Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie uit de notulen van den kleinen raad der vrije kolonien over de maand mei 1827


Zaturdag den 5 mei 1827

Verschenen heden voor den kleinen raad:

1. Adrianus Kranendonk, oud 54 jaren, kolonist in kol no 1, hebbende drie volwassene kinderen, waarvan de jongste en laatste heden zijn ontslag van de kolonie heeft gevraagd, verzoekende permissie om andermaal te mogen trouwen met eene weduwe van Vledder, genoemd Hilligje Keizer, oud 46 jaren, hebbende twee kinderen, doch welke reeds dienstbaar zijn. Kranendonk is van meening door dit huwelijk den ouden dag geruster te kunnen afwachten, daar hem zijn kinderen verlaten.

In de kantlijn bijgeschreven: Den Heer Direkteur is met den Heer Generaal van den Bosch van gevoelen, dat dit huwelijk van Kranendonk, met eene vrouw van buiten de kolonie, niet moet worden toegelaten, daar zulks voor de Maatschappij nieuwe lasten zoude veroorzaken.


2. Adrianus Kranendonk, zoon des vorigen, waarvoor ontslag van de kolonie is aangevraagd, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Steenwijk, waar hij eenen dienst had gevonden, en hopende dat in dien tusschentijd zijn ontslag komen zoude.vraagt.

3. Vrouw Nieuwenhuis, van kol no 1, wijk 2, verzoekende voor 8 dagen met verlof te mogen gaan naar Zaandam, om hare zuster te bezoeken, die haar instantelijk verzocht had eens daar te komen.

4. Vrouw Rietberg, van kol no 1, verzoekende voor 8 dagen met verlof te mogen gaan naar Kampen, om hare familie te bezoeken.

De drie bovenstaande verlofgangers, waarop geene aanmerkingen te maken zijn, hebben in den raad getoond, dat zij van reisgeld en goede kleeding voorzien zijn. Is onder nadere approbatie van den Heer Direkteur toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Dit verlofgaan is door den Heer Direkteur geaccordeerd.


5. Vrouw Coenrades, en
6. Vrouw Lagerweij, van kol no 2, klagende beiden, dat hare huisgezinnen, na het kleeden der bij haar ingedeelde weezen, van de weinige penningen, welke er waren overgebleven, onmogelijk gekleed konden worden.
Is goedgevonden den toestand der kleeding dezer huisgezinnen door eenen kommissie te doen onderzoeken, voor en aleer hierin te voorzien, waartoe benoemd zijn de onderdirecteur van kol no 2 en de secretaris van dezen raad.

7. Vrouw Smid, van kol no 2, verlangende voor 14 dagen met verlof te gaan naar Alkmaar.

8. Vrouw Kuiters, van kol no 2, verzoekende 14 dagen met verlof te gaan naar Schellinghout.

9. Vrouw Stoffels, van kol no 2, die gaarne voor 8 dagen met verlof wilde gaan naar Zwol, allen om de familie te bezoeken.

Daar er reeds eenige verlofgangers zijn, en deze lieden, althans de twee eersten nog maar weinige maanden in de kolonie zijn, is haar verlofgaan eenigen tijd uitgesteld.

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaturdag den 12 mei 1827

Compareerden heden voor den kleinen raad:

1. Vrouw Grothé, van kol no 1, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar  Amsterdam en Den Haag, in welke laatstgenoemde stad zij eene erfenis zoude ontvangen.

2. Vrouw Hoogmoed, van kol 2, verzoekt voor gelijken tijd te gaan naar Haarlem, om één harer kinderen, na eene ziekte doof en stom gebleven zijnde, aan den Heer Professort van der Voort te laten zien, welke tevens met de geschiedenis des kinds bekend was.

3. Vrouw Braun, van kol 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Deventer, waar hare familie woonde.

4. Vrouw Bult, van kol no 1, verlangende 14 dagen met verlof te reizen naar Enkhuizen, ten einde hare ouders en verdere verwanten te bezoeken.

5. Wilhelmina Brem, ingedeeld weesmeisje bij Bultman in kol no 1, voor welke bij den Heer Direkteur een brief was ontvangen van de Sub-Commissie van Zwol, houdende verzoek, dat zij voor 4 weken met verlof derwaards mogt overkomen.

Deze lieden zijn allen van reisgeld en goede kleeding voorzien. De kleine raad heeft het gevraagde verlof, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan dezer kolonisten is door den Heer Direkteur geaccordeerd.

6. Vrouw Heijdt, van kol no 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te gaan naar  's Hage, om de familie te bezoeken.
Is eenigen tijd uitgesteld, omdat de man nog verleden herfst aldaar is geweest.

7. Henderica Beijens, ingedeeld bij Maatje, kol no 1, verzoekende voor 14 dagen met verlof te gaan naar 's Gravenhage.
Deze is bestedeling en de raad heeft aangeraden vooraf haren besteder om dat verlof te vragen.

8. Vrouw van der Poort, van kol no 1, wijk 3, vragende of zij hare te goed hebbende hemden kan krijgen.
Hierop is haar geantwoord, dat al het noodige aangewend werd ter gereedmaking der hemden, dat zij dezelve dus spoedig bekomen zoude.

9. Vrouw Bult, van kol no 1, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Enkhuizen, om hare vader en verdere familie te bezoeken.
Is van reisgeld en kleeding voorzien. En is ook dit verlofgaan, onder nadere approbatie, toegestaan.
(NB: foutje van de notulist, vrouw Bult staat al bij puntje 4 hier boven)

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.


Zaturdag den 19 mei 1827

Compareerden heden voor den kleinen raad:

1. Naatje Hazeloop, van kol no 1, verzoekt voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar 's Gravenhage, om de familie te bezoeken;

2. Antje Schilp, van kol no 1, als boven, naar Koog aan de Zaan;

3. Kleizing, van kol no 3, als voren, naar de Beemster;

4. Vrouw Kuiters, van kol no 2, naar Schellinghout;
(NB: ze probeert het na de zeperd van twee weken terug nog een keer)

5. Vrouw Smid, van kol no 2, naar Alkmaar;

6. Vrouw Hoogenberg, van kol no 2, naar Weesp;

7. Vrouw Stoffels, van kol no 2, naar Zwol.

Zijn alle van reisgeld en kleding voorzien, en onder nadere approbatie is haar het verlofgaan toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Wordt door den Heer Direkteur geaccordeerd.

Nog hebben gevraagd om voor gelijken tijd met verlof te mogen gaan:

8. Mollevanger van kol no 1, naar Alkmaar;

9. Vrouw Homburg, van kol no 1, naar Haarlem;

10. Vrouw Hertzkamp, van kol no 1, naar 's Gravenhage, en

11, Vrouw Hoffmann, van kol no 1, naar Amsterdam, allen met oogmerk om de familie te bezoeken, doch deze zouden nog eenigen tijd wachten, daar er reeds zoo veele waren.

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.



Zaturdag den 26 mei 1827

Verschenen heden voor den kleinen raad en verzochten om voor 14 dagen met verlof buiten de kolonie te mogen gaan en hunne familie te bezoeken:

1. Vrouw Hoet, van kol no 2, naar ;s Gravenhage;

2. Gerrit Nienkemper, van kol 1, naar Dordrecht;

3.. Vrouw van Doesburg, van kol no 1, naar Vlaardingen;

4. Gerrigje Slordt, en
5. Aaltje Robert, ingedeelde weezen bij Jan Frens op kol no 1, naar Rotterdam. De Subkommissie aldaar heeft hun toestemming verleend;

6. Vrouw Ladru, van kol no 1, naar Amsterdam;

7. Mollevanger, van kol no 1, naar Alkmaar;

8. Vrouw Slordt, van kol no 1, wijk 3, naar Enkhuizen;

9. Vrouw Veen, van kol no 1, naar Schagenbrugge;

10. Vrouw Pijpers, van kol no 3, naar Rotterdam;

11. Vrouw van de Waal, van kol 3, naar Alphen.

De laatste om eene erfenis mede te regelen en ontvangen.
Deze gedragen zich allen goed, zijn van reisgeld en kleeding voorzien, en, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, is hun gevraagde verlof toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan der kolonisten van nr 1 tot 11 is door den Heer Directeur geaccordeerd.


12. Vrouw Mook, van kol no 2, verzoekende voor 10 dagen te gaan met verlof naar Utrecht, om hare familie te bezoeken.
Is ook als boven van het noodige voorzien, en onder nadere approbatie, is haar insgelijks het verlofgaan geaccordeerd.

In de kantlijn bijgeschreven: Dat van vrouw Mook onder nr 12 is echter door den Heer Direkteur niet toegestaan, daar verleden jaar haar man is gedeserteerd, en zij nog verscheidene kinderen heeft.


Behalve deze zijn er nog in den raad verschenen en hebben gevraagd om voor 14 dagen met verlof te mogen gaan, de volgende kolonisten:

13. De wed. Ditmar, van kol no 3, naar Harderwijk;

14. Kornelis van Dijk, van kol no 3,
15. Neeltje Groenewoud, idem, beiden naar Monnickendam;

16. Vrouw Maatje, van kol no 1, naar het Oldampt;

17. Martinus Leyte, van kol no 1, ingedeeld bij Van Ooijen, naar Tholen;

18. Nieuwenhoven, van kol no 2, naar Leyden;

19. Jan Aukes, van kol no 1, naar 's Gravenhage;

20. Goudsblom, van kol no bij de weduwe Gunther, naar Alkmaar;

21. Vrouw Werf, van kol no 3, naar Enkhuijzen;

22. Van Dalen, van kol 2, voor 4 weken naar Sluis in Vlaanderen;

23. Sweres de Hart,
24. Harke kruk,
25. Jan Kompaan,
26. Frans Robert, alle vier ingedeeld bij Bartelt Tent in kol no 1, naar Enkhuizen;

27. Betje Faber, van kol no 3, naar Sneek;

28. Hoffman, van kol no 3, naar Utrecht;

29. Maria de Vrede, ingedeeld bij Doesburg in kol 1, naar Alkmaar;

30. Vrouw Bolkesteijn, van kol no 3, naar Amsterdam;

31. Vrouw Staal, van kol no 3, naar Enkhuizen;

32. Vrouw Swarts, van kol no 2, verleden herfst aangekomen, naar Amsterdam.

Aangezien de kleine raad reeds aan 12 kolonisten heden verlof had verleend, en er nog bovendien verscheidene andere thans met verlof buiten de kolonie zijn, is men overeengekomen, dat de bovengemelde personen, voorkomende onder no 13 tot 32, eenigen tijd zullen wachten, hetgene men algemeen met de menschen zeer wel heeft kunnen overleggen, uitgezonderd met den kolonist van Dalen, voorkomende onder no 22, die zeer brutaal was, en hoegenaamd niet naar redenen wilde luisteren. -
Van dit voorval is proces verbaal opgemaakt en aan den Heer Direkteur ingezonden.

(NB: zie dit proces-verbaal)

Eindelijk kwam nog in den raad:

33. Vrouw Deems, van kol no 2, vertoonende den nu bij haar ingedeelden Schuurman, die bij Drevers geweest en van daar slecht gekleed gekomen is, verzoekende daarvoor eenige kleeding en wekelijks een half brood meer in de huishouding.
In de behoefte der kleeding zal Schurer en in die van het brood Bosma voorzien.

34. Pennings, van kol no 2, verzoekende eenige kleeding op voorschot te mogen ontvangen; hij was nu, omdat de bij hem ingedeelde wees geheel gekleed was, er met zijn huisgezin geheel overgebleven.
Is besloten, den toestand van de kleeding bij Pennings door eene kommissie eerstdaags te onderzoeken, die bestaan zal uit den onderdirekteur der kolonie, de president en secretaris van den raad.

35. Hendericus Roelandschap, ingedeeld bij Stoeters in kol no 1, verzoekende om een nieuw buis, waarmede hij des zondags naar de kerk kon gaan.
Daar het aanhebbende buis niet versleten, maar in de naden losgegaan is, zal men zorgen dat het gemaakt worde, en de jongen bij een volgende uitgifte van kleeding een nieuw bekomt.

(get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, secr.

Voor copie conform
De secretaris van den kleinen raad J. H. van Wolda

In de kantlijn bijgeschreven: Goedgekeurd door de Permanente Kommissie zonder eenige aanmerking, 28 Juny 1837, Jan van Konijnenburg.