Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Notulen van het verhandelde bij den kleinen raad der vrije kolonien over de maand November 1830


Zaturdag den 6e November 1830

Verschenen heden voor den raad:

1. van der Korst, van kol 2, verzoekende een driemaandelijksch verlof voor zijne dochter Johanna van Lint, om in Zwol op de proef te gaan dienen.
Is toegestaan.

2. van Diest, van kol 2, verzoekende
a. voor 8 dagen te gaan met verlof naar Zwol, om zijne dochter Josina zoo mogelijk te ligten uit het zoogenaamde Hof van Spanje, en haar eene dienst te zoeken.
b. een tweede ontslagpas voor dezelve daar de eerste verloren was.
Het 1e is toegestaan, en over het 2e zal den Heer Direkteur geraadpleegd worden.

In de kantlijn bijgeschreven: Haar geven! vK

(NB: Hof van Spanje is een bordeel in Zwolle. Josina van Diest is op 19-06-1828 ontslagen. Na een besluit van de permanente commissie op 24 mei 1834 zal zij 29 mei 1834 weer in het gezin opgenomen worden.)

Geene kolonisten meer opkomende, heeft de raad andermaal overwogen het verzoek van den kolonist Verra, van den 30 October jl, om, namelijk een verandering te zien gemaakt in het tarief van uitbetaling.
Is besloten
In het bedoelde tarief, hetwelk na gelijkelijk ??, geene verandering te maken, noch een voorstel ter verandering in deze te doen.

(get.) J.H. van Wolda


Zaturdag den 13e November 1830

Verschenen voor den kleinen raad:

1. Dirk Bruins, bestedeling van Groningen, ingedeeld op kol 3, verzoekende met verlof naar Groningen te gaan, om aldaar eene dienst te zoeken, omdat hij in het voorjaar zijn ontslag te wachten had.
Is toegestaan.

2. Inpijn, van kol 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te gaan naar Haarlem om zijne moeder te bezoeken.
Is toegestaan.

3. de wed. de Vroeg, van kol 1, wonende in het huis van ten Broek zonder hoeve, verzoekende dat haar zoon Jan die snijder op de fabrijk en de voornaamste kostwinner van het huisgezin, zijnde, met een fatsoenlijk meisje uit Leeuwarden trouwen mogt, en bij haar blijven inwonen.
Besluit:
De raad hierin geene zwarigheid ziende, zal hetzelve bij den Heer Direkteur aanvragen.

In de kantlijn bijgeschreven: Wordt gunstig aan de Commissie voorgedragen. De vrouw is oud en heeft buiten dien snijder, nog maar een jongeren zoon bij zich.

((NB: Met 'zonder hoeve' wordt bedoeld dat de betreffende woning geen lapje land eromheen heeft.))


4. Limbroek van kol 1, wien dezen morgen wegens slecht werken en niet op het land zijnde van zijnen ingedeelden jongen, het brood was ingehouden, klagende dat en wijkmeester en opziener en alle anderen hem zoeken om hem te onderdrukken, en te doen verhongeren.
Onder dit verhaal, hetwelk met veel omslag van woorden en met onstuimige drift geschiedde, gaf hij ook te kennen, onder anderen, dat hij een halve Brabandsche kop had, en nu eens op zijn Brabandsch handelen zou, in de kolonien op allerhande mishandeld wordende. Binnen 24 uren zou hij door eenen vriend in Steenwijk een request aan den Koning laten schrijven, enz. enz. slaande met zijn hand op den tafel dat daverde.
Is besloten, den Heer Directeur voortestellen, den gemelden kolonist zoo spoedig mogelijk voor den Raad van toezigt, en voor dien van Policie te doen teregtstellen, zelfs oordeelen twee leden van den raad, dat hij dadelijk in verzekerde bewaring diende genomen te worden.

In de kantlijn bijgeschreven: Hierover reeds aan de commissie geschreven.

((NB: Limbroek/Lehmbroek komt inderdaad voor de tuchtraad; zie voor een volledig overzicht zijn pagina.))

(get.) J.H. van Wolda


Zaturdag den 20e November 1830

Verschenen voor den raad:

1. Vrouw Jansen, van kol 2, verzoekende drie dagen verlof, tot het bezoeken van hare dochter Hendrina te Zwol.
Is toegestaan.

2. vrouw Goossens, van kol 2, verzoekende toestemming tot het bij zich houden van hare dochter Geertje, verleden voorjaar als dienstbaar buiten de kolonie ontslagen, en nu wederom te huis gekomen.
De raad heeft haar gezegd, dat dit verzoek niet kan worden toegestaan, dat ze zal hebben te zorgen dat hare dochter binnen 14 dagen de kolonie verlate

(get.) J.H. van Wolda


Zaturdag den 27e November 1830

Verschenen voor den raad:

1. van Haften, van kol 2, verzoekende hoevenaar te worden aan de Ommerschans in de plaats van Bollen, die hij meende dat terug komen zoude.
Men heeft dezen kolonist gezegd, die opziener is, dat er te Ommerschans geene boerderij open was, en men hem zoodanige betrekking ook niet zoude aanraden.

2. vrouw Jaspers, van kol 3, verzoekende 14 dagen met verlof te gaan naar Leyden, tot het terug brengen van eene hare dochters die thans hier is.
Is toegestaan.

3. Le Loux van kol 1, verzoekende nu zijne vrouw in het kraambed ligt, grooter uitbetaling, kunnende zich dezer dagen met 60 centen niet redden.
De onderdirecteur zal hem twee weken lang, 's weeks 60 centen op voorschot uitbetalen.

4. Wederholt, van kol 2, verzoekende dat hem eene andere koe mogt worden gegeven, zijnde eene koe ziek, en den andere gust en droog.
Bij de eerste gelegenheid zal hem eene andere koe verstrekt worden.

5. Vermeeren, van kol 2, verzoekende eenige kleeding en klagende niet in staat te zijn, bij de tegenwoordige prijzen der kleeding, voor zijn huisgezin het noodige voor kleeding te verdienen, zeggende het manshemd in Steenwijk voor eenen gulden te kunnen koopen, hetwelk hem hier voor f 2,10 wordt aangerekend, en zoo ook met andere kleeding.
Het eerste zal hem hedenavond gegeven worden en de raad zal den Heer Direkteur met zijne klagte bekend maken.

In de kantlijn bijgeschreven: Vernomen en toegestemd; doch andere artikelen zijn soms goedkooper en het arbeidsloon wordt door de kolonisten zelve verdiend, Eene nieuwe regeling van prijzen der verschillende ??? zou zeker nuttig zijn.

(NB: die nieuwe regeling komt er juli 1831)


6. Kraan, van kol 2, klagende dat er in zijn schuldboekje gebragt is, de navolgende kleedingstukken als op 26 december 1829 1 jongenshemd 1e taille en 1 bedlaken, en 1 februarij 1830 1 grijs linnen broek 1e taille, welke hij zegt niet ontvangen te hebben.
Hierop gehoord de wijkmeester van Dijk, die de kleeding uitgegeven heeft en verklaart zich dit niet meer te kunnen herinneren; beide echter meenen, dat het bedlaken afgegeven is aan Vermeeren, welke zulks erkennende, genegen was, nu een laken op zijne rekening te nemen, dat aan Kraan zoude worden afgegeven.
Besluit
de overeenkomst van Kraan en Vermeeren goedtekeuren; aan het andere, als zijnde bijna een jaar geleden, kan niets gedaan worden, en Kraan te kennen te geven, dat hij voortaan geene lijst aan uitgegevene kleedingstukken moet onderteekenen, zoo daarop iets voorkomt hetwelk hij niet gehad heeft.

(get.) J.H. van Wolda


Voor copie conform
de secretaris van den kleinen raad
J.H. van Wolda