Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Juni, augustus en oktober 1824: de laatste brieven van Fenner met verzoeken om hem geld terug te betalen


Eerst is er een brief gedateerd 19 juni 1824 die zich bevindt in invnr 69. Volgens mij vanuit Overijssel want ik denk dat hij de hoop heeft opgegeven om in Den Haag iemand persoonlijk te spreken te krijgen.


Gisteren vijf weeken den 14 meij ll: gebruikte de ondergeteekende de vrijheid, zich te adresseren aan de Permanente Kommissie van Weldadigheid, verzogt hebbende, op die den 21 novemb: 1823 ingediente schriften goedgunstig te beslissen.

De ondergeteekende doet hetzelfde hier nogmaals, hij wel van gevoelens zijnde, dat over deze zaak reets beslist was;

indien veelvuldige beezigheeden of andere hem onbekente hinderpaalen, de Heeren darin niet verhindert hadden;

hoopende dat zijne meermaaligen verzoeken hem niet als ongeschikt zullen ter last gelegt worden.

Maar dat zijn, den Heeren genoegzaam bekende situatie hem daartoe noodzaaken, en dus ten vollen voor hem pleiten.

Daarom doet de suppliant nogmaals zijn eerbiedig verzoek, dat het den Heeren Wetgevers behaagen moge, van wegens boven gemelde schriften, een voor hem gunstig besluit te noemen, daardoor zijn lot veran­dert, en wel verbetert worde.


Op de brief is genoteerd 'In handen van den Heer VR', oftewel Faber van Riemsdijk. Maar die doet ook niks. En op vrijdag 6 augustus 1824, invnr 70, is de volgende brief van Fenner:


De ondergeteekende moet nogmaals zoo vrij zijn zich aan de Heeren der Permanente Kommissie te adresseren; -

om op die door de Permanente Kommissie onder den 27 novemb: 1823 N 74/11 van haar geeischte en door den suppliant op den 2 decemb: 1823 ingediente schriften, goedgunstig voor hem een besluit te neemen.

In zijnen voorigen reets ingezondende verzoekschriften dd. 14 meij en 19 junij ll. alles vervat zijnde, t welk hij wegens zijnen omstandigheeden en reeden zijner veelvouwigen verzoeken hier zeggen moeste, zoude dus overvloedig zijn Uwe Heeren darmeede in dezem lastig te vallen; -

en strekt dit alleenig den Heeren der Permanente Kommisise de zaak des onderge­teekenden indagtig te maaken, en eerbiedig te verzoeken, dat het den Heeren moge, hem met een favorable besluit te begunstigen.


En tenslotte is er de laatste brief (maar misschien is er meer, ik kan iets over het hoofd gezien hebben), gedateerd donderdag 14 oktober 1824, invnr 71 scans 117-118:


UWEdGest: zal zich wel noch herinneren dat ik verscheidene maalen in dit jaar, mij geadresseert heb, aan de Permanente Kommissie van Weldadig­heid, oodmoedigst verzogt hebbende, om een gunstig besluit wegens die ƒ288 en 9˝ cens, de welke de ondergeteekende aan den Heer von Hoff heeft betaalen moeten, het nadere daarover in mijn schrift van den 2 de­cemb. 1823 aan die Permanente Kommissie ingedient bevat is.

De ondergeteekende is zoo vrij deze zaak angaande zich aan UWEdGest: te adresseren, met het vriendelijkst verzoek, de goedheid te willen hebben en met den Heer President over die zaak te spreken.

Zoude in den schriften van den 2 decemb. voornoemt zich iets vinden t welk voor ongegrond of ongeloofbaar gehouden word, dan heb ik mij reets verpligt, en verpligt mij nochmaals zulks zoo ver als het nu noch doenlijk is, te bewijzen.

Ik heb gewenscht noch op de Schanz zijnde, dat mijn vertrek van dar, zoolang hed mogen opgeschort worden, tot ik verandwoording gedaan had, van al wat mij de administratie angaande ter last was gelegt of konde gelegt worden, en was dit geschied, hadde mij zulks niet tot oneer gestrekt;

daaren­boven was het voordeel voor de Maadschappij, en ook den Heer von Hoff geweest, de laastgenoemde Heer zoude ingezien hebben hoe men met een magazijn der Maadschappij te werke gaan moet, en in t vervolg voorzigter zoude geweest zijn.

Daarenboven alles regelmaateig en in te kort afgedaan, zoude mij veele woede, verdriet en gek gespaart hebben, dardoor ik zaaken verhelpen wilde, die volgens mijn gevoelen, zonder voorweeten der Permanente Kommissie van Weldadigheid, mij door den Heer von Hoff tot naadeel angedaan waren.

Maar om dat eene verloopenen tijd, niet te achterhallen is, en oud gebeurte zaaken, niet te herroepen zijn, zoo blijft noch alleen de hoop voor mij over, dat die Heeren der Permanente Kommissie mijne zaak op eene menschlievende en meest billijke wijs spoedig beslissen mogen; dus hoopen­de dat mijne bede aan UWEdGest. gedaan niet zonder vrugt mag zijn met den Heer President over mijne zaak sprekende.

En dan houdt de (op het laatst nogal eenzijdige) correspondentie tussen luitenant Fenner en de Maatschappij van Weldadigheid op.