Naar het overzicht
van stukken over FENNER





Johannes Machiels


De kapitein-commandant van het korps mariniers heet Ziervogel en doet alijd erg zijn best voor de Maatschappij van Weldadigheid. Vandaar dat de Maatschappij er op aandringt dat hij gebruik maakt van hun aanbod een gratis gezin in Veenhuizen te plaatsen. Maar dat lukt hem niet, schrijft hij dinsdag 15 maart 1825, invnr 72:

Terwijl opzichtelijk het bij opgemelde UWelEdGestrenge missive aan mij voorgedragene, of ik zoude wenschen de ongebruikte plaatsingen van huisgezinnen, uit de kontributie van het Korps Mariniers, steeds disponibel worde gehouden om bij voorkomende gelegenheid daarvan gebruik te maken voor huisgezinnen van bejaarde zeelieden;

ik de eer heb UWelEdG. te informeeren, dat aangezien er op dit ogenblik bij mijn onderhebbend korps geen zoodanig geval bestaat en onzeker of zal komen te bestaan waardoor in het vervolg met goed gevolg gebruik zoude kunnen worden gemaakt van het ten dezen door UWEdG. vriendelijk gedaan aanbod, de beschikking over de zodanige plaatsingen door mij, aan de Permanente Commissie geheel wordt overgelaten, terwijl het mij daarentegen hoogst aangenaam zoude zijn gebruik te mogen kunnen maken van het ten slotte Uwer WEGestr. welge≠melde missive vriendelijk aangebodene om een of andere Onderofficier of geschikt gewezen militair met eenig emploi in de kolonien der Maatschappij begunstigt te zien,

in welk geval ik tot dat einde de eer heb aan UWEdGestr. voortedragen, den ongelukkig bij mijn onderhebbend korps zich bevindende sergeant majoor Machielsen denwelke gerustelijk aan de Permanente Kommissie als een zeer ordentlijk sujet kan aanbeveelen, schrijvende een zeer goede hand, en bezit tot de militaire administratie bijzonder veel ge≠schikt≠heid.

Dit gunst bewijs Mijne Heeren houde ik mij overtuigd, dat niet alleen het grootste gevoel van erkentelijkheid, bij het gantsche korps waarover ik eer heb het bevel te voeren, te wege zoude brengen, maar ook bijzonder tot eene vernieuwde aanmoediging zoude strekken, tot het meer en meer bijdragen tot instandhouding en den bloei, eener voor het welzijn onder natuurgenoten zoo heilzame strekking, waarvan de inrigting der Maatschappij van Weldadigheid boven al, als het doel moge worden beschouwd.


Blijkbaar wil hij van hem af. Enkele dagen later, op zondag 20 maart 1825, ook invnr 72, schrijft Ziervogel opnieuw. Hij heeft Johannes Machielse blijkbaar uitgenodigd een staat van dienst te schrijven die als sollicitatie kan dien:

Dezen Onderofficier, welken om geene andere reden dan deszelfs bij opgemelde staat beschreven physiq gestel, tot den activen militairen dienst niet meer geschikt kan worden geoordeeld, en niet lange genoeg gediend hebbende, om eenige aanspraak te kunnen maken op eenig pensioen of gagement, door het bekomen van zijn ontslag uit den dienst buiten eenige middelen van bestaan gesteld zijnde, welligt tot den bedelstaf zoude kunnen geraken, neeme ik de vrijheid op nieuw aan UWEG. als een zeer ordentlijk persoon en van een goed moraal aan te beveelen.

Terwijl ter informatie van UWEG. de eer heb te doen dienden dat, wanneer door UWEG. zal mogen zijn verzekerd dat de voornoemde sergeant majoor Machielse met eene plaatsing te Frederiksoord, alwaar volgens het gevoelen van den chirurgijn majoor van dit korps, zijn verblijf, uit hoofde der luchtgesteldheid welligt een middel zoude kunnen zijn tot herstel van dezelfs rheumatischen pijnen, zal worden begunstigd, ik als dan aan denzelve het paspoort zal doen uitreiken en vervolgens de eer zal hebben hem ter disposi≠tie van UWEG. te stellen.


Bijgevoegd, en dus ook invnr 72, is een door Johannes Machielse geschreven staat van dienst, inclusief de physieke handicap die hij inmiddels heeft opgedaan:

De ondergetekende Johannes Machielse geboren te Vroonhove (bij Maas≠tricht) den 25 september 1792 thans diendende bij het korps mariniers als sergeant majoor, verklarende ongehuwd en voor zijn indiensttreden zonder beroep te zijn,-

In fransche dienst
Dienst genomen bij het 2e regiment dragonders den 8 januarij 1810
Hij is op zijn zeventiende in dienst gegaan
geincorporeerd bij het 25 regiment van dat zelfde wapens 8 july 1810
bij de omwenteling als vreemdeling gepasporteerd in 1814
de veldtogten in Spanje bijgewoond in de jaren 1812 en 1813

In Nederlandsche dienst
Dienst genomen als soldaat bij het voormalige 16 bataillon
infanterie van Ligne den 16 april 1814
bevordert tot korporaal den 29 juny 1814
overgegaan bij het 35 bataillon infanterie nationale militie
behorende tot de 16 afdeeling infanterie 29 juny 1815
bevordert tot sergeant den 1 juny 1816
gepasporteerd den 31 maart 1819
dienst genomen als sergeant bij het korps mariniers den 21 mei 1819
bevordert tot sergeant-majoor den 25 october 1819

Physique gestel
Uit hoofde van rumatique pijnen in de beenen en voeten en hier door ontsta≠ne optrekking der spiren in de armen niet in staat om groote fatigues te kunnen ondergaan, doch van verdere lichaams gesteldheid gezond en hier door in staat om administrative werkzaamheden waar te nemen

Rotterdam den 20 maart 1825
Machiels


Hij wordt aangenomen. Op 1 april 1825 schrijft Machiels aan de permanente commissie, invnr 73:

Ik heb de eer UWelEdele Gestrenge kennis te geven, dat ingevolge UWel≠Ede≠le Gestrenge missive van den 24 maart ll. no. 1112 mijn vertrek naar de kollonie Frederiksoord zal plaats hebben op morgen den 2 dezer.


Zoals de meeste nieuwe employťs draait hij eerst een tijdje proef op het algemeen bureau van de koloniŽn in Frederiksoord. En daar is men tevreden over zijn werk. Op 21 april 1825 schrijft directeur Visser, invnr 73:

Eindelijk geef ik mij bij deezen gelegenheid het genoegen de Perma≠nente Kommissie te informeren, dat de geemploijeerden op het Algemeen Bureau Bertrand en Machiels aan de verwagting schijnen te zullen beant≠woorden.


Maar Johannes Machielse is zelf minder tevreden, want hij verdient een hongerloontje. Hij schrijft op 28 april 1825 aan de permanente commissie, invnr 73:

Ingevolge vaste verzekering van den WelEdelGest. Heer Kapitein ter zee Ziervogel mijnen voormaligen kommandant, namentlijk dat ik in dienst der Maatschappij zijnde genoegzaam in de behoeften tot mijn onderhoud zoude kunnen voorzien en thans ondervindende dat mijn salaris op É4-" s weeks bepaald zijnde, het zelve niet toereikende is om in alle mijne noodwendige behoeftens te kunnen voorzien, vermits het zelve slechts voldoende is om te strekken tot voldoening in huisvesting, voeding, waschloon etc.
Zoo dat er mij geen penning overig blijft om tot onderhoud mijner kleeding stukken te kunnen strekken.

Mij hier over bij den WEGest. Heer Direkteur W. Visser vervoegd hebbende heeft ZWEGest. mij verzekerd dat mijn salaris bepaald was op É4-" s weeks tot zoo lang dat ik volkomen met de administratie der kolonien bekend was, waar na het zelve met É1-" s weeks zoude verhoogd worden, tot dat men mij eindelijk in de een of ander kolonie als boekhouder zoude plaatsen, en als dan een salaris van É7-" s weeks genieten zoude.

Ik zoude mij gaarne met dit vleiend vooruitzicht troosten zoo niet mijne kleding in dien tusschentijd tot eene onvoegelijken staat wierden gebragt.

Zoo neem ik met verschuldigde eerbied en toestemming van den WEGest. Heer Direkteur de vreiheid het voormelde ter kennis der Permanen≠te Kommissie te brengen ten einde hier in op eenigerhande wijze goedgun≠stig moge worden voorzien.


Als de permanente commissie aan directeur Visser vraagt hoe dat zit, licht hij op 10 mei 1825 een en ander toe, invnr 73):

Den geemploijeerde Machiels had ik reeds vroeger beloofd zoo dra moogelijk tot een bepaald en meer voordeeliger post te zullen voordra≠gen, om dat het mij bij de kennis geving van zijn aanstaande komst in de koloniŽn door de Permanente Komm. wel is voorgekomen dat dit haar aangenaam zijn zoude:
twee redenen bestaan er waarom hier aan nog geen gevolg is gegeven;

vooreerst dat Machiels, hoe wel niet onkundig in de administratie en vrij accuraat, nog slegts langzaam werkt;

en ten tweeden dat de geemploi≠jeerde Poulie, welke meerder bekwaamheid heeft en vroeger geemploijeerd is, naar ons inzien diende voor te gaan, ten einde de ambitie niet weg te neemen.

Ook hierover bij mijnen volgende nader. Wij zullen intusschen Machiels zoo veel mogelijk tot een bepaald emploij opleiden en bij de eerste behoefte voorstellen.


Een week later, op 17 mei 1825, meldt directeur Visser aan de permanente commissie, invnr 73:

De geemploijeerde Bertrand zal deeze week als provisioneel maga≠zijnmeester naar het 2e etablissement te Veenhuizen vertrekken, terwijl Machielse zich tot boekhouder buiten bekwaam maakt, om zodra de omstan≠digheden zulks vorderen daar toe te kunnen worden geemploijeerd; ik vleije mij dat de Permanente Kommissie die een en ander met hare goedkeuring zal gelieven te vereren.


Maar dan moet er wel eerst ergens een vacature zijn. En voor hogere functies komt  de nog steeds voor vier gulden per week op het algemeen bureau werkende Johannes Machielse niet in aanmerking, maakt directeur Visser op 8 juli 1825, invnr 75, duidelijk:

Door deeze bevolking zal het ook nodig zijn, dat een boekhouder aan de Direktie van het 3e etablissement wordt toegevoegd;
intusschen is onder de geemploijeerden op het Algemeen Bureau niemand welke de vereischte bekwaamheden tot dien post bezit, en die tevens hier niet volstrekt vereischt wordt:
zoo is bv. Machielse veel te langzaam en heeft geen ge≠noegzaam vertrouwen op zich zelf om die betrekking te aanvaarden;
Bergner staat met hem nagenoeg op dezelfde hoogte;
beide zijn brave menschen maar slegts voor eene min moeijelijke betrekking bereekend.


En dan is het eindelijk zo ver! Iets meer dan vijf maanden na zijn aankomst is er een betrekking voor Johannes Machielse. Op 13 september 1825 neemt de permanente commissie een besluit, afgedrukt op deze pagina, waarbij hij wordt aangesteld tot boekhouder van Ommerschans-Buiten voor zes gulden per week.

Hij is nu op de Ommerschans en komt in contact met Luitenant Fenner en diens dochter...