Naar het overzicht
van stukken over FENNER





juni 1824: de definitieve reactie vanuit Frederiksoord op Fenners verzoek om terugbetaling van voorgeschoten gelden


Op 22 mei 1824, invnr 69, schrijft de  adjunct-directeur voor de administratie Falck aan de permanente commissie:


Betrekkelijk het nog niet volledig beantwoordde uit de missive der Permanen≠te Kommissie van 6 december ll. no. 28/12 relatief de vordering van den Heer Fenner, zal ik de eer hebben, bij eene volgende nader te berigten.

En na nog een maandje ijverig studeren schrijft de directeur der koloniŽn Wouter Visser op 12 juni 1824, ook invnr 69:


Der Permanente Kommissie heb ik de eer op de van onderscheidene missi≠ves nog onbeantwoorde punten te berigten,

als op die van den 9 december N 28/12 aangaande den Heer Fenner, dat bij natelling der goederen in het magazijn van kleeding te Ommerschans na het vertrek des Heren von Hoff gebleken is, er eene aanmerkelijke hoeveelheid minder voorhanden was dan volgens de zoo nauwkeurig mogelijk opgemaakte verantwoording behoorden te wezen - welke verrekening bij den Generale Verantwoording over den maand december A.P. is ingezonden.

Dat mijns bedunkens ook meer dan waarschijnlijk is, er tijdens het vertrek van den Heer Fenner reeds eenige goederen zullen hebben geman≠keert en welke dan volgens verzekering van den Heer von Hoff (zie den mijne van 20 december A.P. N 462) door Fenner tegen kontanten zijn verkogt;

daar dit nu moeijelijk, zoo niet onmogelijk met zekerheid te beslissen is, en het mijns inziens uit den aard der zaak een verschil tusschen de beiden gen. gewezen geŽmployeerden wordt, zoude ik van gevoelen zijn, en neem de vrijheid der Permanente Kommissie te advyseren, gene restitutie aan Fenner te geven, te meer daar die restitutie in geen geval door de Maatschappij maar door den Heer von Hoff zoude behoren te worden geleden.