever afhangt, onder­rigt te zijn; en hij nu reeds anstaanden vrij­dag 6 weeken van huis afweezig, dus zulks voor hem in zijnen tegenwoordigen stant van zaaken reets groote kosten verwekt heeft.

Strekkende dit zijn verzoek, voor de wenschen, dat het Uwe Heeren behaagen mag, door billijk schikkingen voor hem te moge in zijner zaak beslissen.

Zulle het wezen dat hij ondergeteekende in zijnen voormoenden schriften eenige on­duidelijkheid of onwaarschijnlijkheid hadde vloeien laaten, en het den Heeren behaagde, hem in perzoon darover te hooren, zoo is hij op dag en uur volgens goedvinden der Hee­ren, gereed, zich in perzoon, tegen, afzonder, zijne vijande vinden te laaten, op die plaas en oort daar het hem ordineert word, hij zal dan op die hem enkel gedane vragen, tegen Heeren Wetgever met bescheidenheid ant­woorden, en vervolgens zijn lot afwagten.