Naar het overzicht
van stukken over Kniesenburg




Rechtszaak Kniesenburg: Het Vonnis,
13 april 1843


NB: Op dit formulier zijn gedeelten voorgedrukt, maar die zijn gewoon in de tekst opgenomen


VONNIS   Nr.  424


De ARRONDISSEMENTS REGTBANK te ASSEN, PROVINCIE DRENTHE,

                            oordeelende  in  strafzaken.

In de zaak van den Officier bij gemelde Regtbank, eischer uit krachte der dagvaarding van den 29sten Maart 1843

                  tegen Johannes Hermanus Kniezenburg, volgens opgave oud 53 jaren, geboren
                  te Utrecht, wonende te Frederiksoord gemeente Vledder, van beroep arbeider,
                  thans gedetineerd in het Huis van arrest en en Justitie te Assen.

Gehoord de voordragt der zaak door den Substituut Officier,

Gehoord de voorlezing van het bevelschrift van verwijzing.

Gehoord de onder eede afgelegde verklaringen van de getuigen op last van het Openbaar Ministerie verschenen, zoomede van die ten verzoeke van den beklaagden verschenen, de laatste evenwel onbeëdigd gehoord.

Gehoord de opgaven van den beklaagden.

Gehoord en gezien het requisitoir van den Substituut Officier strekkende daartoe dat de Regtbank den beklaagde zal schuldig verklaren aan het feit ter zake waarvan hij is verwezen en gedagvaard, zonder dat er evenwel bewezen is dat hij in dezen met voorbedachten rade heeft gehandeld, welk feit daarstelt het wanbedrijf van het toebrengen van wonden welke bij den verwonde geene ziekte of beletsel om te werken gedurende meer dan twintig dagen heeft veroorzaakt en hem ter zake daarvan met toepassing  van artikels 311 vergeleken met 309 en 52 des Wetboeks van Strafregt veroordeelen tot eene gevangenisstraf van een jaar en zes maanden, tot eene boete van acht gulden en in de kosten, boete en kosten desnoodig verhaalbaar bij lijfsdwang.

Gehoord den beklaagden in de verdediging door  Mr. H. Vos, procureur.

Overwegende dat uit het onderzoek op de teregtzitting van den  twaalfden April 1800 drie en veertig naar aanleiding der dagvaarding wettig en overtuigend is gebleken dat de beklaagde op Vrijdag den derden Februarij 1800 drie en veertig des morgens omtrent acht uur den persoon van Coenraad Hulst, adjunct directeur, in of nabij de schuur van deszelfs woning te Frederiksoord op den regterwang heeft gesneden, zoomede op de linkerhand tusschen den voorsten vinger en den duim en boven op de linkerhand en op den duim dier linkerhand heeft gekneusd, zonder dat daaruit bij den beledigden is ontstaan eene ziekte of beletsel van te werken gedurende meer dan twintig dagen,

Overwegende dat het wettig bewijs dier daadzaak is verkregen door onderscheidene daadzaken wier onderling en overeenstemmend bestaan, gedeeltelijk afzonderlijk en gedeeltelijk te zamen als verklaard door de in de eerste, tweede, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende en tiende plaats gehoorde getuigen,

Overwegende dat deze alzoo wettig bewezen daadzaak daarstelt het wanbedrijf van moedwillige verwonding,

Overwegende dat in voegen voorschreven en alzoo wettig de schuld van den beklaagden is bewezen,

Overwegende dat mitsdien op den beklaagden moet worden toegepast de straf bij artikel 311 in verband met artikel 309 van het Wetboek van Strafregt  bedreigd tegen het wanbedrijf van moedwillige verwonding,

    Overwegende dat het geenszins wettig is gebleken dat de beklaagde de bedoelde mishandeling voorbedachtelijk heeft aangedaan,

Regt doende in naam van wege den Koning

Verklaart als wettig en overtuigend bewezen den beklaagden schuldig aan het wanbedrijf van moedwillige, edoch niet voorbedachtelijke verwonding, door ten opgemelden tijd en plaatse den persoon van Coenraad Hulst te hebben gesneden en gekneusd, zonder dat daaruit bij den beledigden  eene  ziekte of beletsel van te werken gedurende meer dan twintig dagen

Gezien artikels 309 en 311 van het Wetboek van Strafregt en artikels 227 en 207 van dat van Strafvordering mitsgaders artikel 52 van eerstgemeld Strafboek, welke artikelen voor zooverre hieronder ingevoegd luiden:

    Art. 309. “Met het tuchthuis zal gestraft worden, al wie iemand kwetsuren, slagen of stooten toegebragt zal hebben, in gevalle uit deze gewelddadigheid, eene ziekte of beletsel van te werken ontstaan is van meer dan twintig dagen.”
    Art. 311. “Wanneer de kwetsuren of slagen geenerlei ziekte of beletsel van te werken, als bij art. 309 gemeld, veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van eene maand tot twee jaren en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken gestraft worden.”
    Art. 227. “Het onderzoek op de openbare teregtzitting, mitsgaders de beslissing en de uitspraak geschieden op dezelfde manier als bij den vorigen titel is bepaald, behoudens de volgende wijzigingen en bepalingen.
    1e. “Dat enz.”
    Art. 207. “Wanneer het hof den beschuldigde schuldig oordeelt, zal het de straf uitspreken, door de wet op het misdrijf gesteld, zelfs in het geval dat uit het onderzoek op de teregtzitting gebleken mogt zijn dat het misdrijf tot de bevoegdheid van eenen minderen regter behoorde, en den beschuldigde voorts in de kosten van het regtsgeding veroordeelen.”
    Art. 52. “De veroordeelingen tot geldboete, tot teruggaven, tot vergoeding van schade en interessen in de kosten zullen ten uitvoer gelegd mogen worden bij wege van aantasting van persoon.”


Veroordeelt over zulks den alzoo schuldig verklaarden Johannes Hermanus Kniezenburg tot eene gevangenisstraf in een huis van Correctie voor den tijd van vier maanden en eene geldboete van acht gulden en in de kosten begroot op de som van honderd achttien gulden en zeven en tachtig cents, boete en kosten desnoods te verhalen bij lijfsdwang.

Aldus gewezen door de Heeren Mrs. Homan President, Alstorphius Grevelink en Bertling regters en is dat vonnis in de buitengewone openbare teregtzitting van donderdag den dertienden April 1800 drie en veertig door den President met opene deuren uitgesproken in tegenwoordigheid van opgenoemde regters, van den Officier en den Substituut Griffier en de beklaagde.

w. g. J.T. Homan
P.W. Altorphius Grevelink
E.K.J. Bertling
C.E.Oosting