Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie van de notulen van de kleine raad der kolonien, verhandelingen over de maand december 1826


Zaterdag 2 december 1826

Compareerde heden voor den kleinen raad:

Vrouw Hoogmoed, van kol no 2, verzoekende om eenig fabriekwerk, aangezien haar man reeds 14 dagen ongesteld was geweest en niets verdiend had
Men heeft haar beloofd hierover dadelijk met den spinbaas te spreken, opdat deze haar gedurende de ongesteldheid haars mans eenig fabriekwerk zoude geven, en dat zij vervolgens zoude bekomen, hetgeen op de daarvan gemaakte lijst was aangegeven.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaterdag 9 december 1826

Heden is voor den kleinen raad der kolonien niemand verschenen.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaterdag 16 december 1826

Compareerden voor den raad:

1. De huisverzorgster de wed. Wolfs, van kol no 3, klagende over den wijkmeester Koppe. Deze zoude haar 8 pond brood te kort gedaan hebben.
Is besloten dit gezegde nader te onderzoeken.

2. Krol, en
3. vrouw Dorenbosch, beide van kol no 3, verzoekende met verlof te mogen gaan naar Groningen, waar de eene ouders en de andere kinderen hadden wonen.
De nog in Groningen heersende ziekte heeft den raad bewogen hun dit verlof tot in het vroege voorjaar toe af te raden, en hierin namen zij volkomen genoegen, zullende tusschen beiden nog eens aan de familie schrijven.

4. Rietberg, van kol no 1, verzoekende voor acht dagen met verlof te mogen gaan naar Kampen.

5. Mulder, van kol no 2, verzoekende tusschen kerst en nieuwjaar met verlof te mogen gaan naar Haarlem, ten einde zijne Heeren aldaar eenen ham te brengen van het zelfgemeste varken.

6. Klaas Batink, van kol no 3, verlangende voor 10 dagen te mogen gaan naar Kampen, waar hij geld te ontvangen had.

Het verlofgaan der drie laatsten is, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, geaccordeerd.

In de kantlijn bijgeschreven: Is doorden Heer Direkteur toegestaan geworden.


7. De wed. den Held, van klol no 1, verlangende hare oude moeder, in Schiedam wonende, te bezoeken, verzoekt voor 14 dagen derwaards te mogen gaan.
Vrouw den Held drie kinderen en eenen ingedeelden hebbende, en alzoo niet uit den huize gemist kunnende worden, is dit afgeraden en uitgesteld.

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaterdag 23 december 1826

In den kleinen raad verschenen:

1. Toepoel, van kol no 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Haarlem, om familie te bezoeken en tuinzaden op te doen.

2. de wed. Beets, van kol no 1, die hare familie te Wormerveer ziek hebbende, verlangde voor 14 dagen derwaards te mogen gaan.

In aanmerking genomen zijnde, dat het weder spoedig veranderen en onreisbaar worden kan, is dit verlofgaan uitgesteld tot in het vroege voorjaar.

3. Deems, van kol no 2, verzoekende dat het gewone brood, hem, volgens de reglementen der Maatschappij toebehoorende, door den onderdirekteur deze week onthouden, mogte worden afgegeven.
De onderdirekteur Bosma, hierbij tegenwoordig zijnde, zegt dit geweigerd te hebben, omdat Deems zijne dochter niet op het land had willen doen te spitten.
Na elkanderen hierover nader gesproken en het verschil uit den weg geruimd hebbende, zal Deems nog heden avond brood ontvangen.

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaterdag 30 december 1826

Niemand in den raad verschenen zijnde, is men overgegaan tot het opmaken der navolgende voordragt

Verdeeling der weezen.

1. Grietje Rozendal, ingedeeld bij den huisverzorger Althoff in kol no 1, van waar zij, als gebrekkig op den gang zijnde, niet in staat is, het godsdienstig onderwijs van den Heer Pastoor in kol no 2 bij te wonen, te verplaatsen bij de naderbijwonende kolonist Bouman, in kol no 1 wijk no 3

2. Gerdina Krane, ingedeelde bij den vrijboer Bult, kol no 1, te verplaatsen bij de huisverzorgster de wed Rausch in kol no 1. Vrijboer en huisverzorgster en ingedeelde verzoeken om deze verplaatsing, en de raad maakt daarin geen zwarigheid

3. Jan Bronkhorst, ingedeeld bij van den Berg, kol no 1, wijk no 3, te plaatsen bij Coenrades in kol no 2, die, alléén op het veld werkende en een klein huisgezin hebbende, om denzelven verzocht heeft, daar van den Berg, hoewel een goed man zijnde, echter ongeschikt bevonden wordt tot de behandeling en opvoeding van weezen.

4. Cornelia van Straten, ingedeeld bij van Cleeff in kol no 1, aan wien tot hiertoe wekelijks 15 stuivers betaald is, te doen zonder bijlage bij den kolonist Zeilmaker, in dezelfde kolonie, welke geen meisjes hebbende, er eene verlangt.

5. Theunis Simons, geplaatst bij den huisverzorger Willemse, in kol no 2, te verplaatsen bij van Hal in dezelfde kolonie. De huisverzorger heeft een wees te veel en van Hal eenen noodig, als hebbende slechts drie jonge kinderen.

6. Jan Grosman, ingedeeld bij Jakobs, in kol no 2, waar insgelijks een wees te veel is, te doen bij Thomas Baas in dezelfde kolonie, die gaarne een jongetje had, welke des zomers op de koeijen kan passen, en dit kan Grossman daar zeer goed doen.

7. Frans Broeders, ingedeeld bij Jan Ragius in kol no 3, met welke hij slecht harmonieert, te plaatsen bij Jan Sierps in dezelfde kolonie, en deze dan af te nemen:

8. Pieter van der Koog, ondermeester in kol no 3, en te plaatsen bij de wed. Zwak, naast de school.
Deze verandering wordt verlangd door Ragius, Sierps, vrouw Zwak en de beide ingedeelden, en de raad meent dat zulks voor allen voordeelig is.

9. Aaltje Coenraads, ingedeeld bij van der Sluis in kol no 3, van waar zij gaarne verplaatst wil worden, in te deelen bij Smit, in dezelfde kolonie, die met haar een Harlinger is, en als verzorger slechts twee weezen heeft.

10. Jan Roelofswaard, voor eenige weken in de kolonien aangekomen, en provisioneel bij de weduwe den Held ingedeeld, waar hij klaagt niet als fatsoenlijk man te kunnen zijn, over te plaatsen bij Haakmeester in kol no 1, die slechts twee kinderen heeft en zwak is in het veldwerk.

Zoo deze voordragt goedgekeurd mogt worden, verzoekt de raad deze verplaatsingen te mogen effectueren.

In de kantlijn bijgeschreven: Op de voorgestelde verplaatsingen zijn door de Perm. Komm. geene bedenkingen gevallen. 27 jan 1827, van Konijnenburg czn.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.

Voor copie conform
De secretaris van den kleinen raad
J. H. van Wolda