Naar het overzicht
van stukken over Kniesenburg




De voordracht en aankomst van Johannes Hermanus Kniesenburg in 1821


Op 24 februari 1821 schrijven de regenten van de Stadsaalmoezenierskamer Utrecht aan de permanente commissie van weldadigheid, invnr 56 (scan 443). Uit die brief:

Utrecht, den 24 February 1821

Bij onze laatste missive in de maand November l.l. hebben wij UEd. kennis gegeven, van zoodra er een huisgezin genegen zoude zijn, om in plaats van Dinant na de Kolonie te vertrekken UEd. daarvan te zullen verwittigen.
En waaraan wij thans kunnen voldoen, door aan UEd. voortedragen de hieronder vermelde man, vrouw en drie kinderen met namen:

Johannes Hermanus Kniesenburg, Geboren 15 January 1790
Johanna Claasen, Geboren 7 Maart 1787
Johannes Hendrik, Geboren 11 April 1815,
Pieternella, Geboren 5 October 1816
Cornelia, Geboren 27 Mei 1820

Indien dit huisgezin door UEd. wordt aangenomen verzoeken wij hiervan geinformeert te worden, waarna wij hetzelve langs den gebruikelijken weg na de Kolonie zullen opzenden.

Wegens Heeren Regenten der Stads Aalmoezenierskamer
C.W.Cambier,  Secret.

Op 27 februari 1821 bespreekt de permanente commissie die brief bij artikel (= agendapunt) 13. De notulen van die vergadering zijn in invnr 38, maar die heb ik niet bekeken, want de notulen zijn altijd notoir onleesbaar.

Op 1 maart 1821 schrijft de permanente commissie terug aan Utrecht. Die brief moet zich bevinden in invnr 352, maar die doos ligt gruwelijk door elkaar dus daar ben ik niet eens aan begonnen. Dat hoeft ook niet, want uit het antwoord van Utreacht zal blijken dat de permanente commissie het gezin wat zwak vindt qua arbeidskracht.

Dat antwoord van Utrecht is op 8 maart 1821. Uit hun brief, invnr 56 (scan 544) blijkt dat ze eerst met Johannes Hermanus gepraat hebben voor ze terugschrijven:

In antwoord op UEd:s misive van den 1 dezer hebben wij de Eer UEd tet kennis te brengen, dat J: H: Kniesenburg heeft toegestemt, om van wegen de Maatschappij aan hem zoodanige hulp toetevoegen, als uithoofde de jongheid zijner kinderen, en tot uitoefening van den veldarbeid noodzakelijk zal geoordeeld worden.
Wijders zijn wij met  hem overeengekomen. dat hij met zijn huisgezin, op morgenavond van hier na de kolonie zal vertrekken.

Het is dus goed. Op 12 maart 1821 staat in een brief van de directeur der koloniŽn aan de permanente commissie, invnr 56 scan 568:

Nog zijn heden gearriveerd twee koloniale huisgezinnen, als Nicolaas Hendrik van der Rijden, vrouw en 6 kinderen, benevens een armen jongen, uit Rotterdam en
Johannes Hermanus Kniesenburg, met vrouw en 3 kinderen, van Utrecht. Deze beide huisgezinnen hebben provisioneel in Steenwijk moeten blijven, dewijl er geene koloniale woningen meer open zijn, maar reeds 2 huisgezinnen te veel zijn overgekomen. Heden zal men schikkingen maken, om gem. huisgezinnen te logeren.