Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Na een kleine tien jaar te hebben gewinkeld met papieren geld, krijgt de kolonie Veenhuizen vanaf 20 april en 11 mei 1841 muntgeld van metaal

In de begindagen van haar bestaan winkelt de kolonie Veenhuizen met een combinatie van papieren kaartjes en een wildgroei aan munten, zie deze pagina. Op 24-26 november 1831 neemt de directeur dat allemaal in en voert hij als enige betaalmiddel nieuwe papieren kaartjes in, zie deze pagina. Maar dat probeert men te vervalsen en dan meldt de permanente commissie van de Maatschappij van Weldadigheid 'order te zullen stellen' op het vervaardigen van metalen koloniale munt voor Veenhuizen, zie op deze pagina.

IN OMLOOP

Bij die gelegenheid heeft ze de directeur ook gevraagd op te geven hoeveel papieren geld er in Veenhuizen in omloop is. Aan dat verzoek voldoet de directeur op 9 januari 1841, in een brief met nummer N60, invnr 230 scan 221:

In nader antwoord op den brief van 23 December jl N2 heb ik de eer UwEdG. op te geven het presumtief beloop koloniale munt bij de gestichten te Veenhuizen in omloop zijnde:
bij N 1... f 750.-
bij N 2... f 2500.-
bij N 3... f 1000.-

BESTELLING

Deze opgave wordt besproken op de vergadering van de permanente commissie op 15 januari 1841 bij agendapunt N5, invnr 511. Daar staat dat het in handen wordt gesteld van de directeur der administratie en die zal een bestelling voor metalen munten plaatsen bij de firma G. van Maanen en zoon.

Er moeten dan wel nog stempels gemaakt worden met 'V1', 'V2' en 'V3' voor de achterkant van die munten. Aan de voorkant worden ze gelijk aan die van de Ommerschans, zie de afbeeldingen op deze pagina, maar met ietsje andere waarden (zie ook verderop).

AFWACHTEN

Intussen raakt de papieren munt te Veenhuizen op, want dat papiergeld leeft niet zo lang. Op 27 februari 1841 in een brief met nummer N435, invnr 231 scan 746, schrijft de directeur:

Bij het 2e Gesticht is benoodigd voor 400.- nieuwe koloniale munt, welke men in stukken van 10, 5, 21/2 en 1 cent wenscht te ontvangen. Ik heb de eer UwEdG. daarom te verzoeken.

En op 16 maart 1841 in een brief met nummer N891 vraagt hij om 200 gulden koloniale munt voor het eerste gesticht. Die twee verzoeken staan op de agenda van de permanente commissie op respectievelijk 4 maart N8 en 25 maart N5, invnr 513. Daar staat helemaal niets genoteerd, dus blijkbaar besluit men even helemaal niets te doen en af te wachten.

METALEN MUNTEN TWEEDE GESTICHT

En terecht want de firma G. van Maanen en Zoon levert op 13 april 1841 metalen koloniale munt voor de drie gestichten in Veenhuizen. Zie op deze pagina voor een volledig overzicht wat ze precies leveren, hieronder herhaal ik wat Van Maanen die dag levert voor het tweede gesticht:

1841



V 2
April 13 Koperen plaatjes van 15 Ct 5 8/10



Koperen plaatjes van 25 Ct 3 5/10



Koperen plaatjes van 50 Ct 2 8/10



Koperen plaatjes van 100 Ct 2 1/10





14.2 x 4.- 56,80

Zinken plaatjes van Ct 2 8/10


Zinken plaatjes van 1 Ct 4 1/10



Zinken plaatjes van 5 Ct 6 1/10



Zinken plaatjes van 10 Ct 10 1/10





23.1 x 3.- 69.30

INTRODUCTIE TWEEDE GESTICHT

Totaal dus voor 126,10 aan geslagen munten. Op 14 april 1841 bij agendapunt N4, invnr 514, besluit de permanente commissie aan de directeur te zenden

1410.- koloniale munt van koper en zink ter omwisseling van de bij het 2 gesticht in omloop zijnde koloniale munt.

Bij de brief is een door de Directeur voor de Administratie opgestelde lijst welke munten gezonden worden:

200 stuks 100 cents
200.---
500 stuks 50 cents
250.---
1000 stuks 25 cents
250.---
2000 stuks 15 cents
300.---
2500 stuks 19 cents
250.---
2500 stuks 05 cents
125.---
2500 stuks 01 cent
  25.---
2000 stuks 00 cent
  10.---
Totaal
1410.---

Op 19 april 1841 in een brief met nummer 891 bevestigt de directeur de ontvangst van dat pakket in Frederiksoord, invnr 243 scan 734. Dan moet het nog naar Veenhuizen, dus als introductiedatum van de metalen munt bij het tweede gesticht mag 20 april 1841 worden ingevuld.

MUNTEN EERSTE EN DERDE GESTICHT

Diezelfde dag als hiervoor genoemd, dus 13 april 1841, levert Van Maanen metalen munten voor het eerste en derde gesticht. Een volledig overzicht staat op deze pagina, maar hier herhaal ik wat hij voor die twee gestichten heeft vervaardigd:

1841



V 1
April 13
Koperen plaatjes van 15 Ct
2 9/10


Koperen plaatjes van 25 Ct 2



Koperen plaatjes van 50 Ct 1 1/10





6. x 4.-
24.---

Zinken plaatjes van Ct
2 8/10



Zinken plaatjes van 1 Ct
3 3/10



Zinken plaatjes van 5 Ct
3 7/10



Zinken plaatjes van 10 Ct
6 4/10





16.2 x 3.-
48,60





V 3

Koperen plaatjes van 15 Ct 3.--



Koperen plaatjes van 25 Ct 1 7/10



Koperen plaatjes van 50 Ct 1 1/10





5.8 x 4.- 23.20

Zinken plaatjes van Ct 2 7/10


Zinken plaatjes van 1 Ct 3 3/10


Zinken plaatjes van 5 Ct 5.--



Zinken plaatjes van 10 Ct 4 2/10




15.2 x 3.- 45.60

INTRODUCTIE EERSTE EN DERDE GESTICHT

Oftewel 72,60 voor het eerste gesticht en 68,80 voor het derde en dus aanzienlijk goedkoper dan het werk voor het tweede gesticht, maar dat komt omdat er nu geen munten van 100 cent, waar vrij veel koper in gaat zitten, geslagen zijn. Op 5 mei 1841 bij agendapunt 4, invnr 515, besluit de permanente commissie aan de directeur te zenden

650.- koloniale munt van koper en zink voor Veenhuizen 1 en 600.- voor Veenhuizen 3 ter omwisseling voor de bij die gestichten in omloop zijnde papieren munt.

Op de brief waarmee dat gebeurt staat aangegeven welke munten gezonden worden:

EERSTE Gesticht
200 stuks 0.50
100.---
580 stuks 0.25
145.---
1000 stuks 0.15
150.---
1500 stuks 0.10
150.---
1500 stuks 0.05
  75.---
2000 stuks 0.01
  20.---
2000 stuks 0.005
  10.---
Totaal
650.---


DERDE Gesticht
190 stuks 0.50
  95.---
500 stuks 0.25
125.---
1000 stuks 0.15
150.---
1000 stuks 0.10
100.---
2000 stuks 0.05
100.---
2000 stuks 0.01
  20.---
2000 stuks 0.005
  10.---
Totaal
600.---

Op 10 mei 1841 in een brief met nummer N1092, invnr 244 scan 261, meldt de directeur de ontvangst van dat pakket in Frederiksoord. Dan moet het nog naar Veenhuizen, dus als introductiedatum van de metalen munt bij het eerste en derde gesticht mag 11 mei 1841 worden ingevuld.

WAARDEN

Samenvattend blijkt dat de waarden van de munten bij alle drie de gestichten gelijk zijn, alleen moet het derde gesticht tot juli 1841 wachten eer het 100 cent stuk aan de serie wordt toegevoegd en krijgt het eerste gesticht het 100 cent stuk pas in februari 1842.

Daarna hebben alle drie de gestichten munten met waarden van:
▪ cent,
▪ 1 cent,
▪ 5 cent,
▪ 10 cent,
▪ 15 cent, 
▪ 25 cent,
▪ 50 cent, en
100 cent.

Het stuk van 15 cent wordt later afgeschaft, zie verderop op de pagina onder het kopje 'Innemen 15 cent'.

AANTALLEN-1

De bij Van Maanen bestelde en naar de directeur gezonden aantallen koloniale munt zijn aanzienlijk lager dan de directeur in het begin van het jaar had opgegeven dat in omloop was. De bedoeling zal zijn dat het resterende papiergeld ook nog gebruikt wordt en eerst wordt opgemaakt.

Het gevolg is dat de directeur al diezelfde maand, op 28 mei 1841 in een brief met nummer N1252, invnr 244 scan 741, melding maakt van een tekort aan koloniale munt bij het derde gesticht:

Ik heb de eer UwEdGeb te berigten, dat de ontvangen 600.-- nieuwe Coloniale Munt voor het 3e Gesticht te Veenhuizen, bevonden is ontoereikend te wezen, daar er wekelijks 500.-- wordt uitbetaald, en niet al de kleine munt benoodigd is of uitgegeven wordt, om er wat van in voorraad te behouden; terwijl er steeds eenige sommetjes bij winkelier en huisgezinnen overgehouden en bewaard blijven; waarom de Directie aldaar nog 400.-- verlangt, liefst in stukken van 100, 50 en 25 centen, daar, gelijk ik reeds te kennen gegeven heb, er genoeg klein geld ontvangen is.
Men heeft bij het gemis van genoeg nieuwe Koloniale munt, nog een aanzienlijke partij oude in omloop moeten laten, welke thans echter beter geheel ingenomen zal wezen.

AANTALLEN-2

Er wordt een bestelling bij Van Maanen geplaatst en 7 augustus 1841 N8, invnr 518, wordt naar Frederiksoord gezonden:

125 stuks van 100 cents 125.---
300 stuks van 50 cents 150.---
500 stuks van 25 cents 125.---
tezamen 
400.---

Dat heeft de directeur op 10 augustus nog niet ontvangen want op die 10 augustus 1841 in een brief met nummer 1900, invnr 248 scan 195, dringt hij aan:

Ik heb de eer UwEdGeb de toenemende behoefte aan meer metalen coloniale munt, bij het 3e Gesticht te Veenhuizen, bij dezen onder de aandacht te brengen, daar de, in plaats van zulks nog in gebruik gelaten, papieren munt onbruikbaar wordt en thans zeker door geen nieuwe van deze soort meer zal kunnen worden vervangen.

Maar een paar dagen later zal hij de munten in huis hebben.

AANTALLEN-3

Even eerder, 7 augustus 1841, maakt de directeur in een brief met nummer N1866, invnr 248 scan 106, gewag van tekorten bij het eerste gesticht:

De Adjunct-Directeur bij het 1e Gesticht te Veenhuizen, zich over gebrek aan genoegzame nieuwe koloniale munt tot eene geregelde circulatie beklagende, zoo heb ik de eer UwEdGeb te verzoeken, om daarin te willen voorzien door toezending van nog:
50.-- in stukken van 50 centen,
150.-- in stukken van 10 centen, en
10.-- in stukken van 1 cent.

AANTALLEN-4

De permanente commissie schuift dit op 11 augustus 1841 N13, invnr 518, door naar de Directeur der Aministratie, maar laat verder niets van zich horen en op 10 september 1841 N2153, invnr 249 scan 239, schrijft de directeur:

Op aandrang der plaatselijke directie bij het 1e Gesticht te Veenhuizen, neem ik de vrijheid UwEdGeb te verzoeken de bespoediging van het doen gereed maken en overzenden der aldaar nog benoodigde nieuwe 210.-- koloniale munt, welke bij mijnen brief van den 7 Augustus N1866 is aangevraagd, als kunnende de uitbetaling niet meer geregeld plaats hebben.

De permanente commissie vraagt 15 september 1841 N12 aan de Directeur der Administratie nog eens hoe het zit met dat rapportje en dan komt er schot in. Op 5 oktober heeft G. van Maanen en Zoon de bestelling voor het eerste gesticht klaar en op 8 oktober 1841 N27, invnr 520, is het eindelijk zo ver:

In antwoord op UwEd briven van den 7 Aug ll N1866 en 10 Sept ll N2153 hebben wij de eer UwEd hiernevens van koper en zink ten behoeve van het 1e Gesticht te Veenhuizen te doen toekomen de navolgende koloniale munt te weten
100 stukken van 50 cents 50.---
1500 stukken van 10 cents 150.---
1000 stukken van 1 cent   10.---
tezamen 
210.---

INNEMEN 15 CENT

Er gaat dan iets doorheen lopen, want op 11 oktober 1841 besluit de permanente commissie dat het 15 centstuk uit de roulatie moet worden genomen, zie op deze pagina. Dat betekent dat er andere stukken moeten komen die in de plaats daarvan gebruikt kunnen worden.

In een brief op 29 november 1841 met nummer N2851, invnr 252 scan 555 spreekt de directeur van 'de bestaande zeer dringende behoefte aan meer koloniale munt te Veenhuizen'. Het is echter al het volgende jaar eer hij dat krijgt. Op 15 januari 1842 N18 zendt de permanente commissie 1150.- koloniale munt ten behoeve van de drie gestichten te Veenhuizen.

De directeur bevestigt de ontvangst op 1 februari 1842 in een brief met nummer N243, invnr 255 scan 185:

Ik heb de eer UwEdGeb de goede ontvangst bij brief van den 15 January jl N18 te berichten, van
150.-- coloniale munt, voor het 1e Gesticht te Veenhuizen,
600.-- coloniale munt voor het 2e Gesticht te Veenhuizen,
400.-- coloniale munt voor het 3e Gesticht te Veenhuizen. 

TOTALEN

Daarmee denkt men klaar te zijn en aan de behoefte te hebben voldaan. Een overzichtje van wat er aan nieuwe koloniale munt voor de drie gestichten gezonden is in guldens:


Veenhuizen-1
Veenhuizen-2
Veenhuizen-3
14 april 1841

1400

5 mei 1841
600

600
7 augustus 1841


400
8 oktober 1841



15 januari 1842
150
600
400
Totaal
750
2000
1200

TUSSENKOP

Maar helemaal is men er nog niet mee klaar. Dat heeft ook te maken met het uit de roulatie nemen van de munten van 15 cent, waardoor opnieuw tekorten ontstaan.
Op 4 oktober 1842 in een brief met nummer 2548 vraagt de directeur om 400 gulden koloniale munt voor het derde gesticht en op 11 oktober 1842 nummer N2616 wil hij voor 200 gulden aan stukken van 10 cent voor het eerste gesticht, welk verzoek hij op 22 november N3031 verandert van 200 naar 500 gulden.

Op 7 december 1842 N1 wordt hem 200 voor het eerste en 400 voor het derde gesticht gezonden, waarvan hij de ontvangst bevestigt op 13 december 1842 N3214, invnr 267 scan 587. Daarmee lijkt het geldverkeer in Veenhuizen voorlopig veilig gesteld.