Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Losse aantekeningen bij:
Copie uit de notulen van den kleine raad, mei 1826


Zaturdag den 6 mei

14 dagen verlof
1. Bouman, naar Utrecht om toestemming te geven tot de voltrekking van een huwelijk dat zijne dochter aldaar wonende, voornemens was aan te gaan.
2. vrouw Mook, Utrecht
3. vrouw van der Bil, Schiedam
4. Bakema naar Eenrum, ten einde de vaderlijke toestemming te geven tot de voltrekking van het huwelijk dat zijne dochter aldaar zoude aangaan. Al naar willem helder gestuurd, dacht ik?
5. vrouw Lagerwij, Deventer

Laatstgenoemde heeft geen reisgeld. Als ze dat wel heeft, mag ze, al wil de directeur nog zien dat zij en vd Bil goed gekleed zijn.

6. vrouw Poelstra, Leeuwarden
7. Piet Heidt, Gravenhage
... uit hoofde er reeds zoo vele met verlof gingen, deze nog eenigen tijd te moeten laten wachten.

9. Letterie, zwerende borsten-verhaal

was getekend


Zaturdag den 13 mei

1 t/m 6, kolonisten die toestemming voor verlof krijgen
7 t/m 13, kolonisten die nog eenige tijd uitgesteld.

Zonder enige motivatie.

Zaturdag den 20 mei

1 t/m 8, kolonisten, verlof afgeraden en eenige tijd uitgesteld

Zaturdag den 27 mei

1. vrouw van Drevers ....

2. Meindert van der Poort, van kol no 1, klagende over onenigheden in zijn huisgezin, voornamelijk tusschen zijne vrouw en hem, en de voorkinderen van hen beiden. De vrouw zoude bij het uitdeelen van het dagelijksch brood onderscheid maken tusschen zijne en hare kinderen; hij verzoekt alzoo dat hare kinderen verplaatst zullen worden, ofte dat daarin op eene andere wijze worde voorzien.
Er is eene kommissie benoemd, om, zoo mogelijk deze oneenigheden uit den weg te ruimen, bestaande uit de Heeren Bersma, Bosma en van Wolda; welke zulks aanstaande maandag zal beproeven.

Om met verlof buiten de kolonie te gaan, hebben gevraagd:
3. Jakob Heerd, voor 14 dagen naar 's Gravenhage;
4. Hendrik Piebenga, idem naar Harlingen
5, Jan Rootjes, idem
alle drie ingedeelde wezen bij Dijkstra, op kol N3.

In de kantlijn bijgeschreven: De werkzaamheden zijn nog te veelvuldig; het verlofgaan der wezen onder no 3, 4 en 5 wordt daarom eenigen tijd uitgesteld.

6. van der Hulst, naar Haarlem, in wier nabijheid hij met zijne familie een stuk land te verkoopen had.

In de kantlijn bijgeschreven: Wordt insgelijks niet geaccordeerd.


7 t/m 13, kolonisten die wel met verlof mogen.

Maar in de kantlijn: Hoekstra op het land niet kunnende werken, kan ook deze reis niet doen.
En bij de vrouwen: Deze vrouw kan van wege de veelheid harer kinderen niet gemist worden

14 t/m 16, worden niet toegestaan.
Aangezien Brink wegens de drukte van het timmeren, vrouw Westhoff wegens haar huisgezin niet wel gemist kunnen worden en Beets dagelijks haar ontslag verwacht, heeft de raad dit verlofgaan, insgelijks onder nadere approbatie, uitgesteld.

De kleine raad heeft, om nader te vermelden redenen, gemeend der Permanente Kommissie en den Heer Direkteur te moeten verzoeken om de verplaatsing der navolgende weezen:
1. Maria de Vreede, ingedeeld bij den huisverzorger Willemse, in kol 2, te doen bij den vrijboer van Ham, in dezelfde kolonie. Willemse schijnt, sedert eenen geruimen tijd met dit meisje niet goed te regt te kunnen, de eene klaagt gedurig over den anderen. Van Ham heeft een zwakke en ziekelijke vrouw, kleine kinderen en had dit meisje gaarne als ingedeelde bij zich. Ook veronderstelt de raad, dat zij het daar beter kan hebben dan bij Willemse.
(Kantlijn:) Toegestaan door de Perm: Komm: Not 23 juny 1826

2. Nicolaas Zollie(?), ingedeeld geweest bij Bachius in kol 3, van waar de raad hem heeft weggenomen en provisioneel gedaan bij van der Wulp in kol n 1, - Deze verplaatsing is dadelijk ten uitvoer gebragt, dewijl men om de zedelijkheid van te behouden of wederom te herstellen, zulks noodig keurde; waarom de kleine raad de vrijheid neemt de Permanente Kommissie en den Heer Direkteur te verzoeken, deze provisionele verplaatsing goed te keuren en te bekrachtigen.
(Kantlijn:) Goedgekeurd door de Perm: Komm: Not 23 juny 1826

3. Frans Broeders, ingedeeld bij de wed: van der Klein, in kol 3, te mogen verplaatsen bij Bachius, huisverzorger in dezelfde kolonie.
Deze wees klaagt, en de leden van de raad slaan daaraan geloof, dat hij bij de wed van der Kleij, niet wel zijn kan; de huisverzorger Bachius heeft te weinig ingedeelden, en behoefte aan een jongen.
(Kantlijn:) Toegestaan door de Perm: Komm: Not 23 juny 1826

was getekend