Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





Rond 20 augustus 1829: De reactie van de adjunct-directeur van het derde gesticht Adrianus de Geus

Om op het geneeskundig rapport te kunnen reageren, verzamelt de naar de kolonie afgereisde Faber van Riemsdijk stukken van alle betrokkenen. Hieronder de uitgebreide reactie van de adjunct-directeur van het derde gesticht. Met de datering van die man zijn brieven is regelmatig iets vreemds, het KAN vaak niet kloppen.

Zo is het begeleidende briefje gedateerd 23 april 1829, maar dan bestaat het geneeskundige rapport waarop hij reageert nog helemaal niet, en de volledige bijdrage heeft als datum 20 augustus 1829, maar dat is dezelfde datum als waarop het officiële antwoord in Den Haag de deur uitgaat. De enige oplossing is die data volkomen negeren.

Er staan met potlood allemaal dingen doorheen en naast die de indruk wekken dat gedeelten hieruit gebruikt zijn voor het officiële antwoord. Dat gestreep en gekras is hieronder niet meegenomen. Als hij over de dood van zijn eigen kinderen begint, lijkt de emotie hem soms te overmannen waardoor dat gedeelte erg slecht leebaar is Over de bijlagen zie onderaan de pagina. Deze stukken bevinden zich in invnr 98::



Veenhuizen, 3 Etab. 23e april 1829

Ik heb de Eer UWelEdele Gestrenge hiernevens te doen geworden de bewuste Teekeningen van de Platte Gronden van de drie Gestichten, en van de waterpassing derzelve; hopende dat dezelve aan het oogmerk zullen kunnen voldoen.
ook zende ik UWEDG: het antwoord dat ik vermeende te moeten geven ten aanzien van de uitgebrachte rapporten door de Geneeskundige Commissie.
de verklaringen welke bij mijn antwoord behorende en welke als mede door UWEDG: verlangd worden kan ik hier bij maar voor een gedeelte doen geworden. de Veenbaas, de Jonge is absent, zoo dra die thuis komende zal ik de verklaring van de Koop en Transport der Turf doen gereedmaken en aan UWEDG: opzenden; en zoo hij heden niet thuis mogt zal ik morgen om hem zenden.-

Ik heb de Eer met de meeste Hoogachting te zijn
de Adj Directeur
Ads de Geus




N. 254   

Veenhuizen den 20 Augustus 1829

Ik heb de eer U Weledele Gestrenge bij deze te retourneren het bewuste Rapport van de Geneeskundige Kommissie en verdere bijlage van Professor Strating en de burgemeester van Norg en eindelijk de Provisioneele beantwoording van opgemelde stukken.- door de Perm. Kommissie.

Ik heb van dezelve genoegzaam lectuur genomen om op dezelve met eenige aanmerkingen en weder leggingen het mijne toe te brengen ter opheldering van veele misvattingen, in dezelve waargenomen.- en eindelijk de onwaarheden daarin, op eene schandelijke en Liefdelooze wijze door de Heer Burgemeester Tonckens afgeschilderd aangetoond.-

dit stuk echter heden uit hoofde van deszelfs uitgebreidheid niet gereed kunnende hebben, zoo zal ik echter zorgen dat hetzelve aanstaande Zondag vergezeld met de Teekeningen van Wicher Pasing, en Platten Gronden der 3 Gestichten UWEd. Gestr geworden.-

Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn
De Adjunkt Directeur
Ads de Geus



Kolonie Veenhuizen 3 Etablissement den 20 Augustus 1829

Ten gevolge van de door UWEd Gestr aan mij overhandigde uitgebragte Rapporten door eene Geneeskundige Kommissie uit de Provincien van Overijsel, Groningen en Drenthe, benoemd, op verzoek van ZHEd.Gestr den Heer Administrateur van de Gevangenissen en Armenweezen; tot onderzoek van de oorzaken der buitengewoone Ziektens en sterfte van Kinderen in het 3 Gesticht gevestigd; en op den 24e en 25e april 1829 plaats gehad, aan mij voor zoo veel nodig ter beantwoording voorgelegd.-

Heeft de ondergetekende de eer te berigten dat hij na genomen Lectuur van opgenoemde rapporten, en verdere bijlagen, zich hoogst verpligt gevoeld, deszelfs aanmerkingen, wederleggingen, en misvattingen in dezelve voorgekomen in het midden te brengen, aangezien het de ondergetekende is voorgekomen dat de leden der Geneeskundige Kommissie, uit de Provincien Overijsel & Groningen, de oorzaken van de buitengewoone Ziektens en sterftens gezocht hebben in de Voeding, en vooral in de schlechte kwaliteit van de Levensmiddelen, en verdere behandeling van de kinderen in het algemeen;
gegrond vooral op de gegevene renseignementen door den Heere Burgemeester van Norg: in deszelfs rapport schriftelijk opgegeven daarbij overlegd; deeze bijzondere artikelen zoo wel de Eer: der Maatschappij, als die van mij zelve aan rakende, gevoel ik mij doordrongen doch met verontwaardiging, op onderscheidene voorgegevene daadzaken nederziende, door de Geneeskundige Kommissie gerapporteerd;

evenwel zodanige door hun zelver niet ondervonden, maar overgenomen van Geloofwaardige Personen welke de belangens, Ja de Edele Bedoelingen der Maatschappij zoo veel mogelijk trachten tegen te werken; omdat zoo ik wel meene, die geloofwaardige Personen, met de Maatschappij vroeger eene zekere onderhandeling niet hebben kunnen treffen; daarom met eenen afgunstigen invloed werkende, op alle datgene, wat immer de ondernemingen der maatschappij gelukkig zouden kunnen verbeteren; terwijl zoodanige tegenwerkingen strekken om in de ondervindelijke tegenspoeden zich te verblijden, en tegen hun geweten, en beter weten, in handelende:

de Eer der Maatschappij aandoen, en deeze waarheden heeft de ondergetekende van geen geloofwaardige Personen overgenomen, maar uit den mond van den Heer Burgemeester van Norg, in tegenwoordigheid van den Heere C. Hulst Onderdirecteur van het 3 Gesticht gehoord; zeggende: dat hij genegen was om de Maatschappij in hare betrekkingen, in een of ander aanrakingen met hem komende: wangunstig te zullen zijn;

en hier toe heeft den Heere Burgemeester van Norg, dan ook de Gelegenheid niet laten ontsnappen, door aan de Geneeskundige Kommissie ten aanzien der Maatschappij de aller ongunstigste berigten mede te deelen zoo als daarvan bij het verslag der genoemde Commissie een bewijs is overgelegd.-

Indien dat bij gevoegd rapport, door de Burgemeester met waarheid was opgesteld, dan zoude het mij niet betamen, hetzelve tegen te werpen; dan daar ik in hetzelve, tot mijn innerlijk leedzijn, alle mogelijke ongegronde klagten heb beschreven bevonden; verdienen dezelve door mij als Chef van het Gesticht wederlegd te worden.-

Ik zal echter mij daartoe aan het einde van dit rapport bepalen, en laten voorafgaan, eenige bedenkingen en wederleggingen, welke ik ten aanzien van het uitgebragte rapport door de Geneeskundige Commissie opggemerkt (strekkende ook tot opheldering van eenige misvattingen in dat rapport).-

Terwijl ik mij ook alleen zal bepalen tot alle zoodanige aanmerkingen welke de ondergeteekende op grond van eene vierjarige ondervinding in het opperbestuur van het Gesticht noodzakelijk acht te omschrijven; en als bijlage van de algemeene beantwoording door de Permanente Komissie der Maatschappij van Weldadigheid, zoo ik vertrouw niet overvloedig zal geoordeeld worden.-

Dat de Commissie den sloot tot afwatering van het binnenplein juist op den dag van hun onderzoek, of liever in de uuren van dezelver Presentie binnen het 3  Gesticht als zeer nadeelig voor de gezondheid hebben aangemerkt, zal naar mijn inzien in eene buitengewoone oorzaak gelegen zijn;

Wanneer de Commissie zich gelieve te herinneren, dat ik hun gezegd hebbe, dat de sloot juist op dien morgen was uitgegraven en eenige afleidingen naar dezelve verbeterd; zodat daardoor onder de Wind – eene onaangename Lucht zich verspreide, echter uit hoofde die onaangename Lucht slechts voor eenige uren, en zeldzaam, alleen, bij aanmerkelijke uitdiepingen van den Sloot zal worden opgemerkt, zoo kan daarin geen oorzaak van ongezondheid gezocht worden; en het nimmer door iemand wordt opgemerkt, dat er eene onaangename Lucht binnen het 3e Gesticht aanwezig is;

terwijl ik mij met het gevoelen van de Commissie ook niet zoude kunnen vereenigen dat de minne verspreiding van eene onaangename Lucht iets tot de als toen bestaande Ziekte zoude hebben toegedaan, en vooral zoo als ik reeds heb aangemerkt, dat slechts eenige uuren bij de opgraving de nadeelige lucht, en in een zoo ruim binnenplein van circa 1 ½ Bunder oppervlakte, en dat gebouw slechts van eene verdieping, onafgebroken van de Zuiverste Lucht voorzien.-
   
Hoezeer het toeschijnt dat de begaanen grond of vloer van het 3 Gesticht met betrekking tot de allernaast aangelegen gronden, als voornamenlijk met opzicht tot de hoogte van een groot gedeelte van het binnen plein, beneden hetzelve gelegen; zoo behoort evenwel hierbij in aanmerking genomen te worden, dat de halve oppervlakte, gedeelte, van het binnen plein, namelijk dat gedeelte dat werkelijk tegen de kinderwoningen of Zalen gelegen, niet hooger, maar onder eene zachte helling tot aan den Sloot die het overige gedeelte van het binnen plein is, insluitende;

en welk insluitend gedeelte, alleen de oppervlakte bevat, ’t welk boven de vloeren van het Gesticht gelegen zijn; zoo als uit de Platte grond in dwars Profil Teekeningen hierbij gevoegd onder Sub: Letter A is aangetoond, terwijl uit dito teekeningen zoo van het 1e als 2e Etablissement onder Sub: Letter B en C zal kunnen nagegaan worden; hoe weinig dat de hoogere ligging der gronden van het binnenplain van het 3 Gesticht, in hare ware situatie voorgesteld in vergelijking van de binnen pleinen van het 1e en 2 Gesticht voor de gezondheid nadeelig, in het oog, moet voorkomen;

wanneer men opmerkt dat de Cubic Ellen inhoude van Luchtdeelen, welke door de Profil dwars Teekeningen waargenomen wordt, en welke Lucht door de aanhoudende Winden, en daardoor Verplaatsing van Lucht onophoudelijk werkzaam is, om al dat geene wat onaangenaam is verspreid en binnen den omtrek van de Gestichten besloten te verplaatsen en te zuiveren; en het zal den bestendigen bezoeker alleen kunnen blijken of dat het boven aangemerkte gegrond zij of niet.-

Wanneer men de nadeeligen invloed uit het bestaan van de Sloot en het meerder hoge Plein ook zoekende; vanwaar dan de geheele wijking der buitengewoone Ziekte en Sterfte? daar in de laatste zes Weken slechts 2 kinderen overleden zijn, terwijl de situatie van de evengenoemde Sloot nog dezelfde is, en daarbij het zeer ongunstige Saisoen ook nog zeer ten nadeelen der Ziekten in aanmerking komt.-

Het is voorzeker noodzakelijk om bij eene zoo aanhoudende ziekte en sterfte, veele veronderstellingen te maken, ten aanzien van de oorzaken waardoor de ziekte zoo niet geheel dan toch, ten deele zoude kunnen ontstaan of verergeren, en al het gene na te gaan hetwelk daartoe als zoude kunnen bijbrengen.

Daar nu een geruimen tijd van ruim vier Jaren verstreken zijn, in welken de ziekte zoo onderscheiden in geaardheid is geweest; zoo zijn voorzeker ook veel gissingen gemaakt nopens derzelver oorzaak, van daar dat zoo wel de wijze van behandeling als die der voeding dikwijls verondersteld is geworden bij eerstgekomene kinderen nadeelig te werken, ik zal daarom den toestand van eenige dier kinderen zoo na mij  mogelijk is van derzelver aankomst af beschouwen en de middelen tot wering van de Ziekte onder dezelve aangewend nagaan.-

In de Maand Meij 1826 zijn van Amsterdam in het 3 Etablissement gevestigd 81 kinderen door elkanderen den ouderdom van 5 a 6 Jaren hebbende bereikt.-

Deze kinderen waren voor derzelver aankomst allen bij Minnen in Amsterdam besteed geweest; en zagen bij hunne Vestiging in het Gesticht er bijzonder goed uit; zij bleven gezond, tot de Maand September 1826, tevens ook Aug.(??), dan na dien tijd begon de kinderlijke Levendigheid te verminderen, en naar hunne bleeke kleur en scheenen veelen onder hen aan het heimwéé te Laboreren.

De kinderen ondervragende gaven ook meest allen het antwoord, dat zij om hunne  Minnemoeders treurden, en de gevolgen veroorzaakten onderscheidene strefgevallen, zoo dat men meer en meer gevoelde dat er eene aanmerkelijke verandering met deeze kinderen behoorde plaats te hebben.-

Den Heer H. Smit toenmalige Geneesheer alhier oordeelde dat welligt de uniforme behandeling voor zoodanige kinderen niet geschikt was; zoo wel de Voeding als de overige verpleging werdt door Zijn Edele ondoelmatig geoordeeld; de Hangmatten; en zelfs de steenen bevloering werd als nadeelig beschouwd, ten gevolg waarvan de Directie gehouden werd om eenige veranderingen ten aanzien van die kinderen te beproeven.-

De Permanente Kommissie van Weldadigheid de ongelukkige toestand der Kinderen hartelijk Wenschende Verbeterd te zien; verleende authorisatie om alles te doen, wat immer tot behoud en voorkoming dier ziekte konde aangewend worden.-

Twee der Zalen N 5 & 6 heb ik tot dat einde laten inrichten, zoo als die thans nog voor Ziekenzalen worden gebezigd, de hangmatten in dezelve ontruimd en in derzelver plaats houten kribben daargesteld, om twee kinderen tezamen te laten rusten – de geheele oppervlakte der Zalen van eene goede houten vloering doen voorzien, en de noodige kachgels tot verwarming geplaatst; deeze twee Zalen waren alzoo geheel van de overige van het Gesticht onderscheiden.-

Vervolgens heeft men de Kinderen in plaats van roggenbrood, Tarwenbrood en beschuit doen geven, terwijl de Menage voor Middag Eten zeer werdt afgewisseld bestaande uit goede voedende rijstsoep met rundvleesch, Gort en ander spijze voor zieke kinderen geschikt, terwijl  het geven van morgen en Avond Eten, bestaande meerendeels in boterhams ook sago, niet juist op bepaalde tijden, maar naar gelang der behoefte van het kind verstrekt werdt; zoo als aan kinderen in de gewoone huishoudingen, alwaar men over het geheel de aller gezondste kinderen aantreft;

Met deze bijzondere wijze van verpleging heeft men ruim een Jaar volgehouden; en het zoude waarschijnlijk eene algemeene maatregel voor Kinderen van dien ouderdom zijn geworden, wanneer men daardoor eene algemeene welstand onder kinderen had  mogen zien: dan, het tegendeel heeft bestaan, en daar men in geene gevallen heeft kunnen bespeuren, dat de bijzondere aangewende maatregelen eenige verbetering hadden veroorzaakt, zijn wij ook met de Verpleging van de kinderen tot de gewoone wijze teruggekeerd, en daarna dezelve naar het 1e Etablissement overgeplaatst alwaar zij gezonder wierden, en minder stierven.

Bij de inrigting van evengenoemde Zalen was het getal 70 kinderen alle van Amsterdam aangekomen, waarvan tevoren reeds 6 kinderen overleden waren.-

Bij de aankomst van de bedoelde 81 kinderen waren er geene ziek, terwijl daarvan aan de gevolgen als voorzegd op den 30 Novemb. 1826,- 6 kinderen waren overleden, en 5 vertrokken, dus waren die kinderen ten getale van 70 bij elkanderen toen wij dezelve in de geheel anders ingerigte Zalen hebben gevestigd.-

Gaan wij nu na welke resultaten de nieuwe inrigting der zalen en de nieuwe wijze van verpleging hebben opgeleverd;

Dit staatje staat apart, als pdf

Deeze kinderen zijn door elkander den tijd van 6 maanden op de buitengewoone Wijze verpleegd, en alzoo van de 70 in 6 maanden 11 gestorven zijn, is dit bijna het dubbeld getal als hier boven bij  de gewoone wijze van verpleeging is gestorven.- Zie bijgevoegde Staat Letter IJ.-

Hieruit blijkt alzoo dat de bijzondere inrigting en verpleging van geen gunstige uitwerking is geweest en dat de buitengewoone ziekten in het 3 Gesticht niet in de Wijze van Voeding en verdere verpleging van het kind kunnen gezocht worden:

Ten meerdere bewijze daarvan moeten wij aanvoeren dat ons is gebleken dat andere kinderen ook van Amsterdam van denzelfden ouderdom hier gevestigd in hetzelfde tijdvak in de gewoone Zalen verpleegd over het geheel veel gezonder zijn gebleven en de sterfte onder dezelve aanmerkelijk minder is geweest.-

Eindelijk moet ik hier nog een bewijs aanvoeren dat de oorzaken der ziekten niet in de voeding en verdere behandeling kan gelegen zijn, mijne eigene kinderen zijn hier de voorwerpen welke zoo in de heerschende ziekte gedeeld hebben, een der eerste van onze vijf kinderen oud 9 Jaren, heeft eene zeer gevaarlijke ziekte gehad, die van den over des ... (??) is terug gekeerd, deeze ziekte was in alle deszelfs deelen van den ergsten en denzelfden aard als die algemeen heerste in het najaar van 1828 (Was diaré)- en een ander onzer lievelingen oud ruim 2 Jaren heeft dezelve ondergaan, doch ons door den dood ontnomen, terwijl een volgend oud Elf maanden ... (??) ook door een dergelijke ziekte is afgestorven: dus twee lievelingen verloren binnen den tijd van een Jaar, terwijl geene zijn ...(??) gebleven maar hebben de andere twee kinderen, ook zeer aan ziektens gelaboreerd.-

wij kunnen echter niet zeggen dat de Ziekte, van het eene kind tot het andere is overgegaan, vermits de ziekte onder mijne kinderen opgenoemd geruime tusschen tijden hebben gehad, en van verschillende aard geweest zijn, en alzoo niet van elkanderen overgegaan.

Deeze mijne kinderen nu zij even als bij ieder fatsoenlijk Burger gevoed en  verpleegd, doch wel in hetzelfde Gesticht waar eene ziekte heerste, welke door mededeeling van andere kinderen bij haar zoude kunnen veroorzaakt zijn.-

Evenwel zoude men kunnen veronderstellen dat drie mijner oudste kinderen te antwerpen geboren ofschoon in de drie eerste jaren hiervan geen ziektens gelaboreerd hebbende, zoo kan men echter niet verzekerd zijn, of zij wel geheel aan dit Luchtgestel genaturalizeerd waren en even aan de ziekten onderworpen geworden als enkelde andere kinderen, welke hier reeds geruime tijd geweest zijn, van de drie oudste kinderen hebben wij er dus geene verloren, maar de twee kleinen hierboven, als een van 2 Jaar en het andere van Elf maanden die beide hier geboren zijn, ons afgestorven, omtrent deze twee lievelingen  kunnen wij geen rede geven waardoor de Ziekte is ontstaan.-

Wanneer alzoo in de Wijze van verpleeging, en Soort van Voeding, de voorname oorzaak konde gelegen zijn, van zoo vele Ellendige gevolgen, waar zal ik dan de oorzaken zoeken moeten bij mijne eigene kinderen welke op eene geheel andere wijze behandeld zijn niettegenstaande in eene nog grootere evenredigheid van ziekten gedeeld als de Kinder bevolking van het Gesticht zelve.-

Overigens kan ik niet voorbij aantemerken, dat de Geneeskundige Commissie in het gegevene rapport volstrekt geen gewag heeft gemaakt omtrent de renseignementen  welke ik aan dezelve vooral ten aanzien van de Proefneming van de 81 kinderen van Amsterdam hiervoren opgegeven, had medegedeeld omdat ik veronderstelde dat deze omstandigheden bij de beoordeling der oorzaken van de Ziektens behoorde overwogen te worden,-

 en het is uit dien hoofde dat ik meende de aandacht van deskundigen ook tot de opgegevene bijzonderheden te bepalen, en in verband met de rapporten van de geneeskundige Kommissie te kunnen beschouwen.-

Ten aanzien van de oorzaken der Ziekten welke zoo bijzonder bij eerst aankomende kinderen na eenen geruimen tijd verblijf ondervonden, door mij gade geslagen: geloof ik voor mij hoofdzakelijk in het kind zelve gelegen te zijn, vermeerdert door vreemde aandoeningen, waaraan het tevoren niet gewoon was te leven –

en deeze vervreemding kan op de eene plaats meer en op de andere plaats minder gevolg veroorzaken, waardoor ziekten kunnen ontstaan, zoo als men slechts behoeft op te merken, dat eene vreemde Levenswijze zelfs voor Jongelingen tot den ouderdom van 19 Jaren welke bij de Armee worden ingelijft, hoedanig hun voorkomen in de eerste drie Maanden is, terwijl in dien tijd onder dezelve ook buitengewoone Lieden worden aangetroffen onder hun meer sterven dan van de overige.-

Tot voorkoming van die ziektens heeft de Permanente Kommissie besloten, de aankomende kinderen in de Kolonie Veenhuizen alle vervolgens in het 1e Etablissement eerst op te nemen, om te onderzoeken, of dezelve aldaar na hunne vestiging meer van ziekte en sterfte zullen bevrijd blijven; zoo dat de tijd reeds geleerd heeft dat aldaar de aankomelingen aanvanglijk gezonder blijven.-

Van den tijd alzoo afgerekend dat in het 3 Gesticht geene eerst aankomenden zijn opgenomen is het aantal Zieken beginnen te verminderen, terwijl ook de sterfte zeer  verminderd is, zijnde in de laatste acht weken slechts 3 kinderen binnen het 3 Gesticht komen te overlijden;

zoo wij ons met de hoop mogen streelen, dat in het vervolg door die gewijzigde maatregelen, veele kinderen van die ongelukkige toestand zullen bevrijd blijven.- en de sterfte als boven 3 hoofden in de acht weken en dat ...(??) een bevolking van 854 kinderen dus reeds meer dan tot de gewoone sterfte is verminderd.-

Ik zal mij nu vervolgens bepalen tot eenige ophelderingen ten aanzien van de gemaakte aanmerkingen in het Rapport door den Heere Burgemeester van Norg aan de Geneeskundige Kommissie overgelegd, onder Sub. Letter A.

Voor eerst merkt de Heer Burgemeester Tonckens in zijn rapport aan, de hooge Stand van het 3 Gesticht, en ook het hooge binnenplain in vergelijk van de Vloeren;

in de eerste plaats schijnt ZWEAb onnaauwkeurig te zijn of onduidelijk in de voorstelling van deszelfs bedoeling, daar de hooge Stand van het 3 Gesticht zoo als ZWE achtbare zich uitdrukt, nooit als nadeelig kan worden aangemerkt, welligt is de mening de lage Stand van de begaanen grond of gelijkvloers met opzicht tot de hoogte van het binnenplein; de natuurlijke ligging zal daarvan op de bijgevoegde Platte Grond van het 3 Gesticht en aangewezen dwars Profil Teekeningen worden aangetoond.-

Wijders dat die hoogte als nadeelig voor de gezondheid beschouwd wordende, is even ongerijmd als verstandig aangetoond, wanneer men deeze hoogte vergelijkt bij de hoogte van het binnenplein van het 2e Gesticht, dit plein is in de midden 70 Nederlandsche duimen en dat van het 3 Etablissement slechts 1 El 08 duim boven de begane grond of vloer van het gesticht verheven.-

Dit verschil over het geheele verhoogde gedeelte des binnenpleins, ...(??) de Ringsloot begrepen, zal een Cubic Inhoud bedragen van Pl. Minus 2850 Kubic Ellen minder plaats voor Lucht veroorzaken, terwijl de geheele oppervlakte tusschen het gesticht besloten en gerekend tot gelijks de hoogte van de Kruin van het Gesticht nagenoeg 1 ½ Bunder inhoud, en dus gelijk met eene oppervlakte van 15000 N. Ellen vermenigvuldigd met de diepte of hoogte van ...(??) ruimte die het Gesticht insluit, zoo krijgt men een aantal van 104,290 Kubic Ellen derhalve het 3 gesticht alzoo 2850 Kubic Ellen minder lucht insluit zoo verkrijgt men 101,440 Kubic Ellen zoo dat de  verhouding van de Lucht van het 2 Gesticht tot het 3 Gesticht als 101 tot 104 of een verschil van 3/100 gedeelten; welk verschil niet aanmerkelijk is, om daaruit een gezond gevolg te beredeneren.-

Wat aanbelangd het duidelijk uit de ...(??) en de Lucht op ongestrate gronden  komende, kan immers zoo vele ziektens niet veroorzaken wanneer men nagaat dat ook alle buitenbewoners aan het 3 Gesticht, zoo wel als derzelver kinderen (daar de woningen van dezelve ook van geene straten zijn voorzien) aan onbestraten Weg wonen, en onder dezelve evenwel een diergelijke ziekte niet ontstaat, als bij de kinderen binnen het Gesticht.-

Wat aanbelangd de verwarming der kinderen, door de tegenwoordige twee kagchels in iedere zaal: zijn reeds drie winters te vooren voldoende geweest, doch zullen wij niet ontkennen, dat dezelve bij de koude van twee gestrenge dagen die wij gehad hebben, wel verbetering te wenschen over hebben gelaten; uit welken hoofde men reeds Bezig is om de Verwarmingen op een of andere wijze trachten te verbeteren;-

de Burgemeester zegt ten dezen aanzien dat er in eene Zaal slechts eene kagchels aanwezig was, hetgeen door ZWEdAbare in dit Gesticht niet al zoo bevonden is, daar in iedere Zaal twee kagchels hebben gestaan, maar ZWEdA heeft hier bedoeld, zoo ik meen, de zalen van het 2 gesticht waar Bedelaars zijn gevestigd, die meest alle volwasschen menschen zijn, en in lange na zoo veel verwarming niet behoeven als kleine kinderen.-

De Heer Burgemeester heeft alzoo ten aanzien van de verwarming van de kinderen in het 3 Gesticht een misslag begaan; en zulks konde zeer gemakkelijk geschieden daar ZWEdAb in persoon daartoe niet in het 3 Gesticht is geweest.-

De beoordeelde Kwaliteit van het aardappelbrood zal ik met stilzwijgen voorbijgaan, en ook alle aanmerkingen door ZWEDAb daaromtrent gemaakt.- aangezien de beoordeeling daarvan aan de bezigtigers mag worden toevertrouwd.-

Ook de Kwaliteit van de Aardappels zal ik niet behoeven te wederleggen, aangezien dat juist die soorten van Aardappels waarvan de Burgemeester melding maakt de beste soort waren; en wel ruim zoo deugdzaam zijn geweest, als die bij de boeren onder zijne gemeente verbouwd wierden;

ofschoon nu in de laatste gerooijde aardappels soorten, hier en daar een aardappel gevonden werdt, welke sappig was; is dit nu een bewijs deez juist geconsumeerd zijn, en een ieder die de behandeling van de aardappelen kend, weet zeer wel, dat een aardappel welke zacht geworden is, niet geschild kan worden, veel minder gekookt en geconsumeerd, en alzoo onder de schillen worden weg gesmeten.-

Vervolgens dat aan de Houwelerwijk vreemde aangekogte arrdappels voor de vorst zijn ingekuild, is waarheid, maar dat dezelve in de Strenge vorst zijn getransporteerd is onwaarheid, de geschikte dagen in den Winter zijn daartoe waargenomen, zonder dat de aardappels daardoor geleden hebben.

Wat de Heer Burgemeester opgeeft, dat er Gallige Schapen zouden geslacht zijn, en aan de kinderen zouden verstrekt zijn, het geen ZWEdAb tracht te bevestigen door dien de Prezeerder de tien schapen op 2 ½ Gulden had gewaardeert, en dat dien persoon op de billetten soms vermeld had dat de schapen niets waardig waren;

indien het laatste waarheid is, dan zoude dezelve de Maatschappij de accijns ten onregte hebben doen betalen, zich aan Knevelarij hebben schuldig gemaakt, doch ik verklaar dat de Preseerder de geslachte Schapen nimmer in Persoon tot slagting heeft geexamineerd, en daardoor de Waarde ook niet kon beoordeelen, terwijl hij van den anderen kant zich van Pligt verzuim ten nadeele van ’s Rijks kas zoude hebben schuldig gemaakt, zoo dat de registers van den ontvanger hier toe slechts bewijzen zouden zijn welke in dit geval dus van geen Waarde zijn.-

Ook de Burgemeester verklaart dat veele Schaapen gestorven onbegraven op het veld zijn blijven liggen, en toen den Heere Adjunkt Directeur Drijber heeft doen aanzeggen dezelve te willen doen begraven.-

Evenwel verklaart de Heer Drijber nimmer daartoe aanzegging te hebben ontvangen, ofschoon wij niet ontkennen willen er onderscheidene Schapen gestorven zijn, uit welken hoofde men van de troep van ruim 1000 Stuks schapen 80 schapen van de beste geslagt, doch alleen bij het 2 Etabl. Geconsumeert zie verklaring Letter H.- en Z,

Ten aanzien van het verstrekken van meer Peper in de Menage aan kinderen, heeft men overeenkomstig de voorschriften van eene Geneeskundige daartoe in het Gesticht gehandeld, dit gebruik is echter na geruimen tijd vermindert, en men heeft niet kunnen bespeuren dat het gebruik van Peper van eenige nadeelige uitwerkingen is geweest, veel éér, zijn in die tijden wanneer de Peper in een grotere hoeveelheid gebruikt werdt, veel minder ziekten en sterfgevallen geweest, en de reden van het verminderde gebruik van Peper wederom gevolgd; is uit de waarnemingen van eerstaankomelingen volgens welke is gebleken dat die kinderen door het meerder gebruik van Peper, niet van de ziekte  verschoond zijn gebleven, en alzoo ook door Dokter Sasse om andere redenen tot de gewoone hoeveelheid verminderd.-

De aanmerkingen omtrent de Wijze van het koken der Aardappels, en het éékigere Water wanneer de aardappels ongeveer gaar zijn, daar af te nemen is ons reeds in het Jaar 1827 als doelmatig voorgekomen, en tot welk einde ik grote witten van ???? gemaakte manden heb laten maken, die Juist in de Kookpotten sluitende waren; waarin de aardappels in de Potten, gaar geworden, wierden uit de Pot genomen, terwijl daarna ’t eekigere water uit de Potten genomen, en de Aardappels wederom in de Kookpotten werden gedaan, en daarna de Groentens in een tweede pot, voorafgekookt, met de aardappelen vereenigd werden, met Rund, Schapen of Varkensvleesch;

deeze wijze van kooken heeft men wel een jaar gecontinueerd; doch daar de Gezondheid der kinderen daardoor niet heeft toegenomen, hebben wij vervolgens het éékigere Water uit de Potten waarin de aardappelen gaar waren, tot den bodem afgeschept; en eindelijk als alle deze Wijze van bereiding van spijzen veel nadeel zoude hebben veroorzaakt, van waar dan nu de Gezondheid der Kinderen in  het algemeen?

Zoo dat het getal van zieken thans van de 854 slechts 20 hoofden is-en-binnen de laatste 8 weken 3 kinderen zijn overleden.

Op den 23 Januarij zegt de Burgemeester was er geen Turf voorhanden in de Kolonie; dat moeten wij tegenspreken, aangezien er meer dan 50 DagWerk in de Turfgraverij was, doch welke uit hoofde van het ongunstige Saisoen niet droog genoeg geworden was, en daar men in deze nabijheid genoegzaam in de gelegenheid was van Vreemde Turf aantekoopen, zoo is men daarmede tijdelijk begonnen, blijkens bijgevoegde verklaring onder Letter Y; doch het Transport daarvan over de vorst het geschikste kunnende geschieden, en waarmede men ook juist eerst begonnen is, toen de Winter bestendig was, zonder wezentlijk gebrek voorzien hebben, zoo heeft de Burgemeester voornoemd evenwel andere berigten daarvan overgegeven.-

Hoezeer de Burgemeester in zijne berigt nú verklaart, dat de koude in de Zalen van het 2 Gesticht zeer groot was, zoo heeft ZWEdAb aan den Heer Drijber ook verklaart, dat hij de Zalen warm vindende, zelfs warmer, als de woningen van zijne gemeente; zoo dat zijne geheugen, van het bestaand gebrek van Turf en aanmerkelijke koude in de Zalen ook abusivelijk is opgegeven.-

En indien het gebrek zoo groot was, waardoor de kinderen dan veel zouden geleden hebben waarom heeft dan de Burgemeester zich niet eenmaal aan het 3 Gesticht vertoond, dan had ZWEdAb zich in zijn rapport van geen geruchten behoeven te bedienen, en daar de Burgemeester hier ter woon slechts ¾ uur van het 3 Gesticht verwijderd is, zoo verwonderen wij ons dat hij Burgemeester zich van alle die ongunstige berigten niet eens heeft willen overtuigen.-

ZWEdAb zoude dan bevonden hebben, dat in iedere Zaal twee kagchels stonden, en dat de koude Ja buiten ernstig doch binnen de Zalen eene gematigde warmte was.-

Omtrent het dragen van Turf door Jongens, vergist de Burgemeester zich ook deerlijk, vermits de afstand in de eerste plaats slechts ¼ uur in plaats van ¾ uur van het Gesticht verwijderd is, deze Turf stond bovendien op eene plaats van waar dezelve niet met wagens konde vervoerd worden, terwijl de Jongens die deze transporten van turf deden zich daaraan gaarne verbezigden, uit hoofde er voor het overige geen arbeid konde verricht worden, en zich daardoor meer vermaakten, als wel dat zij daardoor te lijden hadden.- zie verder verklaring onder Letter Z.A.-

Belangende de menigvuldigde sterfgevallen welke in de onderscheidene jaren hier hebben plaats gehad zal voorzeker een ieder zich daarover verwonderen moeten.-

Den Heere Burgemeester van Norg schijnt de oorzaken van die sterfte te willen zoeken in de wijze van verpleging, voeding en behandeling terwijl den Heere Sluis President van de Geneeskundige Comm. Van Drenthe  van een tegenovergesteld gevoelen is, en met welk gevoelen en wijze van denken van het 3 Gesticht ik mij gaarne vereenig.

En thans heeft men zoo ‘k meen de overtuigenis te bewijzen dat de oorzaken van de Sterfte niet in de Veronderstellingen van den Burgemeester kunnen gezocht worden, en ook niet in de oorzaken door de Leden der Geneeskundige Commissie van Groningen en Overijsel, vermits de Sterfte en Ziekte nu reeds twee maanden herwaards is geweken, in welken tijd slechts 3 kinderen zijn overleden terwijl nog in Voeding, nog in die overige Wijze van verpleging eenige veranderingen hebben plaats gehad, en dus mogen wij ons nu met blijdschap bewonderen, over de verandering van de zieke kinderen welke men nu daar dezelve bij het 1 Etablisst worden opgenomen, aldaar in grooter getal als te voren zal aantreffen- en juist onder de kinderen welke eerst aangekomen zijn.-

Zoo dat de voorname Oorzaak van de Ziekte en Sterfte in het kind zelve moet gezocht worden, met betrekking van de Verandering die hetzelve ondergaat zoo van eene andere Lucht, ongewoonte, Verwijdering van Familie en verandering van Voedsel.-

Eindelijk moet ik op de gierige aanmerkingen van de Burgemeester aanmerken  dat de Voeding in het 3 Gesticht zonder daarvoor eenige Centen meer te behoeven te besteden, overtreft de Voeding welke de Boeren in zijne Gemeente bereiden overigens daaromtrent berustende in het Persoonlijk onderzoek dat voor een ieder dagelijks daaromtrent kan gedaan worden.-

Hiermede eindigende in de hoop dat geene der Ellendige oorzaken van buitengewoone ziektens en sterfte het Lot van de kinderen in de Gestichten van Weldadigheid meer zullen treffen.-

Aldus opgemaakt,
Veenhuizen 3 Etablisst den 20 Augustus 1829
De Adjunkt Directeur
Ads de Geus

In dit rapport is enkele malen sprake van bijgevoegde verklaringen. Het is onduidelijk of die ook met de officiële reactie van de permanente commissie zijn meegezonden. Ik heb een aantal verklaringen gevonden, die wel over het algemeen andere letter-aanduidingen hebben dan De Geus hierboven noemt.