Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Ook de koloniale ambtenaren ontvangen vanaf 1 juni 1825 een vastgesteld gedeelte van hun salaris in koloniale munt, maar in de loop der jaren maakt men er een zootje van

In het begin krijgen de werknemers van de Maatschappij, meestal aangeduid als ambtenaren of employs of gemployeerden, hun salaris in gewone Rijksmunt. Maar dat verandert als de permanente commissie op 10 mei 1825 het besluit neemt eigen winkels in de kolonin op te richten. De volledige tekst van dat besluit staat op deze pagina, maar voor hier is van belang artikel 9 dat luidt:

'Het traktement van de gemployeerden, tot eene kolonie behoorende, van den onder-direkteurs af tot tot de mindere, zal voor 2/5 gedeelten wekelijks in koloniale munt worden voldaan, waarnaar in de winkels der Maats: rogge, stoet, aardappelen en andere winkelwaren verkrijgbaar zullen worden gesteld.'

Met 'stoet' wordt brood bedoeld. Uit notities in het brievenboek met invnr 926 wordt duidelijk dat het besluit komt uit de koker van Johannes van den Bosch. Het treedt in werking op 1 juni 1825 en vanaf dan krijgen de koloniale ambtenaren een deel van hun loon in koloniale muntstukken of kaartjes.

Zo krijgt bijvoorbeeld Johan Lourens Klausus zijn jaarloon van 270,40 als onderfabrieksbaas bij het eerste gesticht te Veenhuizen voor 205,40 in gewoon geld en voor 65.-- in koloniale munt, en als hij is gepromoveerd tot fabrieksbaas zijn jaarloon van 312 gulden voor 247 gulden in gewoon geld en voor 65 gulden in koloniale munt. Allebei klopt overigens niet met 2/5de van zijn salaris...

Soms laat een employ weten daar niet gelukkig mee te zijn:

VELDWACHTER BLATTER, 1826

De eerste die in het geweer komt is de brigadier-veldwachter Jan Blatter (zie over hem en vooral over zijn ontslag een paar jaar later deze pagina), of beter gezegd zijn echtgenote. Zij schrijft ergens voorjaar 1826 aan de permanente commissie dat het gezin het loon van Blatter graag geheel in zilver wil hebben De reden waarom dat is weten we pas als we die brief gevonden hebben.
.
De permanente commissie stuurt die brief op 16 juni 1826 N231, invnr 358, naar de directeur voor advies. De directeur reageert in een brief met nummer N448 op 23 juni 1826, invnr 79 scans 351-353:

Eindelijk dat de veldwagter Blatter te Ommerschans, even als de geemployeerden, gedeelte in zilver uitbetaald, en daarom het verzoek van deszelfs vrouw niet te pas kan komen, zoo ware(?) zij mogt willen verzoeken om de verdiensten haars mans geheel in zilver te ontvangen; hetgeen mijn inziens even zoo min nodig is als van elken anderen geemployeerden.

Zonder opgaaf van redenen dus. De reactie van de directeur wordt besproken op 13 juli 1826 N7. De notulen van die dag, invnr 40, melden dat de directeur adviseert tegen het verzoek en dat de permanente commissie dat overneemt en zal overbrengen aan vrouw Blatter. Dat laatste gebeurt op 14 juli 1826 N311, invnr 359. Maar daarin zullen, net als alles hiervoor, vast en zeker GEEN redenen gegeven worden waarom het loon deels in koloniale munt moet.

JOHANNES MACHIELS, 1827

Op 30 augustus 1827 meldt Johannes Machiels, boekhouder bij de Ommerschans, zie over hem deze pagina, ontevreden te zijn over zijn loon, invnr 86. Hij verdient zes gulden per week en krijgt daarvan 4,75 in geld en verder is 'de uitbetaling van zijn traktement gedeeltelijk in produkten, bestaande in 18 oude ponden aardappelenbrood, vier oude ponden boekweitenmeel, en een half mudde aardappelen, geschied'.
Dat voldoet niet, 'kunnende hij de hem toegedeelde produkten niet consumeren, en het grootste gedeelte derzelven ook niet verzilveren of verruilen'.
Hij meldt dat hij 'van geene 6.- per week kan bestaan vooral niet wanneer de betaling derzelve nog gedeeltelijk in produkten geschied, die hij niet in zijne huishouding kan verbruiken'.

Hier klopt dus ook iets niet. Blijkbaar krijgt Machielse 1.25 in koloniale munt en dat komt NIET overeen met 2/5de van zijn salaris van 6.-- Blijkbaar gaat het met dit besluit net als met vele andere besluiten: naar buiten toe doet de Maatschappij of alles in de kolonin strikt en consequent geregeld is, in werkelijkheid doet iedereen maar wat.

De directeur merkt over de brief op 21 september 1827 op, invnr 87, dat 'Machielse hier in slegts gelijk staat met alle andere geemployeerden, dat dit bij hem zoo min als bij iemand hunner eenige reden van klagen kan geven, wijl bij het aanvaarde hunner bediening de voorwaarde der uitbetaling gedeeltelijk in producten bestond; dat die weinige producten welke thans aan de geemployeerden worden verstrekt geen nadeel van eenig belang kan veroorzaken, wijl het zodanige producten zijn, die in elke huishouding onmisbaar kunnen worden gerekend'.

JOHANNES HENDRIKUS BODENSTAF, 1829

Johannes Hendrikus Bodenstaf is begonnen als proefkolonist, maar al na korte tijd is hij kolonist-aannemer. Als de landjes rondom hoeves groter moeten worden dan eerst gepland, verplaatst hij woningen uit de proefkolonie die elders weer worden opgebouwd. In 1824 bouwt hij kolonie 7, die later bij Wilhelminaoord gevoegd wordt en die nog later bekend wordt als Boschoord. Daarna doet hij onderhoudswerk aan koloniale hoeves.

Volgens de notulen van de permanente commissie van 10 september 1829 N6, invnr 368, is er binnengekomen een 'Adres J H Bodenstaff om hem en zijne knechts zes stuiver aan zilver van hunne wekelijksche verdiensten uit te betalen'. Erachter is geschreven 'declineren', dus afwijzen. De brief waarin dat aan Bodenstaf wordt meegedeeld is niet bewaard gebleven en ook het door Bodenstaf gezonden adres is (nog) niet bij de ingekomen post gevonden.

DIRK FREDERIK HAARMAN, 1830

Dirk Frederik Haarman wordt op onbekende datum (het staat niet in het personeelsregister aangetekend) aangesteld als 'adsistent bij den boekhouder van het 2e en 3e Etablissement buiten' voor drie gulden per week in koloniale munt. Op 31 augustus 1830 richt hij zich tot de permanente commissie, invnr 107 scans 965-966, of hij dat in gewoon geld kan krijgen om 'eeniger mate beter in de behoefte des huishouding mijner moeder te kunnen voorzien'. Zie over de familie Haarman deze pagina.

Hoe het kan dat hij helemaal in koloniaal geld wordt uitbetaald, kan ik ook niet begrijpen, want dat staat niet in het besluit van 10 mei 1825. Hoe dan ook, op 27 oktober 1830 N6, invnr 381 laat de permanentye commissie hem weten 'dat aan zijn verzoek niet kan worden voldaan'.

ONDERMEESTERS, 1839

Op 11 december 1839 in een brief met nummer N3428, invnr 221 scan 311, brengt de directeur onder andere over:

Een verzoek tot omzetting van koloniaal zakgeld in gewone specie van ondermeesters bij het 2 Gesticht, tot den aankoop van boeken, onder toezigt van den onderwijzer. Hieraan heb ik gemeend wel te kunnen voldoen.

De permanente commissie legt dit op 3 januari 1840 N3b voor advies in handen van het lid dominee Ruitenschild en dat is een steile. Uit 17 januari 1840 N15, invnr 496, blijkt dat het gaat om de ondermeester Vrieze, de zoon van zaalopziener Laurens Vrieze en het besluit van die dag luidt dat 'wij vermeenen ten behoeve van den ondermeester Vrieze, geen uitzondering op den regel te kunnen maken'.
Verderop, zie bij het tussenkopje Curieus Loongebouw, zal blijken dat er helemaal geen regel is.

VELDWACHTERS VEENHUIZEN, 1840

Op 15 september 1840 in een brief met nummer N2367, invnr 235 scans 374 tot en met 381, doet de directeur der kolonin verslag van een bezoek aan Veenhuizen op 11 en 12 september. Naar aanleiding van dat verslag neemt de permanente commissie op 26 september 1840 bij agendapunt N30 een aantal besluiten, invnr 978 en invnr 507, waaronder als vierde:

te bepalen dat de veldwachters zoo veel mogelijk uit de veteranen zullen worden genomen, zullende ten einde de veteranen tot de veldwachtersdienst te Veenhuizen aan te moedigen het salaris der veteranen veldwachters aldaar ad f 2.-- 's weeks, geheel in zilver uitbetaald worden en de verdiensten hunner huisgenooten in koloniale munt zonder inhouding voor kleeding worden uitbetaald, ten einde hen wat het genot van voordeelen betreft volkomen gelijk te stellen met die te Ommerschans.

ARNOLDUS G. VAN RIJNEVELD CLANT, 1845

Arnoldus Gijsbertus Rijneveld-Clant is geboren 26 september 1813, volgens genealogien op internet te Amsterdam als zoon van Jan Hendrik Clant en Johanna Abramina Van Reyneveld. Hij wordt bij besluit van 27 februari 1844 N6, invnr 549, aangesteld als boekhouder-buiten van het eerste gesticht te Veenhuizen. Hij staat als zodanig vermeld op folio 59 van het personeelsregister met invnr 998.

Die functie houdt in dat hij niet de bevolking van dat gesticht, bestaande uit weeskinderen, administreert, maar de grote boerderijen en de veldarbeid op het terrein eromheen. Met dat werk verdient hij 6.-- per week, maar daar zit een bezwaar aan, schrijft hij op 15 september 1845 als 'suppliant' (= indiener van een verzoekschrift) aan de permanente commissie, invnr 310 scan 880:

Geeft met verschuldigde eerbied te kennen

Arnoldus Gijsbertus van Rijneveld Clant, boekhouder bij het 1e Etablissement Veenhuizen buiten, dat hij suppliant, met opzigt tot het wekelijks tractement van 6:-- eenige wijziging verlangde daargesteld te zien, en wel bepaaldelijk de daaronder begrepen 1.25 koloniale munt, welke hij suppliant slechts tot 2/5 gedeelte toe kan besteden; terwijl hij van de resterende 3/5 gedeelte van genoemden munt geen gepast gebruik maken kan.
Daar gezegd tractement van 6:-- voor hem voldoende geacht kan worden, zoo zou echter deze omstandigheid, als een uitgesteld gebruik, van het geheel, beschouwd kunnen worden.
Het is alzoo, dat de suppliant zich tot de Perm. Comm. wendt, en nederig verzoekt, dat het haar moge behagen, hierop eene verandering te bewerkstelligen, om in plaats van 4.75 zilver, met 1.25 koloniale munt, het te brengen, voortaan op 5.50 zilver en slechts 50 cents koloniale munt, en hem suppliant dir verzoek, wel te willen verleenen.

VERWARRING, 1845

Wederom klopt de 1.25 niet met het 2/5de van zijn salaris. Op de achterkant van het verzoekschrift, scan 881, is al aangetekend dat het als gebruikelijk voor advies wordt doorgezonden naar de directeur der kolonin en dat gebeurt op of 27 september 1845 bij agendapunt N14, invnr 572. Maar daarvr, 23 september 1845 bij agendapunt N16, ook invnr 572, is het ook al besproken want er is verwarring.

Opmerkelijk is een notitie van een lid van de permanente commissie, de scans 878 en 879. Men weet totaal niet meer hoe het zit! Aan Johannes van den Bosch, de bedenker van het besluit van 10 mei 1825, kan men het niet vragen, want die is januari 1844 overleden. Dus tast de notitieschrijver volledig in het duister:

Eene bijzondere bepaling op eene gedeeltelijke betaling van het salaris der employs in de kolonien in koloniale munt is mij onbekend;
bestaat die al, dan komt het mij voor dat ze zeer oud is en mogelijk wel dagteekent van de eerste daarstelling, uitgaande van het denkbeeld dat de ambtenaren verpligt een gedeelte van hunne bezoldiging in producten van de grond te voldoen;
later is men daar van afgeweken, zoo b.v. ontvangen aan het 2e gestichten te Veenhuizen Boekhouder-buiten, Magazijnmeester, Klompenmaaker, Wagenmaker, Bakker, Fabrijkschrijver, enz. hun salaris tans geheel in zilver;
- ik voor mij geloof dat het tegenwoordig verkieslijk zoude zijn, om geen der ambtenaren meer koloniaal geld uittebetalen, ten einde daardoor indien mogelijk de handel in koloniaal geld ten minste eenigzints te keer te gaan.

Met een onleesbare krabbel eronder. Als de directeur op 10 oktober 1845 in een brief met nummer N2538, de scans 875 en 876, reageert, blijken er meer te zijn die het besluit van 10 mei 1825 niet kennen. Zoals alle mensen die in het verleden employs hebben aangenomen.

BRIEF DIRECTEUR, 1845

De directeur vat eerst het verzoek van Van Rijneveld Clant samen, eindigend op diens wens om minder koloniaal geld te ontvangen, 'uit hoofde de suppliant daarvan geen gepast gebruik zou kunnen maken'.

Dat motief niet voor geldig houdende, daar immers veel meer dan 1.25 voor kostgeld of eerste levensmiddelen moet worden besteed, zoo moet ik echter erkennen, dat de uitbetaling van een gedeelte koloniale munt al zeer onregelmatig plaats heeft, zoo als UwHEdG zal blijken uit den staat van mindere ambtenaren, beneden het tractement van 500.-- s jaars, welke UwHEdG bij dezen wordt aangeboden, volgens welke er eene menigte ambtenaren is, die al hun salaris in gewoon geld, andern die 1/5, maar enkele die veel meer, tot ten naasten bij de helft toe, in koloniale munt ontvangen.

Van den anderen kant is het ook waar, dat zij, die niet voor een gedeelte in koloniale munt betaald worden, daarop of aangenomen zijn of hun salaris aldus reeds zoo lang genoten hebben, dat dat als het ware, door den tijd is gewettigd geworden, ofschoon het natuurlijk aan UwHEdG blijft voorbehouden, daarin steeds zoodanige wijziging te brengen als UwHEdG zal goedvinden. 

Daarmee heeft hij gelijk. Er bestaat nog geen enkele vorm van rechtsbescherming voor werknemers, dus als de permanente commissie besluit de lonen te veranderen dan kan zij dat gewoon doen en voor iedereen die boos wegloopt zijn er tien anderen te krijgen.

CURIEUS LOONGEBOUW

De bijlage die hij meestuurt, de scans 882 en 883, is onthutsend, er blijkt een volslagen willekeur te zijn. Op de een of andere manier schijnt 1.25 (oftewel 65 gulden per jaar) de norm geworden te zijn voor betaling in koloniale munt:

Lijst van de koloniale ambtenaren, wier tractement beneden de 500.-- bedraagt, met aanwijzing van het gedeelte huns salaris, hetwelk in koloniale munt wordt uitbetaald

Omschrijving
zilver
kol.munt
Kolonie No 1

De Boekhouder
7.---

De Schoolmeester
4.52
1.25
De Adsistent-Boekhouder
2.---

De Timmermansbaas
7.---

De Baas der Katoenweverij
7.---

Kolonie No 2

De Boekhouder
8.---

De Adsistent-Boekhouder 3.---

De Schrijver des Adj.Direct.
3.---

De Hoofdonderwijzer
5.96 1.25
De 1e Bijschoolhouder
2.59 1.25
De 2e Bijschoolhouder
1.63 1.25
De ondermeester
2.---
Een wijkmeester
3.75 1.25
De Fabrijksbaas
8.---
De Baas der Katoenweverij 7.---
De Smitsbaas
7.---
De Schrijver der fabrijk
5.75 1.25
Kolonie No 3

De Boekhouder 7.---
De Adsistent-Boekhouder 3.---
Idem
2.---
De Hoofdonderwijzer 5.96 1.25
De Onderwijzer 2e school
5.--- 1.25
De Isralitische Onderwijzer
2.---
De idem Ondermeester
0.50
De Timmermansbaas 7.---
De Schrijver der fabrijk 4.75 1.25
De Onderbaas der fabrijk
7.---
Ommerschans-buiten

De Boekhouder
4.75 1.25
4 Wijkmeesters
4.75 1.25
De Veearts
2.75 1.25
De Timmermansbaas 7.---
13 Hoevenaars
3.50 1.25
Ommerschans-binnen

De Boekhouder 5.75 1.25
De Hoofdonderwijzer 7.46 1.25
De Magazijnmeester
4.75 1.25
De Winkelier
7.---
De Fabrijksbaas 8.---
De Smitsbaas 7.---
De Klompenmakersbaas
6.---
3 Zaalopzieners a
3.95 1.25
4 idem
3.---
De Bakkersbaas
3.75 1.25
De Brigadier
3.95 1.25
De Adsistent Apotheker
1.50 1.50
De Ondermeester
3.---
Veenhuizen No 1-buiten

De Boekhouder 4.75 1.25
Een Wijkmeester
6.---
Een idem
4.---
4 Hoevenaars
5.---
De Schaapherder
4.50
Veenhuizen No 1-binnen
De Boekhouder 5.75 1.25
De Magazijnmeester 4.75 1.25
De Schoolmeester
7.40 1.25
2 Tweede Onderwijzers
4.05 0.75
2 Derde dito
2.88
De Adsistent-Boekhouder 3.---
Een Wijkmeester
4.75 1.25
2 Zaalopzieners
3.---
6 idem
3.95 1.25
De Fabrijksbaas 5.75 1.25
De Winkelhouder
5.75 1.25
De Waschvrouw
2.---
Veenhuizen No 2-buiten
De Boekhouder 6.---
2 Wijkmeesters a
6.---
5 Hoevenaars
5.---
Veenhuizen No 2-binnen
De Adsistent-Boekhouder 3.---
De Hoofdonderwijzer
6.21 1.---
Een Ondermeester
2.30
De Winkelier
5.75 1.25
De Fabrijksbaas 7.---
De Magazijnmeester 6.---
De Wagenmakersbaas
7.---
De Smitsbaas
5.75 1.25
De Klompenmakersbaas 6.---
De Bakkersbaas
4.---
De Schrijver der fabrijk 5.---
De Molenaar
5.20
2 Zaalopzieners a
3.95 1.25
5 idem
3.---
Veenhuizen No 3-buiten
De Boekhouder 5.75 1.25
De Opziener der gebouwen
7.---
2 Wijkmeesters a
6.---
De Opziener der Veenen
6.---
2 Hoevenaren a
5.---
1 idem
4.---
De Veearts
5.---
De Schaapherder
5.---
Veenhuizen No 3-binnen
De Boekhouder 7.---
De Hoofdonderwijzer 5.96 1.25
De Ondermeester
2.88
De Winkelhouder
5.75 1.25
De Fabrijksbaas 7.---
De Breivrouw
3.---
De Magazijnmeester 4.75 1.25
Een Zaalopziener
5.75 1.25
5 idem
3.95 1.25
Katoenspinnerij

6 Adsistenten
6.---
1 idem
5.---
1 Poortier
2.---

MOGELIJKE MAATREGELEN

De directeur begin in zijn brief alvast te filosoferen welke regelingen er zouden kunnen komen:

Mij komt het voor, dat er eene gelijkheid in dient te worden gebragt, hoe onaangenaam zulks zeer velen vallen zou, wanneer UwHEdG daartoe mogten komen en UwHEdG niet geneigd waren om de betaling voor een gedeelte in koloniale munt geheel afteschaffen;
want naardien de prijzen der winkelwaren en levensmiddelen tegenwoordig doorgaande wat hoog gesteld worden, zal het altoos eenig verlies opleveren voor hen, die vervolgens gedeeltelijk met koloniale munt zullen betaald worden;
doch, wanneer dat gedeelte op niet meer dan een vijfde gedeelte bepaald wordt, kan dit dan toch geen groot verlies opleveren, daar de meeste hunner toch wel zulk een gedeelte, direct of indirect in de koloniale winkels besteden.

PRIJSVERSCHIL

Dit is de eerste en enige keer dat er wordt toegegeven dat de prijzen in de koloniale winkels hoger zijn dan elders. De kolonisten, die allemaal gedeeltelijk in koloniale munt worden uitbetaald, hebben dat vaak beweerd, maar officieel heet het dat ze gelijk zijn aan de prijzen op de markt in Meppel. De directeur spreekt hier wel van 'tegenwoordig'.

Het is haast te veronderstellen, dat zulk eene wijziging, voor sommigen, slechts eene winstderving en geen verlies zal te weeg brengen, wanneer zij thans, gebruik makende van den lageren koers der koloniale munt, die doorgaande 80% is, zich daarmede zoo veel voordeel doen als de werkelijke waarde dien koers te boven gaat.

WISSELKOERS

Hier moet je economie voor gestudeerd hebben, al is het maar om het verschil (??) tussen verlies en winstderving te begrijpen. Bijzonder is, en dat heb ik ook nergens anders door de directie horen toegeven, dat de wisselkoers van de koloniale munt dus NIET een-op-een is, maar dat je bij elke omwisseling van een gulden koloniale munt twintig cent kwijt raakt.

Om de ongehuwde personen en klein bezoldigde daarvan uittesluiten, ook daarvoor zie ik geen voldoende reden, om dat ook die ongehuwden hun onderhoud moeten bekostigen en in het accoord gevoegelijk koloniale munt kunnen begrijpen en zoo ook de suppliant en de klein bezoldigden, even zeer, een gedeelte in winkelwaren moeten besteden en de schade, die er op bestaat, naar evenredigheid kunnen dragen:

De gelijkheid bovenal, hetzij afschaffing, hetzij niet meer dan 1/5 van het volle bedrag van het salaris voor alle mindere ambtenaren in koloniale munt betaalbaar stellen en dan eerst ingaande met 1 January aanstaande, omdat het een wijziging is van de verbintenis, die er met de ambtenaren is aangegaan;
Dit zou mijn gevoelen zijn, en dus ook om in het onderhavig verzoek, zoo als het daar ligt, niet te treden, welk gevoelen ik echter gaarne aan UwHEdG beter oordeel overlaat.

NAGEGAAN

Geen gehoor geven aan de wens van Van Rijneveld Clant is wel een van de simpeler onderdelen van de kwestie en 'Clant afwijzen' is een van de notities die leden van de permanente commissie op deze brief hebben gemaakt. Maar er zit meer aan en penningmeester Jeremias Faber van Riemsdijk krabbelt op de brief:

Deze zaak dient goed nagegaan te worden en tevens onderzocht of er ook ?? in strijd met vroegere bepalingen hebben plaats gehad, ten einde dan eene goede vaste bepaling te maken. vR

BESLUIT

Andere aantekeningen op de brief lopen alvast vooruit op het te nemen besluit. Men durft het toch niet aan. Als gezegd zou het best kunnen om in al die salarissen te gaan snijden, maar de permanente commissie realiseert zich dat het een e-n-o-r-m-e stampij gaat opleveren. Dus op 29 oktober 1845 bij agendapunt N12, invnr 983 en invnr 573, besluit men:

1e Aan den Adsistent te kennen te geven dat zijn verzoek niet vatbaar is bevonden voor eene gunstige beschikking.

2e Te bepalen, dat de koloniale ambtenaren, welke na de dagteekening dezes, op een salaris van minder dan 500.-- 's jaars zullen worden aangesteld, een vijfde gedeelte van hun salaris in koloniale munt zullen ontvangen.

3e Den Directeur der kolonien te kennen geven, dat de Permanente Commissie besloten heeft, ten aanzien der thans fungerende ambtenaren de uitbetaling der salarissen in zilver en koloniale munt te laten op den bestaande voet.

JOHANNES MATTHEUS COENRAADTS, 1849

Johannes Mattheus Coenraadts is volgens de kolonie-administratie geboren op 24 maart 1804. Hij is weduwnaar, van de hervormde godsdienst en hij wordt op 19 november 1845 door de subcommissie van weldadigheid te Amsterdam uit de contributie geplaatst in de vrije kolonin. Hij heeft de volgende kinderen bij zich:

● Allida Johanna Coenraadts, geboren 5 mei 1829,
● Paulina Mathilda Coenraadts, geboren 29 november 1830,
● Marie Madelaine Coenraadts, geboren 30 augustus 1832,
● Jacoba Hendrika Coenraadts, geboren 13 mei 1834,
● Johannes Mattheus Coenraadts, geboren 17 januari 1836, en
● Willem Christiaan Coenraadts, geboren 12 februari 1838.

Ze beginnen, met n ingedeelde, op hoeve 90 van Willemsoord en wordt op 7 april 1846 overgeplaatst naar hoeve 85, allebei te vinden in invnr 1362. Op 17 juli 1847 worden ze verplaatst naar de kolonie Frederiksoord woning 1d, invnr 1350 scan 154 en invnr 1351 scan 160. Volgens mij is dat geen hoeve, maar een gedeelte van het grote gebouw middenin de kolonie. In ieder geval is het volgens invnr 1351 een 'woning zonder grond'.

Wat niet in de stamboeken staat vermeld, is dat Johannes Mattheus vanaf zijn komst te Frederiksoord de geneesheer assisteert met het bereiden van medicijnen. Volgens het proefschrift van Miek Roelfsema was Coenraadts 'een voormalig apotheker in Amsterdam wiens winkel door alcoholmisbruik teloor was gegaan'. Op 15 september 1849 schrijft J.M. Coenraadts aan de permanente commissie, invnr 652 bij 25 september 1849 N7:

Ik meen het belang der Maatschappij zoo veel mogelijk in het oog te hebben gehouden in mijne betrekking van Apothecar, en niet minder daar en waar zulks gevorderd werd, vooral in den laatsten tijd, de geneeskundige dienst van dienst te zijn geweest, waaromtrent men den Heere Chef voor die dienst zou kunnen hooren, uit aanmerking nu daarvan, en in het belang van mijn talrijk gezin, verzoek ik Uw Hoog Eds aller beleefd de goedheid te willen hebben, mij ene gulden zilver per week van mijn salaris toetekennen, en niets zal door mij verzuimd worden, om, in het belang der Maatschappij en de geneeskundige dienst mijne meeste vlijt aantewenden.

Die chef van de geneeskundige dienst is Johannes Everhard Ranneft die sinds 19 september 1847 te Frederiksoord is gevestigd. Met 'vooral in den laatsten tijd' bedoelt J.M. Coenraadts misschien de volgende door Roelfsema beschreven periode: 'Toen Ranneft door een ongeluk met zijn paarden enkele weken geen dienst kon doen, bezocht Coenraads voor hem te voet de patinten. Daardoor was het inschakelen van een waarnemer niet nodig geweest en had zijn ziekte niets extra gekost.'

Maar de permanente commissie schrijft 25 september 1849 N7, invnr 652:

Geeft aan den adressant te kennen, dat soortgelijke verzoeken in den algemeenen regel niet vatbaar zijn voor een gunstige beschikking, en slechts in zeer bijzondere gevallen, bij wijze van uitzondering, eene afwijking van dien regel is toegestaan, waartoe echter de P.C. in dit geval geene termen heeft gevonden en mitsdien in zijn verzoek niet kan worden getreden.




TOT 1859

En dus blijven Johannes Mattheus Coenraadts, Arnoldus Gijsbertus van Rijneveld Clant en de anderen in de lijst hierboven altijd een gedeelte van hun salaris in koloniale munt ontvangen. Tot daar september 1859, vlak voordat de Staat de gestichten te Ommerschans overneemt van de Maatschappij van Weldadigheid en de Maatschappij doorgaat met alleen Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord, verandering in komt.

De permanente commissie is dan al een tijd buiten gebruik,want ze is eind 1856 afgetreden. Dat is een gevolg van de onderhandelingen met de Staat en het is inmiddels wel duidelijk dat die Staat per eind 1859 de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen zal overnemen van de Maatschappij.

De honneurs worden sinds het aftreden van de permanente commissie waargenomen door de 'gecommitteerde der regering', baron Mackay, wiens archief trouwens ook deel uitmaakt van het archief van de Maatschappij van Weldadigheid. De baron is niet zo goed ingewerkt in de kolonin als de leden van de permanente commissie en dat wreekt zich soms.

Blijkbaar heeft de baron op 10 mei 1859 aan de directeur geschreven over het 'woekeren' met koloniale munt. Die brief zit niet in invnr 913, de uitgaande post van mei 1859, dus de baron heeft hem als privpersoon geschreven. Dat klopt ook met de melding van 'een particulier schrijven' in de reactie van de directeur.

Die reactie van de directeur is op 18 mei 1859 met brief N1446. De brief, met het opschrift 'Vertrouwelijk' is te vinden bij de agenda van 15 augustus 1859 N11, invnr 922.

Naar aanleiding van een particulier schrijven van UwHwG van den 10 dezer maand, heb ik het bestaan van - en het zoogenoemd woekeren met koloniale munt aan de gestichten nog eens rijpelijk overwogen, waarvan ik de eer heb UwHwG hier den uitslag medetedeelen, in voldoening aan het verlangen om raad, aangaande de afschaffing der betaling, voor een klein gedeelte, in die munt, van het salaris der mindere ambtenaren als ook van de verdiensten der kinderen van sommige hunner.

De directeur legt uit wat het doel van de koloniale munt is en waarom kolonisten soms hun koloniale munt willen inwisselen voor gewoon geld. Dat gaat niet over ambtenaren, dus hoort niet hier, maar staat op de pagina omwisseling.
Hij constateert tenslotte...:

dat er een bestendige ruilhandel bestaat van koloniale munt voor gewoon geld.

De koloniale munt is, uit den aard der zaak, eene koopwaar: Eenigen bieden ze te koop aan, die gewoon geld verlangen, anderen vragen ze te koop, al naar mate van ieder bijzonder belang, begeerte en inzigt.

Dat de koloniale munt steeds minder waarde heeft, ontstaat uit de daaraan verbonden beperking.

Doorgaande zijn de koloniale winkelwaren ook iets duurder dan in de buitenwinkels; maar al waren ze dit niet, het getal bezitters van koloniale munt is, in verhouding, te groot, dan dat men geen gedeelte daarvan onder een minder getal bezitters van gewoon geld zou verlangen te verwisselen.

Doorgaande is de koers van 1.- gewoon geld tegen 1.25 koloniale munt, doch het verschil is ook wel eens minder.

f nu die ruilhandel wel woeker kan worden genoemd zou ik betwijfelen. Ieder toch, die met zijne koloniale munt te vreden is en daarvoor slechts verlangt, wat hun in den kolonialen winkel word aangeboden, verliest niets. Hij geniet wat hem is toebedacht. Niemand noodzaakt hem op zijn koloniale munt te verliezen.

Woeker bestaat eigenlijk in misbruik maken van eens anders geld-verlegenheid.

Zoodanige verlegenheid heeft de kolonist niet.

Die geldverlegenheid is er niet omdat de kolonist voor noodzakelijke zaken steeds omgewisseld krijgt. Hij gaat in op de positie van de veteranen en op de mogelijkheid met koloniaal geld groenten en vis te kopen, zie voor dat alles de pagina 'omwisseling'. En dan gaat hij in op mogelijke 'woeker':

Met hoeveel aandrang ik iederen Adjunct-Directeur en den onderdirecteur van binnen heb afgevraagd, welke verkeerdheden door minderen ambtenaren er zouden plaats grijpen, of zelfs werden vermoed, geen hunner doet mij daaromtrent iets aan de hand, dat tot navorsching en keering zou kunnen leiden.

De mindere ambtenaren, welke thans gedeeltelijk in koloniale munt hun salaris ontvangen, zullen dit ongetwijfeld liever geheel in gewoon geld ontvangen.

De veteranen-zaalopzieners en veldwacchters worden geheel in gewoon geld betaald, maar niet de verdiensten die de overige leden hunner huisgezinnen maken.

Kinderen van eigenlijke ambtenaren zijn er zeer weinig die verdienste maken, welke in koloniale munt worden betaald. Hun getal bedraagt 12 te Ommerschans met 8.- verdiensten en te Veenhuizen 10 met 5.- verdiensten, zijnde dit de loontrekkende lves.

De veteranen-ambtenaren die hun eigen salaris in gewoon geld erlangen, hebben geen belang of behoefte aan meer, om ook de verdiensten hunner kinderen in gewoon geld te zien uitbetaald.

De overige mindere ambtenaren kunnen het kleiner deel huns salaris mede wel in den kolonialen winkel besteden, doch zouden het anders wel verlangen.

Het getal lves vermindert steeds.

Alleen om de regelmatigheid en, als ik het zeggen zal, ook om de billijkheid, zou ik UwHwG wel aanraden, het salaris der mindere ambtenaren geheel in gewoon geld te doen uittebetalen, zonder daarmede echter te beweeren, dat deze of gene daardoor minder geneigdheid zoude hebben, om koloniale munt in te koopen, daar zij, die dat doen willen, de overgenomen koloniale munt toch wel door dezen of genen in den winkel kunnen doen besteden.

Of soms eenig minder ambtenaar met de omwisseling pari van wege de Maatschappij belast, of de kas-houders der diaconie-gelden, misbruik maken van het in hun gestelde vertrouwen, om door hen of hunne huisgenooten opgekochte koloniale munt, te steken onder dat, wat zij pari kunnen gewisseld krijgen, - ik kan dit onmogelijk bepaald ontkennen, maar voor 's hands gelooven doe ik het niet, ook omdat daarvan nooit iets uitlekt of ontdekt wordt, althans ter mijner kennisse komt. 

Uit gekrabbel in de kantlijn blijkt al dat de gecomitteerde hier werk van wil maken en op 15 augustus 1859 N11 neemt hij het navolgende besluit, invnr 922:

DE GECOMMITTEERDE DER REGERING BIJ DE MVW ENZV

Gelezen den brief van den Directeur der kolonin van den 18 Mei jl N1446 (verrtrouwelijk)

Willende zoo veel mogelijk trachten tegen te gaan het zoogenoemd woekeren met koloniale munt aan de gestichten te Ommerschans en te Veenhuizen

BESLUIT

1o Te bepalen dat na den 10 September aanstaande ook de tractementen van al de mindere ambtenaren aan opgemelde gestichten geheel in gewoon geld zal worden uitbetaald.

2o Ten strengste te verbieden dat door eenig ambtenaar of diens huisgenooten koloniale munt worde omgewisseld, zullende geen ambtenaar van die munt ook meer mogen bezitten dan blijkbaar aan de leden van zijn gezin voor gemaakte verdiensten is uitbetaald, terwijl bij die ambtenaren van wie de leden des gezins geene verdiensten maken, in geen geval dusdanige munt zal mogen worden gevonden.

Daar heeft Van Rijneveld Clant niet lang profijt van, want op folio 59 van invnr 998 staat genoteerd 'V Rijneveld Clant eervol uit zijne betrekking ontslagen en de gestichten verlaten 20 mei 1860'. De employs in Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord hebben er nog minder mee te maken, want op 1 januari 1860 is daar het koloniale geld afgeschaft.