Een korte introductie over de Maatschappij van Weldadigheid

Januari 1818 presenteerden twaalf vooraanstaande Nederlanders een plan om de in die dagen immense armoede te bestrijden. Zij riepen hun landgenoten op ťťn stuiver contributie per week bij te dragen aan de realisering van hun plan, wat - gezien het 'algemeen erkend weldadig karakter onzer natie' - geen probleem moest zijn. De baten zouden besteed worden aan 'het aanleggen eener fabricerende en landbouwende Kolonie van armen op onze nog onbebouwde heidevelden'.
Het ambitieuze en unieke initiatief kreeg de naam Maatschappij van Weldadigheid. Voorzitter was Prins Frederik, de jongste zoon van koning Willem I, maar de stuwende kracht was de toen 38-jarige generaal-majoor Johannes van den Bosch. De commissie van twaalf werd niet teleurgesteld in haar verwachtingen.
Van Zierikzeesche Courant tot Provinciale Groninger Courant wordt juichend melding gemaakt van deze Ďverbroedering, welker doel zoo edel en pligtmatig isí, vanaf kansels  worden oproepen gedaan, sympathiserende notabelen laten plakkaten verspreiden, in de  betere buurten gaat men van deur tot deur, de Maatschappij van Weldadigheid kortom, is niet over het hoofd te zien.
En het slaat geweldig aan.
Het algemeen erkend weldadige karakter van ons volk bereikt euforische hoogten, heel Nederland wil dat dit dorp geopend wordt. (De proefkolonie blz. 15)

Al in juli 1818 waren er 14.000 contribuanten, extra giften en legaten stroomden binnen, in elke Nederlandse stad werd een plaatselijke 'subcommissie van weldadigheid' opgericht. Er werd grond gekocht in het dunbevolkte en toen nog grotendeels onontgonnen Drenthe. Tussen de plaatsen Steenwijk en Vledder werd in september van hetzelfde jaar begonnen met de bouw van een proefkolonie die Frederiksoord ging heten en die vanaf eind oktober 1818 bevolkt werd. De gebeurtenissen daar zijn beschreven in het boek De proefkolonie.

Het idee was dat het project financieel neutraal zou zijn. De startkosten werden vertaald in een schuld waarmee alle kolonisten begonnen. Door hun werk en door de opbrengst van hun land en de opbrengst van spinarbeid, losten zij de schuld af, wat via ingewikkelde berekeningen in 'schuldenboekjes' werd bijgehouden. Zodra de schuld was afgelost, zouden ze vrijboer worden en uit hun 'half-dierlijke staat onttrokken' zijn. Kortom, de arme moest onafhankelijk worden van liefdadigheid, want liefdadigheid leidde slechts tot verloedering. Hij moest leren de eigen kost te verdienen.

Dat het resultaat van de proef niet werd afgewacht, lag vooral aan de uitermate daadkrachtige Johannes van den Bosch. Al eind 1819 werden huisjes bijgebouwd, in snel tempo gevolgd door de koloniŽn Willemsoord (1820) en Wilhelminaoord (1821). In een paar jaar tijd verrezen zo'n vierhonderd hoeves. Dit waren de 'vrije koloniŽn', al werd de vrijheid van kolonisten sterk ingeperkt door reglementen en tuchtcolleges.

Vanaf 1822 sloeg de Maatschappij nieuwe wegen in en bouwde zij ook grote gestichten. Eerst op een verlaten vesting in de buurt van Ommen, de Ommerschans. De gebeurtenissen en de mensen daar worden beschreven in het boek De bedelaarskolonie.
De jaren erop werden in de buurtschap Veenhuizen drie grote gestichten of etablissementen gebouwd. De Ommerschans en Veenhuizen heetten in de wandeling de 'onvrije koloniŽn' en daar werden gehuisvest:
- bedelaars, mensen die op verdenking van bedelarij of landloperij waren opgepakt;
- weeskinderen, die hier goedkoper konden worden opgevoed dan in een weeshuis in de stad;
- gezinnen die meer begeleiding nodig hadden dan vrije kolonisten, de zogenaamde 'arbeidershuisgezinnen';
- voor straf opgesloten vrije kolonisten (strafkolonisten of bankolonisten of walkolonisten omdat ze op de wallen van de Ommerschans woonden);
- militaire veteranen, die tegen vergoeding werden overgenomen van het Ministerie van Oorlog.
En rondom de etablissementen waren vrijboeren (of hoevenaars of bouwboeren) gevestigd, gepromoveerde vrije kolonisten wier land door de bewoners van de gestichten werd bewerkt.

In 1825 stopte de groei van de Maatschappij. In de zeven jaren van haar bestaan was het maatschappelijk draagvlak allengs kleiner geworden. De gegoede burgerij zag dat het stadsbeeld bepaald bleef door 'leediggangers en straatschuimers' en verloor haar geloof in het plan. Financieel-economisch werd het een ramp. Slechts weinig kolonisten slaagden erin een 'zelfbestaan' op te bouwen, de Maatschappij had hulp van de overheid nodig om haar schulden te betalen.

Voor de kolonisten boden de koloniŽn wel een zekerheid van bestaan, met daarbij ook relatief goede huisvesting, goede medische voorzieningen en goed onderwijs. Het werd een maatschappij in de maatschappij, een eigen wereldje dat - tot vreugde van de geschiedschrijvers - heel goed gedocumenteerd en geadministreerd werd zodat er heel veel bijzonderheden te vinden zijn over het dagelijks leven van kolonisten en personeel.

December 1859 werden de gestichten op de Ommerschans en in Veenhuizen overgedaan aan de staat. De vrije koloniŽn konden vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw zonder overheidssteun op de been blijven en bleven bestaan tot in de twintigste eeuw.