Gepensioneerd tweede luitenant Karel Frans Lodewijk Fenner, een beetje vreemde man maar een enorme bron van informatie


Karel Frans Lodewijk Fenner, die bij zijn geboorte eerder Carl Franz Ludwig geheten zal hebben, is een hoofdpersoon in De bedelaarskolonie. In het boek komt hij voor op de pagina's 27-29, 31, 33-36, 38-39, 41-44, 58-59, 66-68, 71, 86, 87, 93, 97, 98-101, 104, 105-106, 107, 111, 113-119, 123, 138, 142-144, 171, 200, 209 en 126.

Hij mag in sommige opzichten een beetje rare kwast zijn, maar met zijn brieven, vooral wanneer hij na zijn ontslag terugblikt op zijn tijd op de Ommerschans, levert hij enorm veel informatie over het leven op de schans en over de begindagen van het bedelaarsinstituut. Informatie die elders niet te krijgen is.


In zijn overlijdensakte wordt gemeld dat Fenner is geboren te 'Sibershausen'. Vermoedelijk wordt bedoeld Sabershausen in Rijnland-Palts. Hij is bij zijn overlijden in 1846 79 jaar oud, dus die geboorte moet rond 1767 hebben plaatsgevonden.

Dat houdt in dat hij ongeveer 52 jaar is als de Maatschappij van Weldadigheid in augustus 1819 voor het eerst met hem te maken krijgt. Op dat moment bestaat alleen de proefkolonie Frederiksoord, die dit najaar wordt uitgebreid, maar heeft de koning al wel de verlaten vesting de Ommerschans aan de Maatschappij gegeven.

De stukken over die eerste kennismaking tot aan Fenners eerste acitiviteiten als onderdirecteur voor de Ommerschans heb ik op deze pagina gezet.

Ontslag

Het lijkt dus lang goed te gaan, maar 27 juni 1821 laat Fenner weten dat hij de functie van onderdirecteur eigenlijk te min vindt. Johannes van den Bosch stelt hem voor dan maar ontslag te nemen, in de verwachting dat dat Fenner een toontje lager zal laten zingen, zie hier.

Maar het helpt NIET. Integendeel, die brieven die Fenner nu schrijft zijn dusdanig dat het volgens Johannes van den Bosch 'volstrekt nodig word dit waanzin≠nig mensch zijn ontslag te geven'. Dat ontslag volgt op 1 augustus 1821, zie hier.

Door het stof

En dat helpt wel. Fenner keert op zijn schreden terug. Maar hij gaat niet genoeg door het stof om het ontslag ongedaan te maken, zie hier.

Zodat Fenner nog dieper door het stof gaat en daarna wordt het ontslag wel teruggedraaid. Tot zijn grote vreugde. Maar hij krijgt nog wel een trap na, zie hier.

Later, in 1823, blikt Fenner nog eens op deze kwestie terug omdat hij denkt dat het een rol gespeeld heeft bij zijn latere en definitieve ontslag, zie hier.







42 folio's protest

Anderhalve maand na zijn ontslag, 14 februari 1823, slaat Fenner toe: 26 dichtbekrabbelde folio's tekst + 16 folio's met kopietjes van de grootboeken, in totaal 42 folio's.
Naast een
- verzoekschrift om weer in functie gesteld te worden,
is er
- een kleine verontschuldiging voor zijn schrijfstijl,
- een kopie van een brief die hij januari 1821 aan toenmalig adjunct-directeur Wouter Visser had geschreven en het antwoord daarop van Visser,
- een verantwoording over het gedoe in juli-augustus 1821,
- een klaagschrift dat adjunct-directeur Hoff hem vanaf zijn komst in mei 1822 niet correct behandeld heeft. Om dat aan te tonen stuurt hij mee:
- een 'Verhaal eener anmerkingswaardigen disci≠pline',
- een 'Verhaal eener niet minder anmerkings≠waardigen handelwijs' en
- een 'Verhaal van kundigheid in den landbouw',
- een verweer tegen de aanklacht van Hoff,
- een kopie van een brief aan Johannes van den Bosch na het vernemen van zijn ontslag,
Het is allemaal te bereiken via deze pagina.

Reacties

Het enorme pak papier dat Fenner heeft gestuurd wordt 24 februari 1823 door de permanente commissie doorgezonden naar Johannes van den Bosch in Frederiksoord en adjunct-directeur Hoff op de Ommerschans. Johannes reageert op 14 maart 1823 en noemt Fenner 'een verachtelijke gek'. Een dag later, 15 maart 1823, regaeert Hoff, die wijst op Fenners 'verwaandheid en eigenliefde'. Daarbij zit een briefje van Johannes van den Bosch met een concept-reactie. Alle reacties staan hier.

In Den Haag

Blijkbaar is Fenner in maart in Den Haag en heeft hij alle mogelijke pogingen gedaan om leden van de permanente commissie te spreken te krijgen. Maar hij is niet verder gekomen dan de knecht van Faber van Riemsdijk en per brief van 24 maart 1823 meldt hij dat hij Den Haag weer verlaten heeft.

Uiteraard zit er een dikke bijlage bij. Dit keer gaat hij in op de toestanden in juli-augustus 1821 toen hij eerst ontslagen en daarna weer aangenomen werd.

Op de stapel stukken is geschreven: 'Gedeklineerd en waarvan aan den rekwes≠trant kennis gegeven 8 april 1823'. Daar blijft Fenner lang stil van. Pas in oktober begint hij weer te schrijven.

Adjunct-directeur??

Dat begint op 11 oktober 1823. Blijkbaar heeft hij nog contacten op de schans want hij weet dat kapitein Hoff zijn functie neer gaat leggen en Fenner vraagt in zijn brief om adjunct-directeur te mogen worden!

Dat heeft allemaal geen effect en hij herhaalt alles nog eens in zijn brief van 31 oktober 1823.

Volhouden

Je zou verwachten dat hij ooit de moed eens zou opgeven, Maar op 19 november 1823 is hij er weer met een brief waarin hij om een mondelinge behandeling van zijn zaak verzoekt. Hij blijkt in een logement in Den Haag af te wachten tot hij met de permanente commissie kan spreken.

De volgende dag krijgt hij een afwijzend antwoord, maar de daaropvolgende dag, 21 november 1823, ook invnr 67, is hij er opnieuw. Nu stuurt hij stukken over het geld dat hij op de schans voorgeschoten heeft en dat hij nog terug zou moeten krijgen.

December 1823

En in het daaropvolgende schrijven, dinsdag 2 december 1823, gaat het in zijn brief vooral over het geld dat hij nog tegoed zou hebben. Maar zowel de brief als de bijlagen leveren weer veel informatie. Bijvoorbeeld het tuchtreglement dat vanaf 25 november 1821 gegolden heeft op de schans, zie hier.

En het 'Memorieel nominative schrift' is niet zo spannend, maar de verhalen eromheen wel. Zoals over de verhuur van een dochter van De Haan aan een schipper 'van gemeen gerugt'  en een tijdelijk aan Fenner opgelegde schorsing.

Onderzoek

Er zitten reacties op Fenners berekeningen bij, zie onderaan de pagina met het memorieel schrift, en op 20 december 1823 reageert ook de directeur der koloniŽn Visser. Zodat de permanente commissie terecht tegen Fenner kan zeggen dat de kwestie wordt onderzocht als hij op 22 december 1823, aandringt in een brief waaruit ook blijkt dat hij al zes weken in Den Haag is in de (vergeefse) hoop een glimp van de commissie op te vangen.

Maar daarna laat men het sloffen en op 14 mei 1824 schrijft Fenner een brief dat hij nog niets over zijn verzoek om terugbetaling vernomen heeft. Dat lijkt te komen omdat de definitieve reacties vanuit Frederiksoord er nog niet zijn, want die komen pas in een brief van de directeur van 12 juni 1824.

Laatste pogingen

Of dat er toe geleid heeft dat de permanente commissie aan Fenner uitsluitsel geeft weet ik niet, maar ik betwijfel het gezien de brieven van Fenner van 19 juni 1824 en  6 augustus 1824 en 14 oktober 1824. Dat zijn dan wel de laatste stuiptrekkingen, want daarna ben ik Carl Franz Ludwig Fenner in het archief niet meer tegengekomen (maar ik kan iets over het hoofd gezien hebben).

Fenner en zijn dochter gaan niet heel ver van de Ommerschans weg. Zodoende krijgen ze kennis aan de toekomstige schoonzoon Johannes Machiels. Op deze pagina hoe hij begin 1825 zijn intrede in de koloniŽn doet.

Op 5 augustus 1826 trouwt dochter Anna Elisabeth Fenner te Nieuwleusen, tien kilometer van de schans, met de employť Johannes Machiels.

Anna Elisabeth Fenner is geboren rond 1795 te Homberg in Hessen in Duitsland. Uit de huwelijksakte en Fenners latere overlijdensakte wordt duidelijk dat Fenner weduwnaar is van Marianne Henriette Cristine Ernestine Schenk.

Als de echtgenote van Anna Elisabeth in 1835 overlijdt en zij in 1837 hertrouwt is dat te Wisch in de Achterhoek. En uiteindelijk zijn Fenner en zijn dochter te Diepenheim, waar Karel Frans Lodewijk Fenner , zoon van Heinrich Christoph Fenner en Marie Philippene Maertens, overlijdt op 11 juli 1846 op 79-jarige leeftijd, en Anna Elisabeth Fenner op 19 mei 1883 op 88-jarige leeftijd.