Naar het overzicht
van stukken over Kniesenburg




Vertrek van de kolonie van de familie Kniesenburg in 1836


Op 24 maart 1836 schrijft de directeur der koloniŽn een brief met nummer N590 aan de permanente commissie, invnr 169 scans 376-377. Uit die brief:

Ik heb de eer UwEdg. voor te dragen, onderstaande verzoeken om ontslag uit de KoloniŽn, als

1. Van het huisgezin van Johannes Hermanus Kniezenburg van Kolonie No. 1, hoeve Nr. 88, den 12 Maart 1821 van de Subcommissie te Utrecht overgenomen. Hij is 40 jaren oud en dus nog in het beste van zijn leven, zijn vrouw telt 49 jaren. Slechts 4 kinderen van 21, 19, 16 en 11 hebben zij meer te hunnen laste, waarvan er 3 zouden kunnen gaan dienen. Wanneer de ouders zich wel in staat achten, in het onderhoud huns kleinen gezins buiten de KoloniŽn te voorzien, dat ik wel geloof, daar hij een knap werkman is en het huisgezin alleszins oppassend. Zij verlangen tegen Mei te vertrekken.

2. Van Anna Maria Bade, hoeve 8 van Kolonie Nr. 1, oud 32 jaren, zijnde de dochter van de kortelings overleden kolonist die den 1 November 1818, zoo ik meen van Amsterdam, is overgenomen geworden. Daarmede zal dit huisgezin geheel ontbonden zijn. Ook zij verlangt tegen Mei te vertrekken.
De Directeur der KoloniŽn
J.v. Konijnenburg

Die leeftijd van Johannes Hermanus klopt dus niet, hij is 46, maar alla. De permanente commissie schrijft de brief in op 6 april 1836 onder nummer N14, invnr 447, en neemt daarbij het navolgende besluit:

De permanente commissie der Maatschappij van Weldadigheid

Gelezen eenen brief van den Dir der Kol van den 24 Maart ll N590, daarbij voordragende de verzoeken om ontslag
1o van den gewone kolonist J.H. Kniezenburg en huisgezin
2o van A.M. Bade, dochter van den overleden gewone kolonist Bade, en van diens gezin alleen overgebleven

Besluit:

1e het eerste punt te houden in advies.
2e den Directeur te magtigen, om A.M. Bade voorn. te ontslaan
3e aan Heeren Regenten der Stads Aalmoezenierskamer te Utrecht te schrijven als volgt:

De op het contract met UwEd in de gewone kolonien gevestigde kolonist J.H. Kniesenburg verzocht hebbende om met zijn huisgezin te worden ontslagen, hebben wij de eer UwEd te verzoeken ons te doen kennen of daartegen bij UwEd ook bedenking zou bestaan.

Hij is nog in het best van zijn leven, en heeft slechts 4 kinderen waarvan er drie zouden kunnen gaan dienen, en waarom de ouders zich wel in staat achten in het onderhoud van hun gezin, buiten de kolonie te voorzien, hetwelk hun waarschijnlijk ook wel zal gelukken, daar het huisgezin alleszins oppassend, en de man een knap werkman is.

Hij verlangt tegen Mei te vertrekken, waarom het ons aangenaam zal zijn UwEd antwoord spoedig te ontvangen
de PC.

De regenten in Utrecht regeren op 13 april 1836. Hun brief bevindt zich in invnr 170 scan 183 en wekt de indruk of ze een beetje gepikeerd zijn dat Kniesenburg de kolonie wil verlaten:

In antwoord op UwEdgeb. missive van 6 dezer N14 betrekkelijk het door den kolonist J.H. Kniesenburg verlangd ontslag uit de gewone koloniŽn hebben wij de eer te berigten dat daartegen bij ons op grond der door UwEdgeb. daarbij gevoegde consideratie, geene bedenkingen bestaan, mits dat huisgezin er niet op reekene daarna, op de eene of andere wijze, wederom ten laste van onze administratie te komen:
waaraan wij UEdgeb.  verzoeken hetzelve tevens wel te willen informeeren.
Regenten dezer Stads
Aalmoezenierskamer
Namens dezelve
B.C.J. Visscher
Secretaris

Zoals ik zei: een tikje gepikeerd. De permanente commissie behandelt deze brief op 20 april 1836 onder agendapunt N24, invnr 447, met als resultaat het navolgende besluit:

De permanente commissie der Maatschappij van Weldadigheid,

Gelezen eenen brief van Heeren Regenten der Stads Aalmoezenierskamer te Utrecht van den dezer N24
Nader gelet op dien van den Directeur der kolonien van den 24 Maart ll N590 (in advies 6 dezer N14)

Besluit:

den Directeur der kolonien uittenodigen aan het huisgezin van den gewonen kolonist J.H. Kniezzenburg, namens Heeren Regenten boven vermeld, onder het oog te brengen, dat hetzelve bij ontslag uit de kolonie, geenerlei ondersteuning meer, van welken aard ook, vanwege Heeren Regenten voornoemd, hoeft te verwachten, wordende overigens de Directeur der kolonien gemagtigd om dit huisgezin te ontslaan, wanneer het desniettemin deszelfs ontslag blijft verlangen.

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Dir der Kol ter uitvoering.

Het is de eerste en enige keer dat ze de achternaam van Johannes Hermanus met dubbel 'z' schrijven, maar dat kan niet verhinderen dat de familie op 28 april 1836 de kolonie verlaat.