Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie uit de notulen van den kleinen raad, maand januarij 1826


Zaturdag den 7 january 1826

In de kleine raad zijn heden verschenen de navolgende personen:

1. Arie Groen, oudste zoon eener weduwe, uit kol 1, verzoekende, evenals op den 19 november des vorigen jaars, zijn ontslag van de kolonie.
Is van Vlaardingen afkomstig, en wordt in het huisgezin zijner moeder als wees beschouwd. Om deze reden is hem nu geraden, voor en aleer hij zijn ontslag bij den Heer Direkteur vroeg, de goedkeuring over dat voornemen van zijne Sub Kommissie te vragen.

In de kantlijn bijgeschreven: De Heer Directeur neemt op zich, dit ontslag bij de Permanente Commissie aan te vragen.


2. Adrianus Bolleman, ingedeelde wees bij Kalbe, klagende niet voorzien te zijn van de noodige verschooning, alzoo hij, naar zijn zeggen, slechts een hemd bezat. Ook verzoekt hij, dat zijn zere hoofd, hetwelk reeds meer dan 20 malen was getrokken, doch niet genezen, wederom getrokken mogte worden.
De raad hierover niet dadelijk kunnende oordeelen, heeft Bolleman te kennen gegeven, dat de toestand zijner verschooning eerstdaags zou worden opgenomen, terwijl hem is aangeraden, zijn zere hoofd dagelijks eenige malen met zuiver schoon en koud water te waschen, waardoor reeds menigeen was genezen geworden.

In de kantlijn bijgeschreven: De Heer Directeur oordeelt goed te zijn, dat de verschooning van Bolleman onderzocht, zoo noodig verbeterd, en indien zijn hoofd niet spoedig geneest, hetzelve nog eens weder getrokken worde.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaturdag den 14 january 1826

Zijn voor ons gecompareerd, de navolgende kolonisten als:

1. Corba, wonende in kol.No 1, wijk 3, verzoekende met zijnen oudsten zoon te mogen gaan naar Woerden, over Utrecht, vertoont ons eenen brief van eenen aanverwant, in laatst gemelde stad wonende, die hem aanbiedt, aldaar een goed bestaan te verschaffen, namelijk
voor Corba zelf per week        5-50
en voor zijnen zoon                 4-00
makende alzoo te zamen        9-50

Hij was dus voornemens, ofschoon hij het in zijne tegenwoordige betrekking als kleermaker zeer goed heeft, zijn ontslag van de kolonie te vragen, en dan in Utrecht te gaan wonen.

Daar de huisvrouw van dezen kolonist, bij haar eerste verlof gaan naar Woerden, niet minder dan 17 weken is weggebleven, en de voorgenomene reis in dit jaargetijde zeer moeijelijk en kostbaar zijn zou, heeft de raad hierover niet durven besluiten, voor en al eer men den heer Direkteur hierover had geraadpleegd. Hem is beloofd te dezen opzigte nader te besluiten, waarvan hem zoude worden kennis gegeven.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlof gaan van Corba is door den heer Direkteur geweigerd.


2. Letterie, uit kol. no. 2, te kennen gevende, dat hij ten jare 1824, nadat hij enigen tijd in de kolonie geweest was, drie noppen dekens had moeten ontvangen, welke ook op zijn boekje als ontvangen stonden aangeteekend, en hij slechts twee ontvangen had. Bij deze ontvangst waren er, volgens de getuigenis van den boekhouder van den Eijnden, destijds aan hem gegeven, niet meer voorhanden geweest; om de derde zou hij andermaal weerkomen, dan, toen hij daarom andermaal gevraagd had, was de boekhouder boos geworden, en had hem ijselijke scheld- en vloekwoorden toegevoegd, doch de deken was niet gekomen.
Hij had van dit een en ander, tijdelijk kennis gegeven aan den wijkmeester Keizer, die daarvan dat getuigenis geven kon.
De raad, deze zaak van eene partij gehoord hebbende, kan daarover niet beslissen, doch belooft aan Letterie, dat, zoo dit geval bewaarheid en bevestigd kan worden, hem zeker regt zal worden verschaft.

In de kantlijn bijgeschreven: Daar het geval met dezen deken reeds twee jaren geleden is, en ieder kolonist, die niet volgens de inschrijving van zijn boekje behandeld wordt, zich daarover binnen eene maand, bij zijnen superieur heeft te vervoegen, is de Heer Direkteur van advies, dat wel het zakelijke verschil van den deken onderzocht, doch voornamelijk de boekhouder van kol. no. 2, over zijn gehouden gedrag in dezen onderhouden worde.

 
3. Veenstra, van Willemsoord, verlangende bij gelegenheid van het tegenwoordige ijs, met verlof op schaatsen naar Harlingen te rijden.
Is van kleeding voorzien, en voor zijnj benoodigde reisgeld kan gezorgd worden. Onder ?? der noodige aprobatie van den Heer Direkteur is hem dat verlof toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geapprobeerd.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaturdag den 21 january 1826

De onderdirecteur Schurer stelt den raad voor:

1. Om IJzebrand Rens, gebrekkig en als eigen beschouwd kind, ingedeeld bij Breek, in kol no 3, alwaar dezelve, volgens de verklaring van dr. Schuurman geheel verwaarloosd wordt, tot behoud en herstelling van den ongelukkigen jongen, te verplaatsen bij de wed Zwak, in dezelfde kolonie, alwaar hij zeer goed zoude worden behandeld, en daarvoor per week te betalen -,75.

In de kantlijn bijgeschreven: Daar IJzebrand Rens door de subkommissie van Purmerend bij het huisgezin van Breek, als eigen kind geplaatst is, zoo vindt de Heer Direkteur het ongeoorloofd, denzelve daar weg te nemen, en bij anderen in te deelen, tenzij zulks bij besluit der Permanente Kommissie mogt worden voorgeschreven.

2. Of het verzoek van den huisverzorger Berkenkamp, in kol 3, ook zoude kunnen worden toegestaan. Namelijk, bij Berkenkamp is ingedeeld Maria de Nederlander, waarvan de broeder Willem de Nederlander geplaatst is bij den huisverzorger Kok, in kol no 1, alsmede is bij den eerstgemelden ingedeeld, een R.C. jongetje, genaamd Schuurman.
Berkenkamp verzoekt den broeder van Maria de Nederlander in plaats van den opgenoemden Schuurman, doch verlangt daarbij geenszins den gulden, die tot hiertoe per week voor Willem de Nederlander betaald wordt.

3. Of het ingedeelde meisje Aaltje van Wijk, thans geplaatst bij den kolonist Jan Andries Smit in kol no 3, die van haar verlangt ontslagen te worden, niet overgebracht zoude kunnen worden op kol 1, bij den kolonist van Ooijen, welke om een dusdanig meisje verzocht had.

In den raad is overwogen:
a. De noodzakelijkheid, dat het kwijnende en gebrekkige jongentje IJzebrand Rens, overeenkomstig het voorstel van Dr Schuurman, bij andere menschen ingedeeld en in zijne ziekelijke omstandigheid beter verzorgd worde; doch dit echter bezwaarlijk gevorderd kan worden zonder eenige belooning.
b. Dat Willem de Nederlander thans goed geplaatst is, en de bij Berkenkamp ingedeelde Schuurman, bij verplaatsing gevoegd zoude moeten worden bij een der Rotterdamsche huisgezinnen, in de voormalige 6e kolonie, waar de kinderen algemeen schaars bedeeld en niet zeer gunstig behandeld worden
c. Dat de verplaatsing van Antje van Wijk, bij andere menschen ons als belangrijk voorkomt.

Om welke redenen in den raad, onder approbatie van onzen Heer Directeur, is goedgevonden te bepalen:

1e IJzebrand Rens te plaatsen bij de wed: Zwak en daarvan des weeks te doen betalen 75 centen;

In de kantlijn bijgeschreven: Om bovengemelde redenen niet toegestaan.

2. Het verzoek van Berkenkamp om de boven aangehaalde redenen niet in te willigen.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geaccordeerd.

3. Te verzoeken, dat Antje van Wijk, van kol nr 3, worde overgebracht naar kol no 1, bij den kolonist van Ooijen.

In de kantlijn bijgeschreven: Deze verplaatsing wordt door den Heer Direkteur goedgekeurd, indien dezelve door de Permanente Kommissie, overeenkomstig art. 23 van het besluit in dato 12 september 1825 wordt geapprobeerd.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaturdag den 28 january 1826

Voor ons zijn gecompareerd, om over hunne belangen te spreken, de navolgende personen, als:

1: Dirk van Jeveren, oud 40 jaren, kolonist in kol. no 3, is weduwnaar en van den gereformeerden godsdienst, heeft 4 kinderen, waarvan de oudste 18 en de jongste 12 jaren oud is; verzoekt op de eerbiedigste wijs andermaal in het huwelijk te gaan met Henderica Staal, oud 21 a 22 jaren, is van de R.C. eeredienst, heeft een kind in onecht overwonnen, en sedert eenen geruimen tijd reeds haar ontslag van de kolonie.
Dan, hoe dringend van Jeveren ook zijn verzoek voorstelt, komt de zamenvoeging dezer lieden tot een huwelijk, den raad zoo ongeschikt voor, dat de leden het wagen, onder nader approbatie van den Heer Direkteur, dit voorgenomen huwelijk te weigeren.

In de kantlijn bijgeschreven: Ook de Heer Direkteur keurt dit huwelijk af; doch onderwerpt hetzelve voorts aan de Permanente Commissie.


2. Jan Bult, vrijboer in kolonie 1, vragende om een laken en twee broeken, welke hij met het begin dezer maand, bij de laatste kleeding uitdeeling reeds had moeten ontvangen.
In den raad is hem daarop te kennen gegeven, dat hij die kleedingstukken ontvangen zoude, zoo dra dezelve in het magazijn voorhanden zoude wezen, hetgeen zeer zeker eerstdaags zou gebeuren.

3. De huisverzorger Bartelt Tent, uit kol. no 1, klagende, dat des zaturdags niet voor zijne vrouw wil werken, de bij hem ingedeelde
4. Hendrica de Haas, die met den 1 mei aanstaande haar ontslag van de kolonie krijgt, en ons klaagt over de harde behandeling van hare huismoeder.
De raad wel inziende, dat de schuld dezer klagte zoo wel aan de zijde der ouders als aan die der kinderen gelegen is, heeft hen beiden het verkeerde hunner handelwijs onder het oog gebragt, en hen hartelijk vermaant, den korten tijd, dien zij welligt nog bij elkanderen zouden zijn, in vrede en eensgezindheid door te brengen, en zich naar elkanderen te schikken.

5. Vrouw Hertzkamp van kol 1, klagende dat men haar te veel spinwerk en te weinig naaiwerk gaf.
Daar hare man ziekelijk en met de kinderen zwak is, moet zij haar geheele bestaan thans bijna van het fabriekwerk hebben. Haar is beloofd, dat de spinbaas verzocht zou worden, hierin eenige verandering te maken.

6. De onderdirecteur Schurer verzoekt voor 14 dagen verlof voor den kolonist Kok in kol 3, om te mogen gaan naar Soestdijk; was volgens zijne verklaring van goede kleding en benoodigd reisgeld voorzien.
De bezwaren dezer reis bij den raad in aanmerking genomen zijnde, is dit verlofgaan bij meerderheid van stemmen, en onder approbatie van den Heer Directeur, afgeslagen.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verzoek van den kolonist Kok is insgelijks door den Heer Directeur niet geaccordeerd.


7. Alsmede heeft de gemelde onderdirecteur opgegeven, de ontevredenheid, die hij bespeurd had bij de huisverzorgster de wed Krediet in Willemsoord, dewelke reeds eenige malen gesproken had, de kolonie te willen verlaten.
En aangezien deze vrouw de meeste tijd uithuizig is, en de vijf bij haar ingedeelde kinderen aan haar lot overlaat, zoo zou de raad van oordeel zijn, indien de Heer Directeur zulks goedkeurt:
a. deze vrouw te laten gaan en
b. de vijf wezen bij andere kolonisten in te delen.

In de kantlijn bijgeschreven: De weduwe Krediet uit Willemsoord kan, naar de uitspraak des Heren Directeurs, geen ontslag van haren post als huisverzorgster bekomen, tenzij haar hetzelve door de Permanente Commissie verleend worde.


8. De onlangs in de kolonie aangekomene Oosterhoff, ingedeeld bij Stoeders in kolonie 1, verlangende als huisverzorger geplaatst te worden in plaats van de voor eenige dagen overleden huisverzorger Gunther, en, daar de oude weduwe alleen niet in staat is, de haar toevertrouwde wezen te besturen en op te voeden, was de raad van voornemen, zoo de Heer Directeur het goedkeurde, gemelde Oosterhoff provisioneel bij de wed Gunther te voegen.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Directeur geapprobeerd.


9. De kolonist Zorn, in kol. n 1 verlangt ten sterkste ontheven te worden van den ingedeelden Hendrik Douwes, die geduriglijk en veelal dagelijks flaauwten of overvallen krijgt, waardoor wel eens groote schade werd veroorzaakt, zoo als nog deze week had plaats gehad.
Wij zijn van oordeel dat Zorn, aan wien zulks ook reeds voor eenige weken is beloofd, van den gemelden ongelukkigen jongen ontlast, en bij menschen welke een behoorlijk toezigt op hem houden, geplaatst moet worden. Dat dit echter bezwaarlijk zal kunnen geschieden zonder van denzelven eenige toelage te betalen, en dat noch het een noch het ander door ons mag worden bewerkstelligd, zonder authorisatie van den Heer Directeur en de Permanente Kommissie zelve, waarom wij in dezen de beslissing nader zullen afwachten.

In de kantlijn bijgeschreven: De Heer Directeur is met de kleine raad van hetzelfde gevoelen, dat Zorn van deze ongelukkigen wees verlost moet worden; - het daartoe geschikte huisgezin opgezocht, en die indeling naar het voorstel van den raad, schadeloos gesteld moet worden; echter onder approbatie der Permanente Kommissie.


10. Reeds meermalen was men op de gedachte gekomen, dat de onderscheidene winkels in de kolonien des zondags gesloten moesten zijn, daar de kolonisten op de zes gewone werkdagen waaren genoeg konden koopen, te meer nog, daar de uitbetaling altijd bij het begin der week plaats heeft, en zij dus geenszins genoodzaakt zijn, met het koopen der noodige winkelwaaren tot zondag te wachten.
Hierdoor zouden de kolonisten des zondags meer tijd - en minder gelegenheid om het kerkgaan te verzuimen, hebben.
Onze President, tot de uitvoering van dit voornemen de goedkeuring van den Heer Direkteur bekomen hebbende, zoo is het, dat er bij dezen wordt vastgesteld en besloten:
Te beginnen met den 6 february aanstaande, zal er des zondags in de winkels dezer kolonien niets verkocht worden.
Van deze bepaling zal in het begin der andere week kennis worden gegeven aan al onze kolonisten, opdat dezelve zich daarnaar kunnen rigten.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Voor copie conform,
J.H. van Wolda, secr.

Op dit verslag komt commentaar van de permanente commissie, waarop de kleine raad dan weer reageert, zie hier.