Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie uit de notulen van het verhandelde in den kleinen raad gedurende de maand December 1825


Zaturdag den 3 december 1825

Verscheen in den raad:

1. Hendrik Sabelis, kolonist in kol1, vragende voor 14 dagen verlof, om te reizen naar zijne vorige woonplaats Haarlem, waar hij, volgens zijn gezegde, met zijne twee broeders iets te deelen had. Is goed gekleed en heeft 18 stuivers reisgeld.
In aanmerking genomen zijnde, dat Sabelis zich goed gedraagt, en in zijnen toestand matig goed te vreden is.
Is onder nadere approbatie van den Heer Direkteur besloten:
a. Faaken zal hem het te kort komende reisgeld, tot zijne terugkomst voorschieten;
b. Het verlof, als zijnde noodzakelijk, toe te staan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geapprobeerd.


2. Wijhl, kolonist in kol no 1, klagende dat de 33 stuivers fabriekwerk die hem in deze week waren laten verdienen, niet genoegzaam waren om te kunnen bestaan, daar hij noch zelf, noch iemand anders uit zijne huize, tot den veldarbeid geschikt was.
De opgemaakte lijst van het fabriekwerk nagezien hebbende, is gebleken, dat deze Wijhl daarop is aangeslagen op ƒ 3.- per week.
Hen is de belofte gegeven, dat de raad in dezen over hem ten gunstigste zoude beschikken.

3. Albert Mooij, kolonist en somtijds opziener in kol. 2, verzoekende om met zijnen zoon voor 14 dagen naar de oude Pekel. prov Groningen, te mogen gaan. Is zeer goed gekleed, van genoegzaam reisgeld voorzien, en alle leden van den raad houden veel van dezen kolonist.
Waarom hem, onder nadere approbatie van onzen Heer Direkteur, dit verlof is toegestaan, en hem tevens te kennen gegeven, dat hem hetzelve daarom zoo gereed werd toegestaan wijl hij zich zo braaf gedroeg.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geapprobeerd.


4. De kolonist Marinus, in kol no 2, verzoekende voor 14 dagen met Mooij te gaan naar Groningen, om zijne familie te bezoeken.
De leden van den raad, op dezen Marinus wel niets te zeggen hebbende, als gedragende zich zeer wel en vlijtig, hebben echter goedgevonden, hem deze reis af te raden, en wel om deze redenen:
a. Marinus is voor eenigen tijd belast geworden met het voeren der schapen. en kan daarbij niet wel gemist worden.
b. De voorgenomen reis kan tot het voorjaar wel worden uitgesteld, dit verklaart hij zelf.

In de kantlijn bijgeschreven: Den Heer Direkteur neemt genoegen in deze handeling van dezen raad.


5. Jan Marinus, ingedeelde wees bij Horst, en zijne zuster Meijntje Marinus, voor enige tijd terug gekomen van de Ommerschans, thans ingedeeld bij Leonhardt, beide in kol no 2, verzoekende voor 12 dagen te mogen gaan naar Bolsward, waar hunne zuster woont.
Daar dezelve geene toestemming van de Subkommissie van Leeuwarden, door welke zij gezonden zijn, hebben. is hen aangeraden, die vooraf te vragen, en dan dit verzoek te vernieuwen.

In de kantlijn bijgeschreven: Insgelijks in dit geval.


6. Vrouw Lutchering van Willemsoord, verlof vragende om voor drie dagen te mogen gaan naar Zwol, en daar dezelve van reisgeld en goede kleeding voorzien is, heeft de raad besloten, dit verlof, onder nadere approbatie van onzen Heer Direkteur toe te staan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geapprobeerd.


7. Mook en zijne huisvrouw, kolonisten in kol no 2, klagende dat laatstgemelde gepasseerde woensdag, bij gelegenheid, dat zij een open briefje van den Adjunkt Direkteur Bersma, houdende verzoek aan den onderdirekteur Bosma, om de geringe kleeding van haar kleinste kind eens te willen opnemen, en daarin zoo veel mogelijk te voorzien, door haren onderdirekteur op eene beleedigende wijze was behandeld geworden.
Nadat de onderdirecteur Bosma zich uit den raad verwijderd had, gaf zij te kennen, dat haar door den onderdirekteur de harde woorden waren toegevoegd: 'Gij zijt een verwaarloozer!' en na hem aangezien te hebben, nog daarbij: 'Ik wil niet hebben, dat een kolonist mij in de ogen ziet', waarop hij zijne deur had gesloten, en haar buitengelaten. Zij klaagt dat haar dit om twee redenen bijzonder grieft:
1. Wijl zij op haar geweten gerust verklaren kan, nooit eenig koloniaal goed te hebben verkocht of weggemaakt, maar in tegendeel de kleeding harer huisgenooten altijd zuinig bewaard en wel onderhouden heeft, in het lappen en stoppen, hetwelk zij een ieder kan laten zien.
2. Omdat zij zelve om geen kleeding voor haar kleinste kind heeft gevraagd, dewijl zij wel wist, reeds meer ontvangen te hebben dan haar kleedingfonds toeliet, maar hiertoe was aangespoord geworden door den Heer Bersma.
Door de aanwezende leden van den raad is Mook en zijne vrouw beloofd, dat deze zaak nader zoude worden onderzocht, en naar bevind van zaken gehandeld.
Na het weggaan dezer lieden kwam den onderdirekteur Bosma weder binnen en zeide dat hij aan vrouw Mook gezegd had, dat zij een verslinder was, omdat hij aan dit huisgezin sedert eenen geruimen tijd zoovele goederen had gegeven, en zij nu bij deze gelegenheid nog geklaagd had, dat hare kinderen naakt moesten loopen, waarop hij haar toegevoegd had: “dan zijt gij een verslinder!” en wat het verbieden hem in de oogen te zien betrof, zegt hij, dit zoude wel daarvandaan gekomen zijn, dewijl vrouw Mook hem zoo boos had aangekeken.
Ook aan den onderdirekteur Bosma is te kennen gegeven, dat dit geval door eene kommissie geexamineerd zoude worden, ten einde zoo veel mogelijk de klagten der kolonisten te doen ophouden.

In de kantlijn bijgeschreven: Den Heer Directeur vindt goed dat deze zaak niet door eene kommissie, maar door den Adjunct directeur Bersma van weerszijden wordt geredresseerd.

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr



Zaturdag den 10 december 1825

Hebben heden aan den raad verzocht om met verlof buiten de kolonie, naar hunne vorige woonplaatsen voor 14 dagen te mogen gaan:

1. Steenhuizen, uit kol no 1,
2. Mook, uit kol 2,
3. Grondhout, uit kol no 1,
4. Vrouw Wagenmaker, uit kol no 3.
De drie čersten is geraden, met dat verlofgaan nog eenigen tijd te wachten, doch aan laatstgemelde, welke een zwager had die schipper was, en nu juist gereed lag, om naar Enkhuizen, van welke plaats zij afkomstig was, te vertrekken, en met 14 dagen ook wederom met zijn schip retourneerde, en zijne zuster verzocht had mede te reizen, is dit verlof, onder nadere approbatie van onzen Heer Direkteur, dewijl zij van reisgeld en de noodige kleeding voorzien is, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is toegestaan.

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr



Zaturdag den 17 december 1825

Compareerden voor den raad:

1. Marten Prins, kolonist in kol no 1, verlangende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Veendam, ten einde zijnen vader, oud 91 jaren, en ziekelijk zijnde, te bezoeken; vertoonende ten bewijze der waarheid eenen brief, is van kleeding en reisgeld voorzien en gedraagt zich wel.
Onder inwachting der noodige approbatie, is hem dit toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geaccordeerd.

2. De schoenmaker Steenhuizen, van kol no 1, vragende verlof om voor 14 dagen te mogen reizen naar Amsterdam; is van kleding en reisgeld voorzien.
Is insgelijks, onder dezelfde voorwaarde, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Als boven.

3. Willem Polman, ingedeelde wees bij Hendrik Jakobs, kol no 2, vertoonende eenen brief van zijne besteders, met vergunning van hunnentwege om eenen oom te Zwolle te mogenh bezoeken. Daartoe vraagt hij ook verlof van den raad, is van kleeding en reisgeld voorzien.
Is toegestaan als boven.

In de kantlijn bijgeschreven: Als boven.

4. De kolonist Mulder, uit kol 2,
5. De kolonist van Duuren, uit kol 2.
De eerste verlangt naar Haarlem en de tweede naar Utrecht te reizen.
Dan, door de leden van den raad hierin zwarigheid gemaakt zijnde, is hun zulks afgeraden, en op welken raad zij hunne reis eenigen tijd zouden uitstellen.

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr



Zaturdag den 24 december 1825

Verschenen voor den raad:

1. Mailly, kolonist in kol No 2, ons voorstellende het bezwaar, dat hij had in het onderhoud zijner twee koeijen, daar hij tegenwoordig al niets meer te eten had.
De onderdirecteur had hem de eene koe willen afnemen, tot vroeg in het voorjaar, en dan wederom te rug geven, maar neen, hij wilde liever des nachts werken, dan eene der koeijen afstaan.
Hij zegt, zijne mest wel noodig te hebben, vraagt om hooi voor zijne beesten.
Aan dezen werkzamen kolonist is den raad gegeven, dat hij zorgen moest wat hooi aan te koopen, en dat hem dan van wege de Maatschappij ook wat zoude worden toegeschikt.

In de kantlijn bijgeschreven: De Heer Direkteur neemt in deze handeling van den raad genoegen. De Maatschappij zorgt voor het hooi van de eene en Mailly zelf voor dat van de andere koe.

2. Meijer, uit kol 1, verlangt naar Delfzijl,
3. Ponse, uit kol 3, verlangt naar de Ommerschans,
4. v.d. Sluis, uit kol 3, verlangt naar Utrecht,
5. Brand, uit kol 3, verlangt naar Purmerend,
6. Kl. Batink, uit kol 3, verlangt naar Kampen,
te gaan.

Deze gevaarlijke togten zijn onze kolonisten met alle mogelijke omzigtigheid afgeraden. In het voorjaar zullen zij eens wederkomen.

7. Mook, van kol 2, te kennen gevende, met nieuw jaar noodzakelijk in Utrecht te moeten zijn, bij zijnen ouden vader; is van kleeding en reisgeld voorzien.
Onder nadere approbatie wordt dit toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is geapprobeerd.

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaturdag den 31 december 1825

Verzoekt om voor 8 dagen met verlof te gaan naar Utrecht de kolonist Hofman van Willemsoord, kol 3, ten einde eenige gelden te halen van zijne vrouws moeder, hetwelk met nieuwjaar ontvangbaar was. Reisgeld en behoorlijke kleeding is aanwezend.
De vlijt en oppassendheid dezer lieden in aanmerking nemende, is hem dit verlof, onder inwachting der noodige approbatie, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Als boven.

De Heeren onderdirekteurs klagen dat de kolonisten het tot spinnen benoodigde vlas, op de zalen niet kunnen bekomen, en het zoo doende niet tot de hoogte van fabriekwerk kunnen brengen, welke op hunne winter?? is aangegeven. Dit zoude veroorzaakt worden door vertraging in het hekelen.
Gezamenlijk is overlegd en besloten dat de Hr. President van dezen raad daarover zoude schrijven aan den Heer Adjunkt-Direkteur der fabrieken, met verzoek om te willen zorgen, dat het in dezen tijd benoodigde vlas gehekeld wierde.

De kolonist Hoffman in kol 1, verlangt, dat de bij hem geplaatste weesmeid Hester van der Mark bij een ander huisgezin ingedeeld worde, terwijl daar en tegen de kolonist De Nekker in kol 3, dewijl zijne vrouw zwak wordt, en geene dochters hebbende, een zoodanig meisje verlangt weder te hebben.
De leden van den raad zouden deze verplaatsing alleszins geschikt vinden, zoo daarin bewilligt mogte worden door de Permanente Kommissie en onzen Heer Direkteur, naar welker uitspraak en goedvinden de gemelde Hoffman en De Nekker blijven wachten.

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.

Voor eensluidend afschrift
De secretaris des kleinen raads,
J.H. van Wolda