Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Bij de nieuwe tuchtreglementen voor alle categorieŽn koloniebewoners die gedurende 1829 worden ingevoerd rept er slechts eentje van valsemunterij

Binnen de koloniŽn van weldadigheid komen alle vormen van oplichting en sjoemelarij in zeer ruime mate voor. Maar of het sjoemelen met koloniaal geld komt heel weinig voor of het is bijna altijd onontdekt gebleven. Het wordt wel veel gestolen, hier alle meldingen van koloniaal geld in de tuchtzaken en bij de kleine raad.

1822: CIJFERS VERANDERD

Carl Franz Ludwig Fenner wordt in december 1822 ontslagen als onderdirecteur annex winkelier van de Ommerschans. Op 14 februari 1823 blikt hij schriftelijk terug op zijn tijd op de schans en daarbij schrijft hij ook over twee bedelaars 'die de cijfers in eenigen winkel≠kaarten verandert, en dus eenen bedroog gepleegd hadden'.

Volgens zijn verslag worden ze op een bank gelegd en door mannen vastgehouden terwijl een onderofficier hen met een lat op de billen slaat. Fenner schrijft dat het beŽindigd werd toen hij ingreep omdat een van de twee een breuk heeft en 'ik vreesde dat hij onder der straf mogd doot blijven'. De volledige tekst staat hier.

Die gebeurtenis moet zich hebben afgespeeld in oktober of november 1822, kort na de opening van het bedelaarsgesticht op de Ommerschans, en het is het eerste tot nu toe in het archief gevonden geval van poging tot valsmunterij met koloniaal geld.

1826: BROODKAARTJES EN WINKELGELD

Bij 'den kleinen raad der vrije koloniŽn' van 21 oktober 1826, zie hier, verschijnt de kolonist Jan van der Wulp die blijkbaar als schoenmaker in Frederiksoord werkzaam is, voor meer over hem zie hier. De notulen melden: 'van der Wulp, van kol n.1, klagende dat hij, bij de verledene week ontvangene 60 centen, 10 cents aan broodkaartjes ontvangen had. Nog had hij boven dien 30 centen broodgeld in huis, die hij van de kolonisten, wegens schoenenlappen verdiend had. Gaarne had hij deze voor winkelgeld verwisseld, ten einde zout, olie, pikgaren enz te koopen.'

De onderdirecteur zal het regelen, maar belangrijk om te noteren is dat de in 1826 ingevoerde broodkaartjes, zie hier, blijkbaar bestaan NAAST gewoon winkelgeld (bestaande uit winkelkaartjes, zie hier, en kleingeld aan metalen muntjes, zie hier).

OMWISSELEN BROODKAARTJES VEENHUIZEN

Bij de 'kleinen raad der vrije kolonien' van 19 januari 1828, zie hier, verschijnt Sjerp Jans Brada die 16 december 1827 is bevorderd van arbeider te Veenhuizen tot vrije kolonist in Wilhelminaoord. De notulen melden: 'Brada, voor eenige dagen aangekomen van Veenhuizen, vertoonende drie broodkaartjes van Veenhuizen, ieder groot 50 centen, waarvoor hij hier niets te koop kon krijgen.
Verzoekende hem dat geld te verwisselen voor de hier gangbare koloniale munt.'

Het wordt voor hem geregeld, maar belangrijk te noteren is dat de broodkaartjes, zie hier, dus ook in Veenhuizen in gebruik waren. Maar blijkbaar hebben ze een ander uiterlijk dan die in de vrije koloniŽn.

KAARTJES VAN 25 EN 50 CENT

Bij de kleine raad voor de vrije koloniŽn van 10 november 1827, zie hier, wordt een litanie van klachten behandeld van de kolonist Hendrik Sabelis, voor meer over hem zie hier. Onder die klachten dat de wijkmeester hem niet zijn volledige loon geeft, 'als latende hem telkens eenige centen te goed houden, die denzelven naderhand vergeten waren'.

De wijkmeester, Jan de Jong, komt daarop verklaren:

Dat Sabelis wel eens centen te goed heeft gehouden, doch meermalen ook te veel ontvangen, omdat de uitbetaling geschiedt met kaartjes van 5 en 10 stuivers, hetgene eene effene verrekening tusschen wijkmr en kolonisten onmogelijk maakt.

In de kantlijn meldt de directeur der koloniŽn dat hij wil dat dit uitgezocht wordt. Hij begrijpt het niet,

daar er zoo wel dubbeltjes, stuivers, centen en halve centen bestaan als tien en vijf stuivers, ten minste van den beginne aan aanwezend zijn geweest.

KAARTJES VAN 25 EN 50 CENT, VERVOLG

Op de zitting van de kleine raad van 1 december 1827, zie hier, doet de commissie die het heeft uitgezocht verslag:

De onderdirekteurs ontvangen wekelijks tot de te doene uitbetaling, het winkelgeld in kaartjes van 25 centen, en het broodgeld in kaartjes van 50 en 25 centen, bij welk laatste doorgaans nog eenige weinige 10 en 5 centen gevoegd worden. Dit geschiedt omdat er geen ander geld van belang meer voorhanden is.
Daar de onderscheidene wijkmeesters deze kaartjes alzoo van hunne onderdirekteurs ontvangen, moet het zoo wel voor dezen moeijelijk zijn, met de kolonisten effene rekening te houden, als het voor de laatsten bezwaarlijk is, met de winkeliers effen te blijven.

Op 28 december 1827 in brief N270, moet de permanente commissie hier op gereageerd hebben, want op 4 januari 1828, invnr 89 scan 46, schrijft de directeur der koloniŽn in een brief met nummer N3A terug:

Op die van den 28e December N270 dient, dat bij onderzoek gebleken is, dat van het in der tijd gekreŽerde kopergeld en kaartjes van 10 cents in de gewone kolonien, zeker een groot gedeelte moet zijn verloren geraakt, wijl daarvan slechts weinig meer voorhanden is, en dus de Algemeene Boekhouder aan de onderdirekteuren, en deze de wijkmeesters, hoofzakelijk kaartjes van 25 en 50 centen heeft moeten geven, waar door het somtijds onmogelijk werd, de kolonisten hunne verdiensten tot de laatste cent uit te betalen, en men gevolgelijk genoodzaakt was, tot het tegoed houden, tot een volgende week.

Om dat nu in het vervolg voor te komen, zullen wij verpligt zijn weder eenige koperen munt of kaartjes van klijne waarde te moeten daarstellen.

De permanente commissie behandelt deze brief bij de notulen van 7 februari 1828 artikel 34. Volgens de notulen, invnr 40, wordt de mededeling van de directeur 'over de kopere munt & de kaartjes' voor notificatie aangenomen.
Het is sterk de vraag of de directeur echt nieuwe munten en kaartjes laat maken. Ze worden in ieder geval NIET geboekt in zijn kasboek, zie dit overzicht.

1829: NIEUWE TUCHTREGLEMENTEN

In de loop van 1829 komen er drie tuchtreglementen tot stand, geschreven door het lid van de permanente commissie dominee Johannes Sluiter, waarmee alle categorieŽn koloniebewoners gedekt zijn. Slechts eentje rept van het koloniale geld.

● Het Reglement van Tucht voor de Gestichten van Weezen, Vondelingen en verlatene kinderen van den 8 july 1829' dat op deze pagina staat, voor de weeskinderen in Veenhuizen.

● Het 'Reglement van Policie en Tucht voor de kolonisten huisgezinnen van 8 july 1829', zie hier, geldt voor vrije kolonisten, ingedeelden, arbeidershuisgezinnen, hoevenaars en - met enige aanpassingen - voor militaire veteranen.

● Het 'Reglement van Tucht van de Gestichten van Bedelaars van den 28sten February 1829' geldt behalve voor bedelaars ook voor strafkolonisten. Dit laatstgenoemde reglement, zie hier, is het enige dat koloniaal geldt noemt:

Artikel 18 bepaalt:
    Het maken of vervalschen van koloniaal geld zal worden gestraft
    met opsluiting voor veertien dagen in boeyen om de andere dag
    te water en brood.

1830: KASTJE OPENGEBROKEN

'In den nacht tusschen den negenden en tienden february, achttienhonderd dertig', aldus het proces-verbaal door zaalopziener Kloekers, 'heeft de wees genaamd Gerrit Machzijn, oud vijftien jaar, behoorende tot zaal no 11 en 12, eenig geld ontfreemd van den wees met naame J.G. van der Bregge, ten bedrage van vier gulden vijfennegentig cts, in onder scheijden munt specien als twee gulden vijftig cts zilver en twee gulden vijf en veertig cts koloniale munt'.

Het wordt behandeld bij de 'Raad van Tucht voor weezen, Vondelingen en verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen' van 20 februari 1830, zie hier, waar wordt vastgesteld dat de dief het meeste heeft uitgegeven en nog maar 'een gulden zilvergeld en een gulden en vijftien cts koloniale munt' over heeft. Hij wordt veroordeeld tot acht dagen opsluiting om de andere dag te water en brood.

1831: VIJFSTUIVERKAARTJE

Bij de kleine raad voor de vrije koloniŽn van 12 februari 1831, zie hier, komt 'vrouw Poot', die volgens mij eigenlijk 'van der Poort' moet heten, 'verzoekende dat de wijkmeester gelast mogt worden, om van de uitbetalingen van Geersema, wekelijks, een vijfstuiverskaartje voor haar in te houden, om zoodoende te komen aan hare 31 stuivers, welke zij van dien buurman te goed had'.

Daar gaat de kleine raad niet in mee, maar interessant is dat de meesten - zie ook de wijkmeester hierboven bij 1827 - de kaartjes van 25 cent als vijfstuiverstukken benoemt.

1831: DIEFSTAL UIT DE WINKEL

Bij de Raad van Tucht voor bedelaarskolonisten bij het tweede gesticht te Veenhuizen van 26 maart 1831, zie hier, wordt behandeld een proces-verbaal 'van den 25e Maart JL opgemaakt tegen de Bedelaars Koloniste Petronella Meggel als hebbende zij zich op dien datum des namiddags ten 1 Ĺ uur schuldig gemaakt aan het ontvreemden van een bedrag ?? Koloniaal geld uit de Winkel van het 2e Gesticht en wel door middel van het Schuif van het winkelraam open te maken, met het bovenlijf over den Toonbank te leggen en hetzelve alzoo uit de lade te nemen, waarop de Dochter van den Winkelhouder met name Anthonia Henning(?) eenige beweging aan voormelde Toonbank hoorende, naar voormelde Petronella Meggel  toesnelt en hare hand grijpende hierdoor uit dezelve ontvalt eenig Koloniale Munt ter waarde van f 5 -35'.

Petronella Meggel wordt gestraft met '8 dagen Provoost Arrest om den anderen dag te water en te Brood'.

1831: ZILVEREN MUNT TOT HET DOEN PLOEGEN

Bij de 'kleinen Raad der gewonen kolonien' van 16 april 1831, zie hier, verschijnt de kolonist Walraven van Haften, die heeft behoord tot de allereerste proefkolonisten, zie hier voor meer over hem. Hij wil blijkbaar iemand van buiten inhuren om zijn land voor hem te ploegen en dat kan niet met koloniale munt betaald.

De notulen melden: 'van Haften, kolonist van den 1e rang, van kol 2, verzoekende de f 25,31 tegoed op kleeding, in zilveren munt te ontvangen. tot het doen ploegen zijner landen. Hij geeft te kennen, thans geen kleeding noodig te hebben, zijn huisgezin bestaat uit 3 zielen. De Raad hierin geen bezwaar ziende, besluit dit verzoek aan den Heer Directeur gunstig voor te dragen.'

1833: GESTOLEN EN WEER KWIJTGERAAKT

Bij de 'Raad van Tucht voor Weezen binnen het 3e Etablissement gehouden op den 8 Januarij 1833', zie hier, moet voorkomen de wees E. Dijkhoff of Dijkop, die van de wees C. Casfor of Kasfor 42Ĺ Cent 'Koloniale Munt uit haar kistje heeft weggenomen'. Dijkhoff of Dijkop verklaart 'dat zij dat geld heeft verloren, een uur na dat zij het weg genomen had en dat zij daarvoor eenige schulden welke zij had, wilde afdoen'.

De raad vonnist '8 dagen strafkamer arrest om den anderen dag te water en brood met last tevens om uit de eerst te ontvangen oververdienste het bedrag van het gestolene te restitueren'.

1836: DIEFSTAL VAN MEDE-WEZEN

Bij de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen van 20 februari 1836, zie hier, liggen er aanklachten tegen de Weezen Dirrek Swenneker, en Johanna Catharina van Busselen eerst genoemde beschuldigd van de wees Nicolaas Lobodaan te hebben ontvreemd Twee Gulden en Dertig Cents in Zilvergeld  en van de wees Jan Meijer Drees Vijfenzeventig Cents in koloniale munt. en de laatst genoemde van ontvreemding van de wees D. Rijnsberger de Somma van Zeventig Cents in koloniale Munt.

Dirk Zwenneker wordt veroordeeld 'tot opsluiting in de strafkamer voor den tijd van acht dagen om den anderen dag te water en brood (het ontvreemde geld bij hem gevonden zijnde is dit de eigenaars teruggegeven)'.
Johanna Catharina van Busselen 'voor den tijd van drie dagen om den anderen dag te water en brood en haar te debiteren op haar een derde te goed bij de maatschappij den somma van Zestig Cents zijnde de dubbelde vergoeding van het ontvreemde (daar er Veertig Cents bij haar zijnde gevonden dat de eigenaar was gerestitueerd)'.

1840: TWEE MAAL VALSEMUNTERIJ

Bij het tweede gesticht te Veenhuizen vinden in 1840 twee pogingen tot valsemunterij plaats. Eerst maakt een bedelaar de oude kaartjes met de handtekeningen van de directeur en zijn boekhouder na en daarna pakt de bedelaar Thomas Lambertus Hoff het groter aan door bij een drukker winkelkaartje te laten nadrukken. Het staat uitgebreid beschreven op deze pagina.

1842: OM GEBREIDE DOEKEN TE KOPEN

Bij de 'Raad van Tucht voor weezen, Vondelingen en verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen' van 11 november 1842, zie hier, worden de weeskinderen F. Poort en ..... van Uden, die enige tijd terug zijn overgeplaatst van het derde naar het eerste gesticht, beschuldigd van desertie.

Ze zeggen dat ze alleen maar van het terrein waren afgegaan 'om voor andere bestedelingen bij den koopman J.G.Levie te Roohn gebreide doeken voor koloniale munt te gaan koopen (: zoo als men gewoon was bij het 3e Gesticht te doen:)'.

Met Roohn wordt vermoedelijk bedoeld Roden, op 12 kilometer van Veenhuizen. Belangrijk om te noteren is dat een koopman in de gewone maatschappij blijkbaar bereid is koloniale munt aan te nemen! Die zal hij later bij de directie dan voor gewoon geld moeten inwisselen.

1844: DE INZET VAN EEN WERKSTAKING

Bij de 'Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen' bij het eerste gesticht van 6 april 1844, zie hier, gaat het over de eerste en voor zover bekend enige werkstaking van weeskinderen, beschreven in De kinderkolonie pagina 309-311. De inzet is dat ze meer uitbetaald willen krijgen zodat ze meer dingen in de koloniale winkel kunnen kopen.

Aan die eis wordt slechts ' gedeeltelijk voldaan, uit hoofde der niet genoegzame voorraad van Koloniale Munt'.
Daarna wordt het oproer 'onthoofd' door de leiders naar de strafkolonie op de Ommerschans te sturen.

1848: DIEFSTAL BIJ EEN KOLONIST

Bij de Raad van Tucht voor als wezen verpleegde bedelaarskinderen bij het eerste gesticht te Veenhuizen op 16 juni 1848, zie hier, staat de bedelaarsjongen Warner Bruins Slot, 17 of 18 jaar oud, terecht voor diverse dingen zoals desertie voor de derde maal, maar ook voor 'diefstal van 30 Cent Kol. munt uit de lade van den tafel bij den Kol. E. Y. de Jong, op hoeve N. 7 waar hij arbeide'.

Voor het laatste feit wordt hij beboet met 60 cent, de in het tuchtreglement voorgeschreven dubbele waarde van het gestolene, en het zal meegespeeld hebben bij de totale straf die hij krijgt.

1859: DIEFSTAL DOOR INKLIMMING

Bij de 'Raad van Tucht voor Weezen Vondelingen en verlatene Kinderen bij het 1e gesticht te Veenhuizen' van 12 februari 1859, zie hier, moet Anna Christina Bosman voorkomen omdat zij 'f 2,30 koloniale munt ontvreemd heeft'. Anna Christina is 'in den avondstond door inklimming door het val raam, in ťťn der twťť zalen van den Zaalopziener van de Ven geslopen (:welke zaal onbewoond is, en waarin enkele meisjes een kistje of koffertje hebben staan, benoodigt bij hun aanstaand vertrek met verlof of ontslag:) om daar uit het kistje van de wees Henke van Steenwijk geld te ontvreemden, hetgeen zij wist dat in hetzelve aanwezig was'.

Henke van Steenwijk is een dochter van de beruchte arts-alcoholist Douwe Petrus van Steenwijk, zie hier. Anna Christina loopt tegen de lamp 'door het besteden in den winkel van meerder geld dan zij hebben konde' en wordt veroordeeld tot acht dagen opsluiting.

.