Noten bij het boek

- Dit is de notenversie van 1 november 2006, met wat kleine verbeteringen ten opzichte van de eerste notenversie (20 september).
- Ik heb geprobeerd de noten zo bruikbaar mogelijk te maken voor mensen die verder onderzoek willen doen naar de Maatschappij, naar een facet ervan of naar een bepaalde kolonist. Daarom is het soms wat erg gedetailleerd.
- Als je dit als pdf-file hebt opgehaald, werken de links dus niet meer en zul je het moeten doen met de opgegeven bladzijnummers en de zoekfunctie.
- Als iemand iets mist dan hoor ik dat graag en zal ik dat aanvullen.
 Wil Schackmann

Achtereenvolgens:
Bronnen
Algemene noten
Noten bij Hoofdstuk 1
Noten bij Hoofdstuk 2
Noten bij Hoofdstuk 3
Noten bij Hoofdstuk 4
Noten bij Hoofdstuk 5
Noten bij Hoofdstuk 6
Noten bij Hoofdstuk 7
Noten bij Hoofdstuk 8
Noten bij Hoofdstuk 9
Noten bij Hoofdstuk 10
Literatuur

Bronnen in volgorde van belangrijkheid

Verreweg het merendeel van de informatie in het boek (en op deze site) hebben de historicus André Huitenga en ik opgeduikeld uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid dat zich bevindt in het Drents Archief in Assen (voorheen het Rijksarchief Drenthe). Daar heeft het inventarisnummer 0186 en die inventaris is perfect beschreven in het boekwerk De archieven van de Maatschappij van Weldadigheid 1818‑1970, door J.R. van der Zeijden, J. Hagen en C.G.C. Meynen, verkrijgbaar bij het Drents archief. De inventaris is ook online te raadplegen via www.drentsarchief.nl, kies 'Onderzoekers', kies 'Archievenoverzicht' en dan zijn er drie manieren om bij de Maatschappij uit te komen.
Als ik ergens schrijf archief, dan bedoel ik dit. Een nummer erachter verwijst naar het invoernummer, maar om te voorkomen dat er 500 keer hetzelfde komt te staan doe ik dat alleen als het stuk zich op een onverwachte plek bevindt. Anders meld ik alleen een datum en kan men de hiervoor genoemde inventaris raadplegen voor het invoernummer. Als volgt::
- Alle brieven van derden, dus ook van de directeuren Benjamin van den Bosch en Wouter Visser, zitten bij de ingekomen post permanente commissie, archief 48 (tot 1 oktober 1818), archief 49 (okt-dec 1818) enzovoort.
- Uitgaande post van de permanente commissie (voortaan pc) is archief 352 (tot en met 1821), archief 353 (1822), enzovoort.
- Notulen pc archief 38 (tot 01-04-’23), archief 39 enzovoort.
- Brievenboek pc, of officieel: ‘Registers van ingekomen brieven op het secretariaat van de commissie van weldadigheid’, archief 18 (tot 01-06-1820), archief 19 enzovoort.

Met de datum erbij kan het allemaal in de inventaris opgezocht. Alleen bij Johannes van den Bosch moet even in de gaten gehouden worden of hij vanuit Drenthe schrijft (inkomende post pc) of vanuit Den Haag (uitgaande post pc).


Een belangrijke bijkomende bron zijn mailcorrespondenties met mensen die zich met genealogie bezig houden en die hebben gereageerd op de Maatschappij‑informatie die toen op mijn website (www.schackmann.nl) stond. Zij hebben mij vooral gegevens verschaft over de kolonisten, waarvan een gedeelte in het boek is terechtgekomen en alles staat in de personenfiles van de betreffende kolonisten elders op deze site. Af en toe kan ik verwijzen naar een internetsite van hun. Verder zijn bevolkingsregistergegevens gehaald van www.genlias.nl en www.drenlias.nl

Ir. C.A. Kloosterhuis, De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid, Zutphen, 1981, is op enkele plaatsen in het boek een welkome aanvulling geweest. Mevrouw Kloosterhuis heeft grotendeels dezelfde bronnen gebruikt als wij, dus het Maatschappij‑archief in Assen, en af en toe brieven gevonden die ons ontgaan waren. Het is wat lastig dat zij verwijst naar een oude inventaris van het archief, maar achterin die hiervoor genoemde inventarisatie staat een concordans met de oude inventaris. .
Zij heeft bij het werken aan haar boek bovendien kaarten gemaakt met kolonistengegevens. Die staan op het Drents Archief en zijn bekend - en worden ook hier zo aangeduid - als 'de rode boeken van Kloosterhuis'. Die informatie bevindt zich ook op de Koloniehof, het museum van de Maatschappij (www.dekoloniehof.nl) in de computer. Er staan wel veel verschrijvingen in die gegevens, daarvoor is ook in Gens Nostra (1985, blad 281 ev) gewaarschuwd.

Regelmatig wordt geciteerd uit het maandblad van de Maatschappij van Weldadigheid onder de titel de Star. De inhoud daarvan moet zeer kritisch tegen het licht gehouden worden, want het blad was vooral voor propaganda bedoeld. Ik ben het eens met Kloosterhuis, pagina 20, die daar weer met de eerdere geschiedschrijver Eilerts de Haan instemt, dat rapporten en boeken die zich geheel baseren op dit blad veel onjuistheden bevatten. Behalve dat ze af en toe gewoon logen, maakten de schrijvers van de Star, en met name Johannes van den Bosch, ook geen onderscheid tussen voornemen en uitvoering. Regelmatig beschreven zij dat op de kolonie iets zus-en-zo geregeld was, terwijl dat op dat moment nog helemaal niet zo was en ze slechts van plan waren het zo te gaan regelen. Zo zijn misverstanden in de wereld gekomen over bijvoorbeeld het werken met winkelkaartjes en de grootte van de landjes van kolonisten.
Kopieën van de Star zijn aanwezig in het Drents Archief en bij de Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord (www.mvwfrederiksoord.nl). Af en toe zijn bladzijden slordig gekopieerd en daardoor onleesbaar, maar dat komt gelukkig niet vaak voor. Het blad nummert door, dwz dat het februarinummer bijvoorbeeld begint met paginanummer 96. Er zijn gemiddeld 1000 pagina’s per jaar.

J.J. Westendorp Boerma heeft twee biografiën geschreven over Johannes van den Bosch. De eerste, Johannes van den Bosch als sociaal hervormer, de Maatschappij van Weldadigheid, Groningen 1927, gaat voor het grootste gedeelte over de koloniën. Hiernaar verwijs ik als Westendorp Boerma 1927.
De tweede biografie schreef hij toen hij het archief van de familie Van den Bosch had kunnen raadplegen, waarin hij veel persoonlijke informatie over zijn onderwerp vond. Hij gaf dit boek een titel die prachtig is omdat die zo volkomen het onderwerp dekt: Johannes van den Bosch, een geestdriftig Nederlander, Amsterdam 1950. Hiernaar verwijs ik als Westendorp Boerma 1950.

In de Staatscourant verschenen in die tijd veel artikelen die een paar dagen ervoor in een regionale krant gestaan hadden. De meeste krantencitaten in het boek dienen dan ook gelezen als ‘uit de Leeuwarder Courant datum xx, overgenomen in de Staatscourant datum yy’. Uitzonderingen zijn de apart door ons geraadpleegde Provinciale Groninger Courant en Amsterdamsche Courant.


Daarnaast zijn er op deelgebieden boeken, tijdschriftartikelen en proefschriften gebruikt die mede zijn opgenomen in de literatuurlijst die helemaal onderaan de noten staat.

Terug naar boven






Algemene noten

- Aankomstdata kolonisten
- Hoevenummers
- Naamsspellingen
- Ledenaantallen van de Maatschappij
- Ledenaantallen van subcommissies in 1818
- Reglementen proefkolonie

Aankomstdata van kolonisten komen allemaal uit de de nominatieve lijst van aankomst, gevoegd bij een brief van Benjamin van den Bosch aan de permanente dommissie dd 9 november 1818. Die nominatieve lijst is gedeeltelijk afgedrukt in het boek en staat ook als plaatje op deze site. Aankomsten later in november worden steeds gemeld in andere brieven van Benjamin, alles in archief  49.

Er is geen lijst met alle hoevenummers van proefkolonisten uit de beginperiode. Het merendeel kan echter afgeleid worden uit twee latere stukken: de voordracht van Benjamin van den Bosch voor medailles op 29 juni 1820, archief 989, en een lijst met jaarinkomens in de Star augustus 1822. In die stukken worden wel hoevenummers geboemd. Dan zijn er al enkele kolonisten vertrokken, maar omdat uit de brieven bekend is wie door wie is opgevolgd, vallen de hoevenummers in de beginperiode van bijna alle proefkolonisten te achterhalen. Alleen een paar onderlinge hoeve-ruils in januari 1819 onttrekken zich aan elk zicht. Overigens wijzigen zich deze nummers in april 1823 en zijn bijvoorbeeld de rode boeken van Kloosterhuis gebaseerd op die latere nummers.

Bij variaties in de spelling van namen heb ik steeds gekozen voor de vorm die in het archief van de Maatschappij het meest voorkomt. Dat wil absoluut niet zeggen dat dat ook de naamsspelling is waarmee het geslacht later is doorgegaan.

Voor de ledenaantallen van de Maatschappij per jaar gebruik ik een lijstje achterin  Etudes sur les Colonies Agricoles, de mendiants, jeunes détenus, orphelins et enfants trouvés, Hollande - Suisse - Belgique - France, door G. De Lurieu en H. Romand, Parijs 1851. Dat lijstje staat  ook op de site.

De ledenaantallen van subcommissies in 1818 komen van een uitvouwblad in een boekje dat de Maatschappij heeft uitgegeven in 1819 met het jaarverslag over het eerte jaar kolonisatie, archief 989. Het boekje heeft – naast de ook in de Star van augustus 1819 gepubliceerde inhoudelijke en financiele jaarverslagen - twee uitvouwbladen, eentje met informatie over de subcommissies - het aantal contribuanten, hoeveel ze aan de pc afgedragen hebben, hoeveel ze aan hun eigen administratie uitgegeven hebben, enzovoort - en eentje met alle mandaten, dus alle uitgaven van de Maatschappij in het ‘eerste dienstjaar’ (dat overigens liep tot 1 april 1819).
 
Als er sprake is van het reglement voor de proefkolonie is dat ‘Reglement en Voorwaarden, aan welke zich ieder koloniaal huisvader of huismoeder, voor zich en de zijnen, bij handteekening behoort te onderwerpen, bij de aankomst van het huisgezin in de kolonie’, archief 4 en een kopie van de Star 1819 vanaf pagina 195. Een verdere uitwerking daarvan zijn de ‘Reglementaire beginselen, ter regeling en handhaving van inwendige orde in de kolonie te Westerbeeksloot', archief 3 en een kopie van de Star 1819 vanaf pagina 268.


Terug naar boven







NOTEN HOOFDSTUK 01

Ontzenuwde natuurgenoten, bladzij 13

Het concept-reglement is te vinden bij archief  2 en staat ook op deze site. Vermoedelijk was dit de tweede versie nadat er uit religieuze hoek kritiek op de eerste versie geweest was. Zie de noot bij bladzijde 88.
Ook de koninklijke goedkeuring in een brief van de minister van binnenlandse zaken dd 5 maart 1818 staat op de site. Het concept-reglement kent de Maatschappij ook een rol toe bij het oprichten van werkverschaffingsprojecten in steden, maar de koning wil dat zij zich beperkt tot landbouwkolonies.

Alle informatie over Johannes van den Bosch komt uit de biografiën van Westendorp Boerma. Het zo typerende citaat “Ik ben nimmer besluiteloos en draal nog minder” uit Westendorp Boerma 1927, pagina 49.
Van Johannes’ verhandeling met de lange naam is alleen de tweede druk, 1818, bewaard gebleven. Vermoedelijk was de eerste druk al in 1817 verschenen.

Een hele leuke illustratie van het beschreven losbarstende enthousiasme is te vinden in een artikel over Pieter Otto van der Chijs in het Nieuw Letterkundig Magazine. Van der Chijs liet in 1818 als 16-jarige zijn hobby (munten verzamelen) even vallen om zijn zakgeld aan te wenden voor steun aan de Maatschappij en een reisje naar Frederiksoord. (Overigens zou Van der Chijs in zijn latere leven - na de dood van Ockerse - de redactie overnemen van de Star en van de opvolger van dat blad De vriend des vaderlands.)

Van de 'Eerste Algemeene Vergadering der Maat­schap­pij van Weldadig­heid, gehouden in 's Graven­hage den 22 junij 1818' zijn notulen, archief 16, en die vermelden het aantal van 14.843 contribuanten.
 
Tot in de nageslachten dankbaar herinneren, bladzij 15

Bij die hiervoor genoemde notulen bevinden zich ook de ‘Praeperatieve handelingen en besluiten der Provisionele Kom­missie sedert den (ruimte opengelaten) maart tot op den 22 juny 1818’ met alles wat het driemanschap Van den Bosch, Van Hemert en Faber van Riemsdijk de afgelopen maanden hebben voorbereid.
Aanwezig bij de vergadering zijn naast deze drie en prins Frederik: Kemper, Nieuwenhuis, Sijpkens, Ameshoff en Junius van Hemert. Afwezig met bericht: Schrant, hoogleraar in Gent, en Kinker, hoogleraar in Luik en eigenlijk al op punt van aftreden.

De leden die niet tot de pc behoren worden vaak de buitenleden genoemd.

De ‘gewigtige en vruchtbare besluiten’ worden ondermeer gepubliceerd in de Amsterdamsche Courant van 30 juni 1818. De oproep subcommissies op te richten staat in een circulaire ondertekend door prins Frederik. Het concept daarvan dd dd 24 juni 1818 is bij archief 48 en staat ook op deze site. Besloten was dat concept toe te zenden aan de leden van de commissie en na verwerking van hun reacties veertien dagen later aan de steden te versturen. Als dat besluit van de vergadering zo uitgevoerd is, zou het dus rond 8 juli verstuurd zijn wat de reacties van de steden met opgerichte subcommissies vanaf 17 juli wel érg alert maakt! Die reacties zitten bij de ingekomen post, evenals de naamssuggestie van Nieuwenhuis op 9 oktober 1818.

Verlangende uit het niet tot iet te geraken, bladzij 17

Informatie over de familie Van der Heijde komt vooral uit de brief waarin de subcommissie Leiden het gezin voordraagt voor de kolonie dd 24 september 1818, en een gedeelte van de brief wordt opgenomen in het persoonsfile Van der Heijde. De in dit stukje een paar keer genoemde secretaris van de subcommissie Leiden ondertekent wat onduidelijk, maar heet Bosse of Blussé en is rector van het Leids gymnasium. Hij schrijft dit jaar enkele zeer enthousiaste brieven aan de permanente commissie. Gegevens over Leiden en Leidse armoede zijn te vinden bij G.P.M. Pot, Arm Leiden. Levensstandaard, bedeling en bedeelden 1750-1854, Hilversum 1994.

De brief waarin er nog eens op aangedrongen wordt het gezin Van der Heijde naar de kolonie te zenden is geschreven door H.W.Tydeman dd 28 september 1818. Tydeman is de drijvende kracht achter het tijdschrift Magazijn voor het Armenwezen en heeft veel gepubliceerd over armenzorg. Hij verontschuldigt zich er in dit briefje voor dat zijn verslag over zijn reis naar Ommen nog op zich laat wachten. Als hij twee dagen later dat genoemde verslag wel stuurt, wijst hij op het bestaan van de verlaten vesting de Ommerschans, waar de Maatschappij later de straf- en bedelaarskolonie zal vestigen.

Een betamelijk, zelfs behagelijk voorkomen, bladzij 19

Gegevens over Leonardus Biemans komen uit een brief van de subcommissie Gorinchem waarin die hem voordraagt voor de kolonie, dd 9 oktober 1818. Zie verder persoonsfile Biemans. Over de ziekte van Johannes Weender schrijft dokter Schuurman in een artikel in de Star van april 1819. Zie verder persoonsfile Weender.

De brief waarin Metz door Amersfoort wordt voorgedragen is van 3 oktober 1818. De twijfels over de juistheid van de gegevens die Amersfoort daarbij opgeeft, komen voort uit contacten met mensen die genealogisch onderzoek naar Metz/Meerts enz. gedaan hebben. Veel genealogische gegevens over het geslacht staan op de internetsite: http://www.leomeerts.nl/
‘Zonder hemd kwam deze familie hier aan...’ uit een brief van Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie dd 9 april 1819. Over hun ‘aanhoudende bedelzucht’ schrijft hij vaker, het staat ook in de Star 1819, pagina 378.

De regelingen met betrekking tot kleding zijn te vinden in de regle­mentaire beginselen (zie de algemene noten).  Er is een volledige lijst van alle verstrekte kleding, archief 1338, die waarschijnlijk van eind oktober dateert en die bedoelt lijkt om de totale kosten te berekenen. Er staan dingen op die al ‘gekogt’ zijn en waar de prijs bijstaat en dingen die worden ‘gecalculeerd op’ een bepaald bedrag. Per gezin worden alleen de vier oudste kinderen gekleed, zie boek bladzij 203.
Dat de kleding ook tot doel heeft om desertie tegen te gaan, staat in de officiële aankondiging dat de Maatschappij bestaat na de koninklijke goedkeuring in de Staatscourant van 16 maart 1818. Overigens wordt het woord desertie in de beginperiode niet meer gebruikt. Na dit krantenartikel duikt het pas eind 1820 weer in de archieven op.

Ten gevalle zijnes broeders, bladzij 21

Benjamins functie in het leger blijkt uit koninklijk besluit dd 14 augustus 1818 waarin hij wordt vrijgesteld voor de kolonie, geciteerd in Kloosterhuis pagina 50. Enkele dagen ervoor schrijft hij de pc over de ‘berei­king van het schoon en edel...’ enzovoort, 9 augustus 1818.
In diverse correspondentie en verslagen gaat het over zijn bereidheid de helft van zijn kapiteinsgage op te offeren. Broer Johannes maakt er een jaar later nog eens uitgebreid werk van in het eerste jaarverslag dat hij namens de pc aan de commissie van weldadigheid aanbiedt, 5 augustus 1819, ­archief  989: ‘De Heer Direkteur, die met zulk een uitstekenden ijver de belangen der Maatschappij bevordert, geniet daarvoor, gelijk Ul. bekend is, geene de minste betaling, maar heeft zelfs daaraan de helft van zijn traktement, als kapitein bij de armée opgeofferd. Zoo veel belangeloosheid en ijver geven ons eenig regt, om te hopen, dat ook anderen op eene even belangelooze wijze zich met ons zullen vereenigen, ter bereiking van het groote doel.’

Over Benjamins gezinssituatie:
- Huwelijksacte, Gelders Archief , Toegangnr: 0207, Inventarisnr: 1428, Gemeente: Tiel, Aktenummer: 7. Datum: 11-04-1812, Bruidegom Bejamin van den Bosch, 22 jaar, geboorteplaats: Herwijnen, zoon van Johannis van den Bosch en Adriaantje Poeningh
Bruid: Johanna Catharina van Rijnberk, 28 jaar, geboorteplaats: Tiel, dochter van Hendrik Jan van Rijnberk en Commerina Ingenhoest
- Zij hebben een zoontje van vijf jaar, volgens de geboorteakte, Utrechts Archief, toegangnr: 481, Inventarisnr: 191, Gemeente: Zuilen, Aktenummer: 1 Aangiftedatum: 04-01-1813
Kind: Johannis Adrianus van den Bosch, Geslacht: M, Geboortedatum: 03-01-1813, Geboorteplaats: Zuilen
Vader: Benjamin van den Bosch
Moeder: Johanna Catharina van Rijnberk

Benjamin krijgt ook meteen het honorair lidmaatschap aangeboden. Petrus Ameshoff weet blijkbaar nog niet dat Benjamin directeur wordt, want hij zet vraagtekens bij dat honoraire lidmaatschap, waarop dokter Nieuwenhuis hem schrijft dat Benjamin ‘belangeloos en zelfs met opoffering’ naar Drenthe gaat, 28 juli 1818, archief  48. Johannes streept ‘ten gevalle zijnes broeders’ door in een concept aan de subcommissie Goes dd 31 december 1818, archief 352.

De gebouwen die nog op Westerbeeksloot stonden worden beschreven in een verslag van Johanes van den Bosch aan prins Frederik dd 17 september 1818, archief 1179. Overigens beschrijft Petrus Ameshoff in juli 1818 het landgoed en de gebouwen ook al in een brief dd 28 juni 1818, archief  48.

Het landgoed Westerbeeksloot is vernoemd naar het rond 1775 gebouwde Huis Westerbeek, wat is vernoemd naar de eerste die rond 1650 het gebied begon te vervenen, jonkheer François van Westerbeek en die is vernoemd naar het rond 1430 gebouwde Huis Westerbeeck, wat ook wel weer ergens naar vernoemd zal zijn en dat aan de Loosduinseweg in den Haag stond. Dat laatste is rond 1800 gesloopt en sindsdien is er maar één Huis Westerbeek en dat staat hier. Meer informatie over Huis Westerbeek staat in C.A. Kloosterhuis, Geschiedenis van het huis Westerbeek, Frederiksoord 1975.

Stephanus van Royen heet voluit Stephanus Jacobus van Royen. Zijn naam wordt ook wel gespeld als van Rooijen of van Roijen. Dat laatste bijvoorbeeld ook in een boekje dat is geschreven over een van zijn zoons, Het leven en werken van mr. Isaäc Antoni van Roijen, verhaald aan zijne kinderen en kindskinderen, Groningen 1879. Ik kies voor de manier waarop Johannes van den Bosch in zijn correspondentie de naam spelde, dezelfde spelling trouwens die nu gebruikt wordt in de naar hem vernoemde Van Royenlaan in Vledder. Er komt een persoonsfile Van Royen.

Drenthenaren zijn groote uithoorders, bladzij 24

Informatie over de gouverneur van Drenthe Petrus Hofstede komt uit L. Buning, Het  herenbolwerk, Assen 1966.
Aanvullende informatie uit dat boek: Petrus Hofstede werd in 1755 geboren te Doornik (zijn vader diende toentertijd bij het bataljon Oranje-Drenthe van de Barrièretroepen), had de La­tijnse School te Meppel bezocht en zich daarna te Groningen laten inschrijven als student in de rechten. In 1776 was hij gepromoveerd en kort daarna had hij de post van advo­caat-fiscaal verwor­ven bij Drost Van Heiden, de centrale figuur van een kring van magistraten en hoge ambtenaren die bekend raak­ten als 'Asser Heren' of  'Heren van Drenthe'. Toen Drenthe met Overijssel was samengevoegd, speelde Hofstede een belangrijke rol in het verzet daartegen. Toen de samenvoeging ongedaan gemaakt was, ging hij steeds meer over Drenthe heersen, als achtereenvolgens secretaris van de Landschap, Land­drost, Prefect en Gouverneur.

Het voorstel Witten te kopen komt van C. Hofstede, wiens aanbod dd 18 juni 1818 is bijgevoegd bij een brief van Petrus Hofstede aan de Maatschappij dd 19 juni 1818.

De gebeurtenissen rond de aankoop van Westerbeeksloot worden ook beschreven in Kloosterhuis, pagina 50-51 en zijn verder gereconstrueerd uit de ingekomen post van deze periode, archief 48. Daar bevinden zich ook de diverse brieven waarin Petrus Ameshoff zich roert. Een van de mooiste van die brieven staat op deze site.
In die brief verwijst Ameshoff naar een boekwerkje dat hij aan het schrijven is over de provincie Drenthe en dat later in 1818 zal uitkomen. P.J. Ameshoff, Beschouwing van den tegenwoordigen toestand van Drenthe in gemeenzame brieven, Amsterdam 1818.
Ook in archief 48 bevindt zich de brief van Stephanus van Royen dd 6 augustus 1818 waarin hij meldt dat de expeditie om Westerbeeksloot aan te kopen geslaagd is. De aankoop vond plaats op 5 augustus, onder de ontbindende voorwaarde dat de hele commissie van weldadigheid accoord zou gaan, op 18 augustus hadden die schriftelijk ingestemd en was de koop definitief.

De verkopende eigenaar van het landgoed is Richard A.L.Nobel, oud-maire van Ruinen en later Statenlid van Dren­the. Hij is steenrijk en heeft een heleboel landgoederen. ‘Waarom draaide Prins Frederik zijn hoofd om...’ uit een brief van Petrus Ameshoff dd 11 september 1818 aan de permanente commissie

De schoonste dag van mijn leven, bladzij 26

De grootte van de proefkolonie is afgeleid van het  kadastrale minuutplan 1832 van de gemeente Vledder sectie D3, Drents archief  inventarisnummer 0178, invoernummer 1318. Het is aannemelijk dat die kaart accuraat  is, de grondbelasting werd er op gebaseerd. De omtrek van de kolonie is er op zichtbaar: Vledderweg, gracht,  Steenwijker Aa en Westerbeeksloot. Ervan uitgaande dat de huidige Majoor van  Swietenlaan op de plek ligt van de oude Vledderweg en dat de loop van de  Steenwijker Aa niet veranderd is, valt aan de hand van de afstand tussen die twee de oppervlakte van de proefkolonie te berekenen.

De ‘700 Rijnlandsche roeden’ staan in een brief van Johannes van den Bosch aan Stephanus van Royen, een dag na het definitief worden van de aankoop, dus 19 augustus 1819, archief 352, waarin hij Van Royen schrijft hoe die te werk moet gaan bij het aanleggen van de kolonie. Voorzover Johannes daarin niet alles kan regelen, besluit hij met ‘Zijt zo goed dan de zaken na uw eigen oordeel waar op ik mij volkomen ver­laat te schik­ken. Spoed echter is het hoofd van de zaken.’ Een paar dagen later komt Johannes zelf terug naar Drenthe.

Dat de eerste steenlegging op dinsdag 25 augustus 1818 plaatsvond, komt uit Westendorp Boerma 1927, pagina 104 en dat Johanes dat altijd de ‘schoonste dag’ van zijn leven is blijven noemen uit Westendorp Boerma 1950, pag. 27. Omdat Westendorp Boerma het familie-archief heeft kunnen inzien zal het wel kloppen. Waarom ik het zo vind afsteken tegen Johannes’ normale manier van uitdrukken zal uit het boek wel duidelijk geworden zijn.
.
Het ploegen door boeren uit de omgeving blijkt uit een brief van Van Royen aan de Maatschappij dd 7 september 1818, archief  49. Die brief wordt uitgebreider geciteerd in Kloosterhuis pagina 96. Johannes van den Bosch doet prins Frederik verslag van de aankoop en de eerste ontginning op 17 september, archief 1179.
De aannemer die de eerste koloniehuisjes bouwt is Oosterloo uit Steenwijk. Hij zal nog diverse jaren alle bouwwerkzaamheden voor de Maatschappij voor zijn rekening nemen. Hij heeft ook zitting in de subcommissie van weldadigheid Steenwijk.

Het boek dat Johannes van den Bosch in deze periode doet uitkomen heet Nederlandsche bezittingen, in Azia, Amerika en Afrika, in derzelver toestand en aangelegendheid voor dit Rijk; wijsgeerig, staathuishoud­kundig en geographies beschouwd, met bijvoeging der noodige tabellen en eenen atlas van 12 nieuwe kaarten, der overzeesche bezittingen van Z.M. den Koning der Nederlanden.

Volgens Kloosterhuis pagina 155 kwam de huisraad voor de kolonistenwoningen mee op hetzelfde schip als de onderofficieren. Dat zou heel goed kunnen, maar dat heb ik niet kunnen vinden.
Eenmaal worden de onderoffcieren door Benjamin ‘korporaals’ genoemd, maar verder altijd ‘sergeanten’, dus ik neem aan dat dat hun rang is. De administratieve kracht, sergeant Schweitzer, had voor zijn vertrek naar de kolonie al korte tijd op het bureau in Den Haag gewerkt. In de notulen van de pc van 3 augustus 1818 staat: ‘wegens de menigte van schrijfwerk aan 't Bureau is geaccor­deerd vooreerst voor een­ige tijd een tweede als schrijver te mogen employe­ren, en daartoe geemployeerd Jo Schweitzer, onderofficier op een weekgeld van ...’ (opengelaten) Op 9 november 1818, archief 49, schrijft Benjamin dat de onderofficieren hem ongeschikt lijken.

Het ingedeelde weesmeisje Geeske Durks Gadsonides, bladzij 28

Voorstel van de subcommissie Sloten het weesmeisje in te delen in een brief aan de Maatschappij dd 31 juli 1818. Reactie van de permanente commissie hierop in haar brievenboek. Benjamin schrijft dat Brandsma’s eigen kinderen niet met het weesmeisje overweg kunnen op 16 december 1818 en dat zij volgens hem ‘geen gunstige aanleg’ zou hebben op 9 maart 1819. Sloten haalt haar terug op 5 juli 1822: 'Ook hebben de Algemene Ar­menverzorgers alhier aan de subkommis­sie te kennen gegeven dat zij het weesmeisje Geeske Durks Gadsoni­des met primo novem­ber aanstaande te rug begeerden, om haar in de groote maatschappij te plaatsen.'

Het is onbekend wanneer de weduwe Richmond en haar metgezellen exact op de kolonie aangekomen zijn. Benjamin van den Bosch meldt op 2 december dat zij sinds zijn vorige brief, van 23 november, tegelijk met Rigagneau uit Amsterdam is aangekomen. Zie verder, ook voor Willem Perrijn, het persoonsfile Richmond.
    
Wie bleef zonder aandoening? bladzij 31

Die ‘onderdirecteur van policie’, die ook - boek bladzijde 183-184 - belast is met de inning van vrijmetselaren die contribuant van de Maatschappij zijn,  heet W. Holtrop. Hij stuurt een rekening voor de opvang met een overzichtje van gezinnen waar hij kosten aan gehad heeft dat in het boek is afgedrukt. De kolonisten hebben een reisbrief waarop naar hem verwezen wordt. Bijvoorbeeld Dordrecht meldt dat hun gezin ‘vrij­dag te Amsterdam zal kunnen arri­veeren, waar wij hetzelve ter verdere ver­zending aan den Heer Holtrop zullen addres­seeren’. Holtrop krijgt in augustus 1819 het honorair lidmaatschap aangeboden.
De proviand voor onderweg wordt beschreven in een brief van Petrus Ameshoff van 1 maart 1820. Het verslag van de opvang in Steenwijk zit als concept bij de notulen van de subcommissie Steenwijk, archief 2340, en verschijnt op 7 december in de Staatscourant als een artikel van de subcommissie.

Waschtobbe, zeepbak, handdoeken, bladzij 34

De grootte van de woning wordt door Johannes van den Bosch beschreven in een brief aan Robert Owen, dd 16 juli 1819, archief 352. NOTA BENE: Dit soort gegevens geldt uitsluitend voor de eerste 52 woningen! Hierna zal er steeds iets aan het bouwplan veranderd worden. Uiteindelijk zullen er een stuk of vijf verschillende types koloniale huisjes zijn.
Over de vochtigheid van de woningen schrijft dokter Schuurman in de Star van mei 1819, de ontstane kieren worden beschreven door ene Van der Muelen uit Maarsenbroek dd 29 september 1821. Over het opleveren schrijft Wouter Visser op 13 december 1823 als nieuw-aangekomen kolonisten klagen dat er geen vloerbedekking is.

De huisraad wordt beschreven in een lijst, archief 1338, die waarschijnlijk van eind oktober 1818 dateert. Bij sommige zaken staat dat ze al gekocht zijn (bijvoorbeeld ‘1 dwijl gekogt voor -3', waarschijnlijk 3 stuivers, en ‘7 stoelen gro­tendeels gekogt a ƒ1- p stuk’) en andere zijn dat nog niet (bijvoorbeeld ‘1 tafel gecal­culeerd op ƒ 2-. ‘).

Schurk, farezewer, bladzij 35

Het getal van 100.000 Amsterdamse armen komt uit Westendorp Boerma 1950, pagina 22, de schatting van 75.000 staat voorin Ameshoffs stuk Over de behoeftigen van Amsterdam,  archief 48. De subcommissie Amsterdam draagt op 2 oktober 1818 het gezin van Bosch voor voor de kolonie. Veel overige informatie over de familie is gereconstrueerd uit de eigen brieven van Bosch. De kwestie met de schoonzonen speelt vanaf januari 1819, waarover bericht wordt door Benjamin van den Bosch, archief 50.
In Kloosterhuis staat dat het gezin van Peen de kolonie waarschijnlijk nooit heeft verlaten, maar tegenwoordig is er gelukkig drenlias om dat te controleren. En dan blijkt dat een jaar later, januari 1820, het gezinnetje in Harlingen een kind heeft gekregen: Gemeente: Harlingen, Geboorteakte, Aktenummer: B 16. Aangiftedatum: 07-02-1820, Kind Jacob Peen, Geslacht: M, Geboortedatum: 07-02-1820. Vader Wouter Jacobs Peen; Moeder Liberta Bos
Een half jaar later worden zij dan door de subcommissie Harlingen op Willemsoord geplaatst als huisverzorgers, zie boek bladzij 253 en dit stukje op de site.

Het memorieboekje, bladzij 40

De financiële regelingen worden op diverse plaatsen beschreven, onder andere in de Star van januari 1819 en in de reglementen. Dat het in de toekomst wel eens mogelijk zal zijn dat de oorspronkelijke contributies aan de leden terugbetaald kunnen worden, had de pc geschreven in de officiële aankondiging van haar bestaan in de Staatscourant van 16 maart 1818.


Terug naar boven




NOTEN HOOFDSTUK 02

Een oordeelkundige bestudering der daartoe vereischte ligchaams-oefening, bladzij 45

Benjamin van den Bosch schrijft over het begin van de veldarbeid op maandag 9 november 1818, het reglement van de Maatschappij is in archief 2 en staat ook op deze site afgedrukt. Iets anders maar met dezelfde betekenis wordt het verwoordt in de Star 1819, pag. 279, waar het feit ‘dat alles wat gegeven wordt, de vergelding is van arbeid en verdiensten’ de ‘grondslag van alles’ genoemd wordt.
De brief aan subcommissies om ze daaraan te herineren is een last minute kladje van Johannes van den Bosch, in archief 960, dat hij tegelijk met reisvoorschriften in ‘Concept-bepalingen wegens het vertrek van huisgezinnen naar de eerste kolonie’, archief 1337, aan Ockerse adresseert met het verzoek er een circulaire van te maken.
Het lesgeven in veldarbeid wordt later beschreven in de Star 1821, pagina 497.

(bladzij 46) ‘Over het algemeen stellen wij ons de bezwaren van eenen arbeid...’ schrijft Johannes van den Bosch in de Star 1819,  pagina 35 en daar verhaalt hij hoe hij de ‘daartoe vereischte ligchaams-oefening’ bestudeerd heeft. Een citaatje daaruit: ‘Meest alle veldarbeid vordert slechts de duurzame beweging van eenen matigen last met eene bepaalde snelheid.’

De Utrechts ‘verwersknegt’ heet De Kruijf of De Kruif. Hij arriveert pas laat in november als gevolg van een conflict tussen zijn subcommissie en de pc (zie boek bladzij 87) en op 31 maart 1819 schrijft Benjamin van den Bosch, archief 50, dat de man ‘zedert 3 maanden sterk aan de jicht souf­freert ’ Meer informatie over De Kruijf in zijn persoonsfile.
De liederen zijn ook te vinden bij de ingekomen post, archief 49. Twee ervan zijn afgedrukt op deze site.

‘Zoo lang de landbouw het noodig... enzovoort is artikel 16 van het reglement.
 
Het aanbranden van het eten de eerste dagen wordt beschreven in Kloosterhuis pagina 159. De kok heet Rieken, hij verdient vijf gulden per week, Benjamin van den Bosch schrijft dat hij ‘twee zeer kleine kinderen’ heeft en dat ‘zijne vrouw niet tot de jongsten behoord’. Als de menage midden 1819 is afgeschaft, verdient hij wat bij als ‘metzelaar’. Daarna gaat hij koken voor het bedelaarsgesticht op de Ommerschans. Naar alle waarschijnlijkheid is hij best goed in zijn vak, want over de kwaliteit van zijn maaltijden worden nooit klachten gehoord.

Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, bladzij 47

Benjamin van den Bosch vraagt naar de prijzen in een brief dd 18 november 1818. Voor wie zich in die verschillende maatstelsels wil verdiepen, een overzicht staat in J. Verhoef, De oude Nederlandse maten en gewichten, Amsterdam 1982.
De verwarring tussen Ockerse en Ameshoff komt aan het licht in een brief van Petrus Ameshoff dd 9 augustus 1818. Op 22 juni was Ameshoff in functie getreden als kassier, zodat dit blijkbaar pas na anderhalve maand correspondentie aan het licht kwam!

Een najaarsziekte, bladzij 50

Benjamin van den Bosch bericht over Stellinga’s dood op 9 november 1818. De brief waarin de subcommissie Stavoren het gezin voordraagt dateert van 29 september 1818. Alle informatie over Stellinga is bijeengebracht in zijn persoonsfile, maar dat is niet zo veel, want door zijn snelle dood komt hij niet voor in latere stamboeken van de Maatschappij.

Over het ontbreken van een arts in Assen schrijft Petrus Ameshoff op 22 juli 1818. Informatie over dokter Schuurmans opleiding komt uit Kloosterhuis pagina 624 noot 11. Schuurman schrijft over Stellinga’s conditie en sterven in de Star van mei 1819.

(bladzij 51) De permanente commissie schrijft over Stellinga’s slechte conditie bij aankomst eerst een kwade brief aan Sneek. Als die stomverbaasd gereageerd heeft, begrijpt men dat men een stukje verderop moet zijn en richt de pc zich tot Stavoren. In het brievenboek van 14 november staat: ‘Besluit der Perm. Kommissie. Om, daar het als nu gebleken is, dat de klagt des Direk­teurs over het huisgezin van Stellinga niet Sneek maar Stavoren reguardeert, aan die van Sneek op den hunnen te antwoor­den, te hunner verontschuldiging. Maar tevens aan de subk. Stavoren het ongenoegen der P.K. te kennen te geven.’ Ook Kloosterhuis, pagina 59, legt verband tussen de schrobbering en de opheffing van de subcommissie Stavoren.

De 19-jarige dochter komt bij het gezin Gerritsma uit Bolsward in huis, de 15-jarige zoon die ook ziek aankwam belandt na zijn herstel bij de Harlingse kolonistenfamilie Nak.

De spinnerij, bladzij 51

Een contract voor het vervoer tussen de pc en schipper Jacob Breijer bevindt zich in archief 1340. De opsomming van de vracht in archief 1598. De spullen voor de spinnerij zijn in Leiden bezorgd door R. Scherenberg, een van de mensen van het Magazijn voor het Armenwezen. Hij schrijft op 5 november aan de pc dat die ochtend het schip uit Leiden is vertrokken en voegt daarbij een lijst met nog elders aan te schaffen materialen. Het vrachtcontract, de lijst van Breijer en de lijst van Scherenberg zijn afgedrukt op deze site. Er zitten nogal wat curieuze termen tussen.

(bladzij 52) De terughoudendheid van de koning jegens de spinnerij staat in de brief met de koninklijke goedkeuring van het concept-reglement dd 5 maart 1818, die ook op deze site staat.

De vele eerdere pogingen in ons land om via plaatselijke spinhuizen de ingezetenen aan het werk te krijgen staan beschreven in H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Armoede en Arbeidsdwang, werkin­richtingen voor onnutte Nederlanders in de Republiek 1760-1795, den Haag, 1977. Waarom die zijns inziens ‘verbroddeld’ zijn schrijft Johannes van den Bosch in de Star 1819, pagina 20-21.

Volgens het eerste jaarverslag is er in het eerste jaar ingetekend ‘voor 24.571 ellen gebleekt, en voor 1,444 ellen ongebleekt linnen’. Star 1819, pagina 644. Een el is de lengte van de menselijke onderarm. Benjamin van den Bosch schrijft dat de spinnerij in volle gang is op 18 november 1818.


Teneinde hen in goede omstandigheden te plaatsen, bladzij 53

Vader Tersmetten is Johannes, moeder is Antje, beiden oorspronkelijk afkomstig uit het Westland, respectievelijk Honselerdijk en Monster, maar al sedert tien jaar wonend in Den Haag. Zie verder het persoonsfile Tersmetten. Spellingvariaties komen bij alle kolonisten voor, maar in de stukken komt Tersmetten maar net een beetje vaker voor dan Ter Smetten, het kan heel goed zijn dat die hij in zijn latere leven als Johannes ter Smetten onder de letter ‘s’ te vinden is..
Een bewijsje van goed gedrag dat de wijkmeester van wijk B aan de Tersmettens meegeeft, staat afgedrukt in Kloosterhuis pagina 149.

(bladzij 55) Dat Armenopvoedingsinstituut is een van de Europese initiatieven waarmee de maatschappij geestverwantschap voelt.  Net als de armenkolonie van Lawaetz in de buurt van Hamburg en het arbeiderszelfbestuur van Robert Owen in New Lanark in Engeland. Vier experimenten die met elkaar corresponderen en in hun respectieve publicaties lovende stukken over elkaar schrijven. Het instituut in Hofwijl staat onder leiding van Emanuel von Fellenberg, in de Star omschreven als ‘deze warme menschenvriend, die den rijkdom van natuurlijke en verkregenen kennis met het hart van eenen warmen menschenvriend, met de edelste beginselen van verlichte godsdienstig­heid en met een karakter verenigt van dien moed en die volharding, zonder welke niets goeds en groots kan worden tot stand gebragt.’
Een uitgebreide beschrijving van het instituut staat.in de Star 1819, vanaf pagina 322.

Die in Zwitserland op te leiden jongeling heet Kornelis Mulder. Hij krijgt tweehonderd gulden mee om een beetje comfortabel te reizen. Als Fellenberg schriftelijk verslag doet van zijn opleiding, betwijfelt hij of de jongen echt van het platteland komt. Volgens hem is het een stedeling. Verder is hij wel tevreden over hem.

Dat Van Ewijk de opleiding van Mulder bekostigt blijkt uit Kloosterhuis pagina 145, waar geciteerd wordt uit een brief van Van Ewijk dd 16 oktober 1818: ‘Ik verzoeke U Ed. Mij de kosten in rekening te brengen welke het verblijf van den kweekeling Mulder bij den heer von Fellenberg in Zwitserland mogt komen te veroorzaken, daaronder begrepen de kosten gindsch en herwaarts, verbindende ik mij bij deeze, of mijne regtverkrijgenden, om voor de voldoening deezer onkosten te zorgen.’  Een beschrijving in de Star van het instituut van Fellenberg staat op deze site.

De stukken over de opleiding van Mulder bevinden zich in archief 1609. Daar is ook de brief van Van Ewijk over de zijns inziens militaire organisatie op de kolonie. De rapportages van Johanes van den Bosch aan prins Frederik zijn in archief 1179.

Dat nog in verscheidene eeuwen dit hulpmiddel niet kan worden uitgeput, bladzij 55

Dat de subcommissie Alkmaar zeventien gulden aan de familie Tijmes had gespendeerd, komt uit de rode boeken van Kloosterhuis.Benjamin van den Bosch schrijft over ‘te rijk uitgemeste’ gezinnen op 9 november 1818.

(bladzij 58) Voor de beschrijving van de kolonie is gebruik gemaakt van:
- de brief van Johannes van den Bosch dd 19 augustus 1818 aan Stephanus van Royen over de door laatstgenoemde aan te leggen proefkolonie, archief 352;
- verslag van Johannes van den Bosch aan prins Frederik over de aankoop van Westerbeeksloot en de daar uitgevoerde werkzaamheden, dd 17 september 1818, archief 1179;
- brief van Johannes van den Bosch aan Robert Owen (beantwoording van diens vragen) dd 16 juli 1819, archief 352;
- een artikel van dokter Schuurman in de Star 1819, pagina 453 e.v., met de titel ‘Brief van den Heer J.B.Schuurman, Med. Doktor te Steen­wijk, aan eenen vriend, over de gezondheid der Kolonie Frede­riks-Oord’, waarin hij de kolonie beschrijft.
- Star 1819, pagina 380-381:
 
De preciese afstanden tussen de huisjes vallen niet meer te bepalen, maar ze stonden redelijk ver van elkaar vandaan, wat tot gevolg heeft gehad dat Frederiksoord - evenals later Willemsoord en Wilhelminaoord - altijd moeite hebben gehad om écht dorp te worden, want er ontbreekt een echte dorpskern. Mevrouw Kloosterhuis, opgegroeid in Willemsoord, schrijft in de inleiding van haar boek over het plezier dat zij en haar zusje hadden als ze elders in Drenthe in een ‘echt dorp’ op vakantie waren geweest.

Behalve het broek is ook buiten de grenzen van de proefkolonie een stuk van het Vledderheideveld al in cultuur gebracht: ‘Terwijl tevens, om de proefneming zoo volledig mogelijk te maken, en de voordeeligste wijze van koloni­sering met kennis van zaken te kunnen vast­stellen, eene aanzienlijke hoeveel­heid heide­gronds (aktueel wordt) omge­ploegd, en tot het zaaijen van stalvoedering (enz. zal) gebezigd worden.’ rapporteert Johannes op 17 september aan prins Frederik, archief 1179.

De subcommissie Steenwijk jubelt in de Staatscourant van 1 december 1818 over de kolonie en over de rol van Johannes daarbij. Volgens Steenwijk - in datzelfde krantenartikel - maken de kolonisten zich tegelijk in de omgeving ‘bemind door hun betoon van dankbaarheid voor hun tegenwoordig lot’.

Kasteelen in de lucht, bladzij 59

De meeste informatie in dit stuk komt uit Westendorp Boerma 1927 en Westendorp Boerma 1950. Met enige aanvullingen:
- De in zéér bedenkelijk Nederlands geschreven brief waarmee de dan 18-jarige Johannes vraagt om een functie in de Oost, gedateerd 22 juli 1798, is afgedrukt in J.J. Westendorp Boerma, Johannes van den Bosch als militair, artikel in BMGN 85, 1970, pagina 73-87.
- ‘Als warm Nederlander, en even sterk anti-Fransch als anti-Engelsch... uit Jhr. mr. J. de Bosch Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830, Amsterdam 1873, pagina 235

Volgens Westendorp Boerma 1950 was Rudolfina Wilhelmina de Sturler uit Tiel ten tijde van haar zwangerschap pas zeventien jaar, maar volgens de opgave tegenover schout Stephanus van Royen als zij en Johannes in 1823 in het huwelijk treden, was haar geboortejaar 1790, zodat ze midden twintig was toen ze Richard Leeuwenhart ter wereld bracht. Dat laatste zal dan wel kloppen, want bij zo’n huwelijk moeten geboortepapieren getoond worden.

Voorbeelden van de manier waarop Johannes gebruik maakt van zijn koninklijke connecties zijn te vinden in zijn correspondentie met baron Van Dedem (over de Ommerschans) dd 27 januari 1819, archief 1438, waarin hij het in positieve zin gebruikt en in zijn brief aan die schoolinspecteur, dominee Crull, dd 26 december 1821, archief 59, waar het eerder dreigend bedoeld is.

Nog een mooie zin uit Westendorp Boerma over Johannes: ‘(...) een temperament dat hem ertoe bracht vruchten te plukken die nog niet rijp waren.’
Over de aankoop van (drie) paarden schrijft Benjamin van den Bosch in zijn eerste brief na aankomst van de kolonisten op 9 november 1818.

Scheepjes met mest, bladzij 62

Er wordt wel meer gediscussieerd over de (on)mogelijkheid om woeste gronden te exploiteren en of die exploitatie toekomstwaarde heeft. Ook Gijsbrecht Karel van Hogendorp, enthousiast aanhanger van de Maatschappij, mengt zich erin. In zijn Bijdragen tot de huishouding van staat in het Koninkrijk der Nederlanden, vijfde deel, pagina 103, noemt hij ‘het land van Waas’ al voorbeeld van nuttige gemaakt heideland. En verderop in hetzelfde geschrift, op pagina 112, komt hij met een negen jaar geleden ontgonnen ‘veld tusschen Zuidveen en Steenwijk. Ik noem dit veld, omdat het negen jaren vruchtbaarheid telt, en dat het een antwoord schijnt toe te roepen aan degenen, die vragen of de gronden van Frederiksoord zullen vruchtbaar blijven.’

De opmerkingen van Ameshoff over de Amsterdamse mestmarkt komen uit zijn ‘Beoordelingen en bedenkingen op het ver­slag van 22 junij 1818' dd 11 juli 1818, met name zijn opmerking bij bladzijde 46 en 48, en enkele brieven van hem uit die tijd, archief 48 en 49. Als Ameshoff schrijft: ‘Sekreetmest wordt weinig opgegaard, omdat de onvermogen­den dezelver liever in de grachten gooijen’, benoemt hij een probleem dat in Amsterdam algemeen erkend wordt (en geroken zal worden).
Zijn opmerking ‘dagelijks stuur ik scheepjes met mest’ is van 9 oktober 1818, dus dan is mestverscheping blijkbaar volop bezig. Op diezelfde dag doemt het probleem van het voedsel op. Ameshoff vermeldt, de volgende dag, ook de prijzen van de door hem aangekochte groente: ‘de uien 9 cent per stuk, de witte kolen 10 voor 50 cent, en de peen 25 cent de honderd’. Overigens zal later blijken, boek bladzijde 106, dat hij wel wat te veel, met name uien, heeft aangekocht.

Petrus Ameshoff had al op 4 september 1818 de mogelijkheid van bedrog door schippers vanwege het ‘1 a 1,5 voet moeten lig­ten’ bij de ondiepte van Muggenbeet voorzien en had in die tijd de pc toestemming gevraagd om speciale haken te laten maken, een voor hem en een voor burgemeester Tuttel van Steenwijk die de mest in ontvangst moest nemen. Later, op 2 februari 1819, constateert Benjamin dat dat niet afdoende is. Waarschijnlijk heeft hij erg waterige mest ontvangen. Over de mogelijkheid meststof van ‘kakkende’ soldaten te krijgen, schrijft Ameshoff op 6 oktober 1818.

Het gedicht van de landbouwdeskundige wordt geciteerd op pagina 33 van Faber, Dure tijden en hongersnoden in pre-industrieel Nederland, Am­sterdam 1976.

Een deficit op de voeding, bladzij 64

Petrus Ameshoff maakt de oversteek met het beurtschip op 31 oktober. Dat is tegelijk met Breukel, van Haften, de Wals, Klaver, Gerards, Kranendonk, Molenaar, Koppejan en Tijmes.
Verder komt alles over de administratie in deze paragraaf uit zijn en Benjamins brieven aan de pc. Het project had veel meer kans van slagen gehad als er in 1818 één kopieerapparaat bestaan had.

Daar leyt het begraven bij de groote kerk, bladzij 66

De permanente commissie waarschuwt de subcommissies zich aan de afgesproken gezinssamenstelling te houden in de Staatscourant van 30 oktober 1818, hoe het precies met de gezinnen zit wordt door Benjamin van den Bosch beschreven in brieven aan de pc. Het gezin uit Alkmaar heet Tijmes of Tiemes, zie het persoonsfile bij Proefkolonisten. Gerrits heet eigenlijk Timmerman, zie boek bladzij 99, zie verder zijn persoonsfile. Het gezin uit Almelo heet Krabshuis, zie het persoonsfile bij Proefkolonisten. Overigens maakt de pc geen gebruik van het Almelose aanbod het kind met geweld naar de kolonie te voeren.

In ieder geval bij de weduwe Vergeer uit Gouda en bij Jacob Baade uit Amsterdam heeft Johannes jongemannen er bij gedaan, die allebei in het boek nog terugkomen als respectievelijk Theodorus Drossens die tijdens verlof geld lospeutert bij subcommissies, bladzij 115, en ‘de ingedeelde bij Baade’ (Dirk Wiemes), de bruidegom van het eerste koloniehuwelijk, bladzij 166, 191 en 243. Benjamin schrijft over het feit dat zij ingedeeld zijn op 23 november 1818 en 2 december 1818.

De latere aankomsten van kolonisten kunnen gedateerd worden door brieven van Benjamin en doordat in die tijd op twee tijdstippen op lijsten wordt aangetekend hoe bekwaam de verschillende ­kolonisten zijn in het spinnen, archief 1597, en nagegaan kan worden wie er op welke lijst ontbreken. Uit een en ander wordt ook duidelijk dat Burks samen met de Utrechter De Kruif en Arends uit Jisp over de Zuiderzee gereisd is, maar wat later op de kolonie arriveert. Waarschijnlijk hebben zij in Steenwijk overnacht voor de begrafenis van hun zoontje. De brief van Burks is gedateerd 11 december 1818 en komt verderop in het boek terug.

Op voorwaarde van proefneming, bladzij 67

De notulen van de subcommissie Steenwijk uit deze periode zijn helemaal bewaard gebleven en bevinden zich in archief 3450. Alles in deze paragraaf komt daaruit. Naast de al genoemden zijn ook dominee Wilbrink - die later met de Maatschappij in conflict zal komen over een herberg die van hem is, zie boek bladzij 230 - en ene Hovens-Greve lid.

Reeds eenen noodpenning hebben opgelegd, bladzij 70

Op het Maatschappij-museum De Koloniehof is een (nagebouwde) paal-met-een-mand die begin en einde van de werkdag aankondigde. Rond de schenking van de klok was er bij mij onduidelijkheid over wie de schenker was omdat er in het archief tegenstrijdige vermeldingen stonden, maar de heemkundige Frans Wilbrink uit Son en Breugel hielp mij uit de brand. Hij heeft een kopie van een tekening van de klok en het opschrift op de klok luidt: "I.H. BAGELAAR AAN DE MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID. PETIT ET FRITSEN ME FUDERUNT - ANNO - 1819 -" Hij vertelde er bij dat Petit en Fritsen een klokkengieterij uit Asten (Noord-Brabant) was. Jan Hendrik Bagelaar woonde in Son en Breugel, was een vriend van Johannes van den Bosch en dus de schenker van de klok.
Vervolgens bleek die kopie via-via oorspronkelijk van de Maatschappij te komen en leek het erop dat die klok nog steeds bestaat en nog steeds gebruikt wordt, nu in de klokketoren van de Johannes de Doperkerk in Vledder. Achteraf (tijdens een lezing in Vledder, bleek dat het om een replica gaat. De toren was in de Tweede Wereldoorlog helemaal verwoest en later is de klok, helemaal volgens de oorspronkelijke specificaties, nagebouwd.

De ochtendrituelen worden later door Johannes van den Bosch beschreven in de Star 1821, pagina 497. Uit datzelfde artikel komt ook het citaat over dagloon en stukloon, waarover hij eerder al vaker in de Star geschreven heeft. Zo staat in het allereerste nummer in januari 1819 op pagina 36 bij een artikel van Johannes een voetnoot: ‘In de Kolonie wordt de belooning alleen naar de hoeveelheid van goed verrigten arbeid geregeld’. Het voorbeeld van de later steeds meer gespecificeerde stukloonberekeningen komt uit een brief van de latere directeur Wouter Visser, dd 8 februari 1824, archief 68.

Ook dit lied bevindt zich bij de ingekomen post en is afgedrukt op deze site.

Er staat nergens zwart op wit dat er op maandagen uitbetaald wordt, maar er zijn legio brieven waaruit het af te leiden valt. Bijvoorbeeld:
- op zondag 17 januari schrijft Benjamin van den Bosch hij dat hij door geldgebrek ‘morgen’ niet weet hoe hij de kolonisten moet betalen, boek bladzij 134;
- op maandag 20 september schrijft hij: ‘Zedert eenige dagen ben ik geheel zonder contanten en heb mij heden bij de uitbetaling verlegen bevonden.’

De kosten voor de porties eten staan in het reglement. Over de winstmarge van 5 % voor de winkelier schrijft Benjamin van den Bosch op 28 augustus 1819, archief 52, en op 21 februari 1820, archief 54. Er wordt ook op de pof bij de koloniewinkel gekocht. Een jaar later, 18 oktober 1819, archief 53, omschrijft Benjamin de afbetalingsregeling: ‘De kolonisten kopen zeer veel bij Drij­ber, en betalen bij kleine gedeelten op 3 maanden.’ Nog later zal duidelijk worden dat Drijber er regelmatig bij inschiet, boek bladzij 223.

De rapportage van Johannes van den Bosch aan prins Frederik is gedateerd 10 december 1818 en is in archief 1179.

Behoeftigen van de beste soort, bladzij 72

De onvolledige gezinnen zijn die van de weduwe Vergeer uit Gouda, de weduwe Richmond uit Vlissingen en de weduwnaar Van Ommen uit Zwolle. De volwassen ‘Jannen’ zijn Berends, Bodenstaf, Bosch, Breukel, Bult, Burks, van der Heijde, Molenaar, Molewijk, Tersmetten, Westerveld. Zie voor de regionale spreiding onder Proefkolonisten de lijst op herkomst.

Bij het profiel voor proefkolonisten dat hier beschreven wordt kan nog aangetekend worden dat áls er al gezinnen bestaan die aan alle criteria beantwoorden, dat ook gezinnen zijn die een redelijke kans hebben om in de gewone maatschappij de kost te verdienen én gezinnen met een dusdanige werkkracht dat veel steden ze liever in de stad zullen willen houden als arbeidsreserve voor als de handel weer aantrekt. Dat laatste zeggen sommige steden, in veel bedektere bewoordingen, ook gewoon.
Het besluit ter vaststelling van die criteria heb ik niet kunnen vinden - volgens Kloosterhuis pagina 52 zou het op de vergadering van 22 juni 1818 vastgesteld zijn - maar de criteria laten zich afleiden uit de correspondentie tussen subcommissies en de pc.
De brieven van subcommissies waarin zij kolonisten voordragen voor de proefkolonie bevinden zich allemaal in archief 48 en 49. Die brieven bevatten vaak interessante gegevens over kolonisten, maar... het hoeft niet altijd waar te zijn. Soms omdat ze een kolonist erdoor willen drukken, soms uit pure slordigheid (zo wordt de 38-jarige Brandsma in de voordrachtbrief van zijn subcommissie vreemd genoeg 51 jaar oud genoemd). Een kleine selectie uit de voordrachten staat op deze site.
Reacties van de pc staan in het brievenboek of de notulen of de uitgaande post en vaak ook op de omslag van de brief.

NB bij de brief van Maassluis: het klinkt raar in onze oren, maar het was vrij algemeen om over de voorgedragenen als ‘voorwerpen’ te praten. Meerdere subcommissies gebruiken dat woord, evenals de pc soms in haar reacties.
 
De term ‘behoeftigen van de beste soort’ is van Johannes van den Bosch in de Star van januari 1819 pagina 66.

Terug naar boven





NOTEN HOOFDSTUK 03

Het uitzigt van dit alles door werken te verdienen, bladzij 79

Al deze mensen zegenen... enzov, schrijft Johannes van den Bosch in Star 1819 pagina 26. Van Royens naam staat niet bij het artikel in de Provinviale Groninger Courant van 7 december 1818, overgenomen in de Staatscourant van 11 december, dat opent met ‘In een' particulieren brief van Vledder, in de nabijheid der nieuwe kolonie Frederiksoord, wordt gemeld:’ en misschien was het ook helemaal niet voor in de krant bedoeld. Benjamin van den Bosch schrijft op 11 december: ‘Dheer van den Hoop, die in deeze environs een buiten heeft en den winter in Groningen doorbrengt heeft over Dheer van Roijen een­ig informatie ge­vraagd. Deeze heeft daar op een zeer avantagenste brief ge­schreeven, die de Heer van der Hoop in de Groninger Cou­rant heeft doen plaatsen, het geen van bij­zonder veel invloed is geweest.’

Over de brief van Jan Bult en het enthousiasme waarmee de subcommissie Enkhuizen die ontvangt, wordt geschreven in G.A. Bontekoe, De relaties van de stad Enkhuizen met kolo­niën van de Maat­schappij van Weldadigheid te Frederiksoord en Veenhuizen van 1818 tot 1849, artikel in Nieuwe Drentse Volksalmanak 83, 1965.

De maand ervoor waren er veel krantenberichten gepubliceerd van subcommissies dat hun kolonisten opgewekt naar de kolonie vertrokken waren. Ik weet niet of dit compleet is, maar in ieder geval de Staatscouranten van:
5 november: Kranendonk, Van Rhee, Tijmes, Cohen en Hoofien.
7 november: Mertz
9 november: Lucassen, de Vries, Van Haften.
10 november: Breukel (via Delft).
11 november: Vergeer
12 november: Krabshuis, Van Ommen.
13 november: Houtman.
14 november: De Kruijff, Hogenbirk
16 november: Gerritsma, Arends.
19 november: Meder.
23 november: Klaver.
25 november: De Ruiter, De Vos
30 november: Alblas.
11 december: Harmeling vertrokken en tevre­den aangekomen.

(bladzij 80/81) Enkele van de navolgingen van het Enkhuizense bericht in de Staatscourant: op 7 december Gouda, overgenomen uit de Rotterdamsche Courant van 4 december, op 8 december over de brieven van Johanna van der Heijde, overgenomen uit de Leidsche Courant van 5 december 1818, op 12 december Gorinchem over Biemans, op 13 december Nut en Beschaving over Cohen en Hoofien, op 18 december Maassluis over de ontvangen brief van Jan Breukel.
Dat Breukel niet zelf kan schrijven, verklaart hij later voor de raad van toezicht, zie boek bladzij 238.

Een menigte van ooggetuigen, bladzij 82

De aansporingen om zelf te komen kijken staan om de haverklap in de Star. Benjamin van den Bosch maakt vanaf begin december regelmatig melding van bezoekers, een van de eerste groepjes is de subcommissie van Meppel.

De bezoekende Engelsman gaat erna naar Den Haag en wint informatie in bij de permanente commissie. Op 1 februari 1819, archief 50, schrijft ene W. Clegg uit New Lanark aan de pc om namens Owen te bedanken voor de stukken over ‘the interes­ting society’ die zijn meegegeven aan de bezoeker, wiens naam niet goed te lezen is: ‘mr. Leonpohen(?) of London’.
Clegg stuurt erbij uit naam van Owen ‘copies of six publications as the object for which they were written is analogous to that which your society has proposed to itself. He hopes they may afford you some useful hints.’
Verder zegt hij dat Owen graag meer informatie onbtvangt en nodigt hij de pc uit om in New Lanark te komen kijken. Eind juni, archief 51, komen er dan schriftelijke vragen van Owen via de ‘Heer van Kerkhoff te Rotterdam’, die 16 juli 1819, archief 352, door Johannes beantwoord worden.In de Star van oktober 1820 wordt een beschrijving van ‘de groote katoenspinnerij, gevestigd te New Lanark, onder het bestuur van den Heer r. owen’ gepubliceerd.
Als Owen later ook plannen voor landbouwexperimenten ontwikkelt, wordt de permanente commissie een stuk kritischer. Owens ‘plan for relieving public distress’ wordt door de koning aan de pc gestuurd met verzoek om een reactie, 17 mei 1823, archief 65, en als die reactie, 12 mei 1824, archief 355, komt worden het ‘excentrieke denkbeelden’ genoemd. Met de slotzin: ‘Weshalve dan ook de P.K. van oordeel is, de aandacht Zijner Majesteit met deze en met andere gevoegde stellingen, niet te mogen bezig houden; hebbende daarin overigens niets gevonden, dat haar voor het stelsel van kolonisatie kan dienstig zijn, daar de ondervinding hier reeds verscheide­ne proefstukken beslist heeft, welke in Engeland nog als bloote theoriën moeten worden aangemerkt.’

Over het bedelen door Metz zie het boek bladzij 157.

(bladzij 83) Tot de bezoekers die verslag doen hoort ook Nut en Beschaving in de Staatscourant van 13 december 1818: ‘(...) eene mondelingsche getuigenis van eenen zeer geloof waardigen persoon, onlangs van Drenthe terug gekomen, de volkomene tevre­denheid der kolonisten bevestigt.’

Het boekje Ontwerp om de maatschappij van weldadigheid op de provincie Noord-Braband toepasselijk te maken wordt aangekondigd in de Staatscourant van 2 januari 1819.

De subcommissie Oud-Beijerland rapporteert over hun avondje collecteren in de Staatscourant van 16 januari 1819. De subcommissie bestaat volgens dat artikel uit: Adri­aan van der Geer Az, presi­dent, de predikan­ten Samuel la Lau en Adam Philip Winold Noordink, benevens den ontvanger der regis­tratie, mr. Cornelis Petrus Wierts van Coe­hoorn, secretaris en penningmeester.

Zijne vrouw houd veel van een glaasje Schiedammer, bladzij 83

Over het niet functioneren van de Amsterdamse subcommissie wordt regelmatig gecorrespondeerd. ‘Jeroom doet zijn best,’ schrijft Ameshoff, doelend op de voorzitter Jeronimus van Meurs, maar er is volgens hem veel tegenwerking. Op een gegeven moment, mei 1819, archief 51, komt de afdeling van financiën (de Amsterdammers Ameshoff, Nieuwenhuis en Mendes de Leon) zelfs met een plan om de commissie over te nemen, maar dat wordt niet doorgezet..

Petrus Ameshoff schrijft over de bij hem aankloppende belangstellenden voor de proefkolonie vanaf 4 september, zijn verontwaardiging over de term ‘bedelrekwesten’ is van 30 september en zijn wanhoop omdat er maar geen uitsluitsel komt van 27 oktober. Terwijl Ameshoff als kassier erg veel nuttigs voor de Maatschappij doet, zal iedereen die via hem naar de kolonie gezonden wordt daar faliekant mislukken. Zie bijvoorbeeld boek bladzij 334, de door hem voorgedragen huisverzorger die een ingedeeld meisje mishandelt..Gegevens over Hendrik Rigagneu komen uit het gemeentearchief Amsterdam.

(bladzij 85) Petrus Ameshoff waarschuwt al op 10 september voor ‘de AalmoezeniersWeeshuissche Regenten’ die tegenwoordig tegen het besteden buiten de stad zijn. Zie ook boek bladzij 301.
Zie over het Aalmoezeniersweeshuis en de aantallen Amsterdamse vondelingen en wezen ook boek bladzij 159 en de noot daarbij.

Het bericht over het vertrek van de twee Haagse wezen staat in de 's Gravenhaagsche Cou­rant van 4 december, overgenomen in de Staatscourant van 5 december en vermeldt als namen van de twee met Rigagneau meegekomen wezen Jan Janssen en Elizabeth Margaretha Leefman. Als Rigagneau straks van de kolonie wordt weggestuurd, mogen zij blijven.

Benjamin schrijft voor het eerst over Rigagneaus conditie op 28 december, daarna regelmatig, en over de drankzucht van de met hem meegekomen vrouw op 10 januari 1819, archief 50. Het logement, dat al snel Logement Frederiksoord ging heten en nu bestaat als Hotel Frederiksoord, wordt in brieven van kolonisten vaak aangeduid als ‘de verbodene herberg’. Bijvoorbeeld later, 7 november 1822, archief 63, zal kolonist Matthijs Muller als ‘suppliant’, indiener van een verzoekschrift, beschrijven hoe de onderdirecteur hem zijn zilveren medaille af kwam nemen. ‘Zoo vraagde suppliant naar de rede, welk was dat hij in een verboden herberg was geweest.’

Het stuk van den Godsdienst, bladzij 86

De zin ‘Ten aanzien van het zedelijk onderwijs...’ enzovoort komt uit de officiële bekendmaking van het bestaan van de Maatschappiju na de koninklijke goedkeuring in de Staatscourant van 16 maart 1818, inclusief de cursivering.

(bladzij 87) Het katholieke lid van de commissie van weldadigheid is Joannes Matthias Schrant, priester en letterkundige, die overigens weinig zijn gezicht laat zien omdat hij hoogleraar in Gent is.
De remonstrant is Paulus van Hemert, het joodse lid Mendes de Leon. In de notulen van de eerste vergadering van de commissie van weldadigheid op 22 juni 1818, archief 16, staat: ‘Op de propositie om tot het 12e lid der Kommissie van Weldadigheid iemand uit de israëlitische gemeente te verkiezen zijn daar­toe voorge­steld
de Heer    de Texaira
        Jak. Mendes de Leon jr.
beide wonende te Amsterdam, om daaruit eenen in 't vervolg te nomi­neren.’
Een maand later wordt Mendes de Leon genoemd als lid van de commissie van weldadigheid en van de afdeling van financiën.

De brief vanuit Utrecht is gedateerd 12 september 1818 en is ondertekend met ‘De President Burgemeester der stad Utrecht J. van Doelen’. Hij schrijft over zichzelf: ‘Ik bemin de ware verlichting met geheel mijn hart’ en hij heeft niet iets tegen alle katholieken, maar ‘zederd de dood van onzen ver­dienstelijken burgemees­ter VSteenhardt, en van den voor­maligen wethouder Vbaerle’ zijn er volgens hem geen betrouwbare Utrechters meer onder hen.

(bladzij 88) Over het wantrouwen vanuit de geestelijkheid: Er schijnt bij de oprichting van de Maatschappij al een rel geweest te zijn over het niet noemen van de godsdienstige opvoeding. Dokter Nieuwenhuis refereert daaraan als hij op 9 oktober 1818 de concept-voorschriften voor de proefkolonie bespreekt. Naar aanleiding van de door hem onderstreepte passage ‘hunne kinderen te doen onderrig­ten (in de godsdienst) overeen­komstig de voorschiften die deswegens door de Maat­schappij zullen worden gemaakt’ waarschuwt hij: ‘Hierop vrees ik zullen de hee­ren geestelijken van alle gezind­heden wederom aanmerkingen zoeken en vin­den; men herin­nere zich art. 4 en 11 van het eerste reglement. Zoude het niet best zijn dit geheele artikel weg te laten.’ En een dag later stelt commissielid Schrant voor maatregelen te nemen ‘wil men niet andermaal het hoofd stoten’.
Blijkbaar is er vóór het reglement van de Maatschappij van Weldadigheid zoals we dat kennen en zoals dat op deze site staat, een ander reglement geweest dat na protesten in allerijl herschreven is.

De Maatschappij begint zich voor het eerst, niet voor het laatst, te verdedigen tegen kritiek (door Johannes meestal ‘laster’ of ‘ongerijmd voorwendsel’ genoemd) uit religieuze hoek in het eerste jaarverslag, afgedrukt in de Star 1819 augustus. Daaruit komen ook deze citaten. De Star begint al vanaf het eerste nummer, het januari-nummer 1819 regelmatig te melden hoe trouw de kolonisten naar de kerk gaan. In dat nummer wordt op pagina 88 ook melding gemaakt van de brief van Klaas Visser en doet de dominee van Vledder, R. de Kemper, verslag van zijn werk onder kolonisten. Voor meer informatie over Klaas Visser zie zijn persoonsfile.

Het positieve verhaal over de katholieke kerkgang in Steenwijk komt van de bezoeker C.K.Eilander, gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 30 januari 1819, overgenomen in de Staatscourant van 5 februari. Het negatieve verhaal komt uit de brief van de familie Burks, hiervoor al genoemd bij Daar leyt het begraven bij de grote kerk en verderop bij Was wij daar niet wij kwamen daar niet.

Zelfs de Israëlieten werken op het land, bladzij 89

Over de speciale status van Nut en Beschaving melden de notulen van de pc van 15 juli 1818:
‘- Op een missive van de heer S.J. (?) Boas, als hoofd van de subkie van de Vereeniging Tot Nut en Beschaving te Amsterdam, wel­ke meer dan 500 leden aan de Maatschappij geleverd heeft, en die tot het benoemen van een afzonderlijke subkommissie is geregtigt, waarvan op zijn tijd aan Burgem- der stad Amsterdam is kennisgegeven, is besloten:
a) dat de Subkommissie aldaar, onder den titel Tot Nut en Beschaving zal worden er­kend,
b) dat de benoeming der 10 leden van der­zelve, hoezeer anders niet volgens de wet ingerigt, uit hoofde der bijzondere ... (?) van al deze leden wordt goedgekeurd,
c) dat aan de subkie de gewone stukken, gelijk aan alle Stede­lijke subkomissies zullen gezonden worden.’
De aanname van de joden als gewone burgers was op 2 september 1796 tot stand gekomen. Het citaat hierbij komt uit de mond van Rutger Jan Schimmelpenninck, geciteerd in Th. de Vries, Rutger Jan Schimmelpenninck, Nijmegen 1979, pagina 105.

Het ‘Reglement voor het rituele, te betrachten door de Israelieti­sche kolo­nisten’ is een dik stuk, gedateerd 27 september 1818, archief 6. Het is opgemaakt door M. Lemans, W. Binger en A van Offen en ‘Bekrachtigd ter vergadering der subkommis­sie voornoemd, was getekend / D.S. Boas President.’

Informatie uit de computer op het Joods Historisch Museum in Amsterdam: 'in 1809 woonden in Steenwijk 78 joden. De eerste berichten over een synagoge dateren uit 1813 als de gemeente een pand voor dat doel koopt in de Gasthuisstraat.'
Overigens voor mensen die er op door zouden willen gaan: er schijnt op het archief in Zwolle ook nog materiaal van de Steenwijkse joodse gemeenschap in die tijd te zijn.

Over het joodse feest schrijft Benjamin verder dat het ‘tegen het begin van maart’ is, 15 februari 1819. Hij moet de vraag om verlof 25 februari nog een keer herhalen, voor de pc in haar notulen van 2 maart meldt: ‘Besloten te schrijven, dat de P.K. den joodschen huisvader alleen, en niet aan het geheele gezin de permissie geeft om naar Amsterdam te gaan - ter vermijding van grote onkosten.’ Overigens zal dat bij Hoofien toch al de bedoeling geweest zijn, want zijn vrouw was hoogzwanger, zie verderop.
Op 11 maart vertrekken ze en Benjamin verwacht ze op de 17de al weer terug. Nut en Beschaving schrijft over dat bezoek en met name over hun gepaste uitingen van dankbaarheid in de Staatscourant van 24 maart 1819. Cohen en Hoofien hadden ‘de ondubbelzin­nigste bewijzen van hooge tevredenheid over hun lot en dat hunner welvarende gezinnen’ geleverd.

Over het werken van de joodse kolonisten schrijf Johannes van den Bosch in de Star 1819 pagina 34 en op pagina 36 voegt hij toe: ‘Zelfs de Israëlieten, wien men anders de minste geschiktheid voor de veldarbeid toekent, hebben, in dien tijd, het graven en spitten zoo wel geleerd, dat zij in éénen dag 1 ½ gewoon dagwerk verrigten kunnen.’ Daar bij gevoegd is een noot over het betalen in stukloon: ‘(...) en dit spoort de Israëlieten aan om, inzonderheid ‘s vrijdags, meer dan een gewoon dagwerk te verrigten.’

Vledder, geboorteakte, 4 april 1819, aktenr. 4
Kind: Jesais Jacob Frederiks Hoosien, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 03-04-1819, zoon van Jacob David Hoosien, beroep: arbeider; oud: 43 jaren, en Judikje Jesaaijes, oud: 37 jaren.

Ongelooflijke kwantiteit eten, bladzij 91

Benjamin begint voor het eerst over de hoeveelheid voedsel die de kolonisten consumeren op 16 december 1818. Daarna komt hij er om de paar weken op terug. Ook alle andere citaten in dit stukje komen uit zijn brieven van deze maand. Dokter Schuurman doet een ‘medisch’ verslag over de proefkolonie in de Star van mei 1819. Zijn diagnoses en ziektebeschrijvingen heb ik aan artsen voorgelegd, maar uit sommige stukken konden zij echt niets zinnigs distilleeren, althans niets wat zich liet vertalen of begrijpen in termen van de hedendaagse geneeskunde.

Koepokken, bladzij 92

Schuurmans uitlatingen zijn uit De Star van mei 1819, over het uitsluiten van niet-gevaccineerder armen van steun in Utrecht wordt geschreven in P.D. ‘t Hart, Berustten de armen in Nederland omstreeks 1800 eerbiedig in hun lot? Nog een berichtje in de kranten later dit jaar: In Arnhem besmetten ‘med. doct. F.W. Everts en de heelmeester H.T. Sagels’ hun eigen kinderen, Staatscourant 7 mei 1819.
Terwijl het verzet tegen de koepokinenting onder de armen geleidelijk afneemt, zal het tegenstand vooral in streng-christelijke hoek gevonden gaan worden. Met name de jeugdige volgelingen van Willem Bilderdijk (het Reveil dat ook achterin het boek, bladzij 335 ev ter sprake komt) zullen zich weren. De pokken zijn door God gezonden en het is niet aan de mens daar iets tegen te willen doen.

De glazen van een inwoonder van Vledder ingeslagen, bladzij 95

Benjamin maakt diezelfde 14de december melding van deze gebeurtenissen. Wat die kwalijke bejegening van zijn leerlingen door de spinbaas inoudt en in welk huisgezin de tweespalt is ontstaan, heb ik niet kunen achterhalen. Deze eerste spinbaas heet David Wijsman, een enkele keer geschreven Weisman. Omdat hij al snel ontslagen wordt en vertrekt zijn er weinig gegevens over hem. Scherenberg die hem 5 november op de boot zet schrijft aan de pc dat hij 39 is, een vrouw van dezelfde leeftijd heeft en drie kinderen, waarvan het oudste meisje van 7 bij haar grootmoeder in Leiden blijft en de kleintjes van 4 en 1 ½ meekomen naar de kolonie.

De Vledderse jongeman is volgens Benjamin ‘een zoon van Hulst, die ‑ zo als ik vroeger melde ‑ getracht heeft de reputatie der kolonie ver­dacht te maken.’
De brief van Leiden zou van 22 december 1818 zijn en wordt geciteerd in de rode boeken van Kloosterhuis.

Vanaf dit moment klaagt Benjamin van den Bosch regelmatig over het vele administratieve werk dat hij voor de spinnerij moet doen. Dat zijn werkzaamheden zich ‘voornamentlijk’ daartoe beperken, schrijft hij in een teugblik op de maand op 28 december 1818.

Rondlopen om het Tholer papier te plaatsen, bladzij 99

Ameshoff meldt zijn kopieerkosten op 12 december 1818, archief 48.

In de kolonieboeken blijft de kolonist consequent Gerrits genoemd worden, maar in het bevolkingsregister wordt het geleidelijk Timmerman. Bijvoorbeeld als zijn dochter in 1842 trouwt op de kolonie Veenhuizen, gemeente Norg, akte 12: ‘Bruid Roelofjen Timmerman, geboortedatum: 09-01-1817, geboorteplaats: Kampen, dochter van Hendrik Timmerman en Femmegien Hendriks.’ En bij zijn overlijden in diezelfde gemeente in 1853, akte 43, is het inclusief patroniem: ‘Overledene: Hendrik Gerrits Timmerman, geboren te IJsselmuiden op 22-04-1758; beroep: zonder; overleden te Veenhuizen (Norg) op 13-03-1853, voorm. woonpl. Frederiksoord.’
Overigens heb ik mij er bij neergelegd en staat zijn persoonsfile op deze site ook als Gerrits.

Subcommissies mogen in principe de door hen gemaakte kosten inhouden op de contributie-afdracht, maar de pc maant hen regelmatig daar zuinig mee te doen en prijst publiekelijk subcommissies die de kosten zelf voor hun rekening nemen. Eind oktober roept zij in de Staatscourant subcommissies op de correspondentie met de pc toch vooral ‘op dun papier’ te doen ter besparing van portikosten.

Op 16 september gaat er een circulaire uit aan de gouverneur generaals om de subcommissies achter de broek te zitten, op 12 oktober worden ze in de Staatscourant aangemaand.

De constructie met de wissels wordt door Ameshoff beschreven in diverse brieven, bijvoorbeeld dd 7 oktober 1818 als hij zijn beklag doet dat Nieuwenhuis en Mendes de Leon geen blanco wissels willen tekenen, wat hem de moeite zou besparen om ze steeds weer op te moeten zoeken voor een handtekening.

De naam van die man uit Hoorn die er met de kas vandoor zou zijn is steeds moeilijk te lezen. Het lijkt het meest op Velius Baert. Ameshoff schrijft erover op 18 augustus 1821 (dat hij door de Hannoverse regering is uitgeleverd), op 21 november 1821 (‘De getuigen tegen Velius Baert wil men tegen 7 decbr aanstaande zullen opgeroepen worden.’). Met de subcommissie Hoorn ruziet de pc over de vraag hoeveel geld ze nog af te dragen hebben. Bijvoorbeeld op 18 september 1821, archief 59, protesteert Hoorn dat de pc een lijst heeft gepubliceerd volgens welke Hoorn nog een dikke 2300 gulden moet betalen. De pc doet het 25 september 1821, archief 352,  af met de woorden:’Wat de questie over den post van het dienstjaar 1819-1820 betreft, deze zal door den regter moeten worden gedecideerd; wij zullen dus daar­over niet verder uitweiden.’
De preciese afloop is mij niet bekend, alleen schrijft Ameshoff nog op 17 oktober 1823, archief 67: ‘Men zegt dat de subk. te Hoorn gede­charcheerd is van het uitstellen der pretentie door Baart zoek gemaakt.’

(bladzij 101) Het irriteert Ockerse onder meer dat Ameshoff in zijn brieven steeds herhaalt wat Ockerse hem geschreven heeft, met toevoeging van kritisch commentaar: ‘Dat de afdeeling van financie eerlang kredieten op den Haag en Delft zal hebben, het geen ons niet aangaat voor en aleer het­zelve zal aangewezen zijn.’
In het brievenboek staan regelmatig kregelige opmerkingen van Ockerse over de binnengekomen post van Ameshoff. Bijvoorbeeld 10 december 1818: ‘Kassier Ameshoff. Haspelt over de manda­ten no. 56,63,66. Respons: Wederlegd.’

Angstig ging ik savonds te vooren te bed, bladzij 101

Ameshoff spuit zijn kritische kanttekeningen vooral schriftelijk. Als de diverse notulen van de jaarlijkse vergadering van de commissie van weldadigheid kloppen - maar dat weet ik niet - dan roert hij zich daar een stuk minder.

De terugblik van Ameshoff op die vergadering in 1818 is in het gemeente-archief Helmond gevonden door A.J.Hanou en door hem beschreven in Tussen Voltaire en Verlosser. De zielsbenau­wenis van Petrus Ameshoff in: Documentatieblad achttiende eeuw XVIII nr. 1, 1986, 109-115. In dit artikel staat dat Ameshoffs brief ongedateerd is, maar tussen de stukken van 1835 lag.
Als mijn vermoede klopt dat het hier de vergadering van 22 juni 1818 betreft - en dat is hoogstwaarschijnlijk; van de oprichters kende Ameshoff alleen Kinker en die was er toen al niet meer bij - dan is de kwestie waar hij op doelt het daar ter tafel liggende voorstel om het landgoed Witten aan te kopen (zie boek bladzij 24-26).
Overigens constateert Hanou in dat artikel naar aanleiding van andere brieven ook iets waar ik van harte mee in kan stemmen: ‘(...) want een kletskous - dat was Ameshoff wel een beetje’.

Bij de beschrijving van Ameshoff komt een ‘deftig en bemiddeld geslacht’ uit het levensbericht uit ongeveer 1842 door M. Siegenbeek over zijn broer Ludovicus Hamerster Ameshoff, alle andere informatie uit diverse brieven van hem aan de pc. Hij had in het begin blijkbaar de behoefte zichzelf voor te stellen.

Ameshoff beheert ook het vermogen van Johannes Kinker: A.J. Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voor­vechter van Verlichting, in de vrijmetse­larij en ander Neder­landse genootschappen 1790 - 1845, Deventer 1988, blz. 468-472. Daar wordt Ameshoff ook ‘een vriend van Kinker’ genoemd. Ze houden hun hele leven contact en later wordt Ameshoff executeur na Kinkers dood in 1845.

Een voorbeeld van een mandaat zal op de site komen.

(bladzij 102) Benjamin begint vanaf 16 december 1818 om mandaten te vragen. Eerst nog wat schuchter, geleidelijk zal hij steeds dringender worden.

Dat alle deugniets zijn, bladzij 103

Ook de notulen van deze confrontatie tussen de subcommissie Steenwijk en de Dikkebooms zit in archief 2340 (zie de noot bij Op voorwaarde van proefneming, bladzij 67 van het boek).

Niet zeer gaarne ter school, bladzij 105

Op 25 december schrijft Benjamin nog over de aannemer: ‘Dheer Oosterlo maakt met het aangegane werk weinig voortgang, het school zal niet dan bij het einde van 't jaar geheel gereed zijn; ook zal er eene haggel moeten gehuurd of gekocht worden.’ We hebben niet kunnen vinden wat een ‘haggel’ is. Maar een paar dagen later meldt hij al dat Van Wolda in het grote gebouw les geeft. Benjamins eerste melding van de goede resultaten is al van 10 januari 1819.

Op 6 december vraagt Benjamin of hij kolonisten verlof mag geven, op 11 december herhaalt hij dat verzoek omwille van ‘die geene der kolonisten welke de kerstdagen gaarne bij hunne famille zouden wenschen door te brengen’ en daarop keurt de permanente commissie het goed.

Nauwelijks vermoeden men steeds dezelfde groenten eet, bladzij 106

Over de uien wordt geschreven in diverse brieven van Benjamin in deze periode, en ook nog in januari 1819.
Het officiële menu staat in de reglementaire beginselen. Dat hij nog maar acht dagen vooruit kan, schrijft Benjamin van den Bosch op 25 december 1818, dat hij op dat moment 50 gulden in kas heeft blijkt uit een brief aan broer Johannes dd 17 januari 1819.

Was wij daar niet, wij kwamen daar niet, bladzij 108

De brief van Burks aan ‘Francies Blondel op de Kreukelmarkt te Goes’ is gedateerd 11 december 1818. Zij laat diverse mensen groeten, met als laatste de moeder van de bij hun ingedeelde jongeman die ze blijkbaar ook kent: ‘Vooral de groetenis aan Lambertus Burk met zijn huisge­nooten en verders aan alle goede kennissen en al die na ons vragen. Vooral de groetenis aan broer Frans en mijn zuster Mietje en verders aan alle mijn zus­ters en mijn kleine broer en verders de groe­tenis aan Janna de Boer van ons en van haar zoon als dat wij allemaal wel zijn.’
De brief aan de subcommissie is gedateerd 15 december 1818 en gericht aan ‘Mijn Heer De Kanter.’ Goes stuurt de brieven door op 27 december.

Al zingende het Wilhelmus van Nassouwen, bladzij 110

De pc bespreekt de brieven van Burks blijkens haar notulen op 30 december, het concept-antwoord van Johannes is in archief 352, Benjamin evalueert de eerste twee maanden met de kolonisten op 28 december.
Benjamin had al op 14 december gevraagd ‘een kleine partij’ te mogen geven, de permanente commissie keurt het goed in haar notulen van vrijdag 18 december.
Dat Johannes van den Bosch flessen arak stuurt, blijkt uit een brief van Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie dd 3 januari 1821, archief 56: ‘In no.1 en 2 hebben zij voor ieder huisgezin 2 flessen pons met witte brood bekomen. Zijnde daartoe 40 flessen arrak gebruikt. Het restant van 100, voor ruim 2 jaren door den 2 assessor uit Amsterdam gezonden.’
Benjamin doet verslag van het nieuwjaarsfeest in een brief op 6 januari 1819, wat door Ockerse wordt verfraaid tot een artikeltje in de Star 1819, pagina 93-94.

Terug naar boven








NOTEN HOOFDSTUK 04

Bedriegerijen van subkommissies, bladzij 115

Over Houtmans ongeluk bericht Benjamin op 31 december 1818, archief 49. Ik heb geen idee wat met ‘de schouder uit elkander gevallen’ bedoeld wordt. Het zal ernstiger zijn dan een arm uit de kom, want op 17 januari schrijft Benjamin: ‘Doctor Schuurman vreesde dat Houtman misschien het gebruik van den arm zou verliezen, dat zou eene fatale historie zijn.’

Theodorus Drossens of Dressels was ingedeeld bij de weduwe Vergeer en zijn (weinige) gegevens staan in dat persoonsfile. Volgens haar notulen heeft de pc op 2 januari gehoord van de gebeurtenissen in Den Haag en besluit ze tot de advertentie die op 7 januari in de Staatscourant verschijnt. Dan meldt zich op 20 januari Utrecht. Benjamin schrijft over de ontvangst die hij Drossens bereidt op 10 januari, op 13 januari besluit de pc dat hij de kolonie moet verlaten en op 17 januari meldt Benjamin dat uit te zullen voeren. Later geeft de pc de subcommissie Utrecht bericht van ‘de verbanning dezes bedriegers uit de kolonie’. Ik betwijfel of Drossens echt te kwader trouw was, ik heb eerder de indruk dat hij een beetje chaotisch was - zijn reisroute was dat in ieder geval.

Met ondankbaarheid beloond, bladzij 117

De brief aan de subcommissie Goes had Johannes op oudjaarsdag geschreven, archief 352. Benjamin reageert diezelfde - ‘Heden morgen heb ik ook ontvangen de brieven, J. Burks regar­deerende’-  6de januari dat hij er van hoort. Volgens de reglementaire beginselen zouden er ook onderofficieren in de raad van opzieners moeten zitten, maar blijkbaar heeft Benjamin daar van af gezien.

Met dat gevolg dat de vrouw als een blad beefde, bladzij 118

Benjamin doet op 9 januari verslag: ‘Ik haast mij de Permanente Kommissie te berigten dat Jan Burks en deszelfs vrouw, gisteravond, ingevolge de intentie der Kom­missie, eerst elk afzonderlijk en daarna te zamen voor den raad van toeverzigt hebben gecompareerd.’ Er is geen proces-verbaal van deze allereerste zitting, deze paragraaf is helemaal gebaseerd op deze brief van Benjamin. Van veel latere tuchtzittingen zijn wel processen-verbaal, wat vaak heel boeiende literatuur oplevert. Het loopt tot 1849, de meeste bevinden zich in archief 1613 - 1625, af en toe zit er een tussen de ingekomen post.

Welzeker jongen, ook de melk erbij, bladzij 120

Over de submissie van de Burksen schrijft Benjamin op zondag 10 januari - volgens genealogen wordt de in België geboren Burks die dag 51 jaar, zie voor verdere gegevens zijn persoonsfile. Dit is ook de dag dat de familie Dikkeboom onder militair escorte naar de kerk gaat. Over de kwestie Arends schrijft hij 14 januari, als hij bericht van de pc gehad heeft, en 16 januari: ‘Ingevolge missive der Permanente Kommis­sie van den 11 dezer heb ik Pieter Arends ondervraagd over de door hem ten aanzien der kolonie, verspreide geruchten.’ Een handicap voor Benjamin is dat hij niet beschikt over de brief die Arends geschreven heeft. De pc heeft hem alleen een kopie gestuurd van de brief van de regionale subcommissie Hoorn waarin die melding maakt van ‘nadeelige berichten’ door Arends. Als Pieter Arends zegt dat iets niet in de brief staat, kan Benjamin niets meer. Zie voor Arends verdere carrière zijn persoonsfile.

Het zal minder aan het oog voldoen, bladzij 122

Sommige van de brieven van Benjamin aan zijn broer zijn bij de ingekomen post terechtgekomen, maar die correspondentie is incompleet. Blijkbaar zit Benjamin halve zondagen te schrijven, want zowel op zondag 10 als zondag 17 schrijft hij uitgebreid én aan de pc én aan Johannes (uit de brieven valt af te leiden dat hij dat ook in deze volgorde doet).

De kolonist die iets van de inhouding terugkrijgt ‘wegens dringende huishoudelijke omstandigheden’ is Dirk Klaasjen de Vries uit Leeuwarden, de naam van de andere valt niet te lezen.
Ingewanden van vis worden door Ameshoff ‘visgrom’ genoemd.

Een uitgebreide beschrijving van de toestanden in najaar 1818 om aan de Vledderse kant van de proefkolonie een rechte lijn te krijgen, met spoedvergaderingen en oproepen van deelgenoten in de marke, staat bij Kl­oosterhuis pagina 95. De Vleddenaren gingen er tenslotte mee accoord omdat ze hoopten op koninklijke subsidie voor de restauratie van hun bouwvallige kerk, zie boek bladzij 199.

Weender zal spoedig de grote reis aannemen, bladzij 123

Geboortedatum en -plaats van Weender komen van de site van  Tom Bais
.
Volgens de rode boeken van Kloosterhuis zouden er nog twee dochters zijn die in Zaandam waren achtergebleven, maar we hebben niets gevonden dat dat kan bevestigen. Dokter Schuurman schrijft over Weenders ziekte en over slechts twee sterfgevallen in de Star 1819, pagina 260. Op 23 januari schrijft Benjamin: ‘Ook moet ik aan de Kommissie berigten dat Weender den 20ste overleden, en op heden te Vledder begraven is’ en daarna begint hij over de kledingstukken.

Zij hebben dit hun lot verdiend, bladzij 125

Ook van deze tuchtzitting is geen proces-verbaal, alleen een brief van Benjamin die ook 20 januari gedateerd is. Overigens is er in de twee brieven van Benjamin over de twee zittingen niets wat er op wijst dat zijn mede-rechters Bult en Visser ook iets gezegd hebben. Benjamin voert alleen zichzelf sprekend op.
De brief van de subcommissie Steenwijk van 19 januari bevindt zich net als de notulen van hun vergaderingen in archief 3450. Concreet willen ze de Dikkebooms opsluiten in het bedelaarsgesticht te Hoorn. Of dat doorgegaan is, is mij onbekend. Ik heb de Dikkebooms verder nergens terug kunnen vinden. Wel hun kinderen: de oudste dochter wordt genoemd op een site waar zij - zie 'generatie IX'- als Catrina Hendrik Dikkerboom de echtgenote is van een kleermaker en de moeder van een dochter die in 1858 trouwt, bij welke trouwactie de ‘moeder der bruid verklaard heeft haren naam niet te kunnen teekenen, als zulks in het geheel niet geleerd hebbende'. De twee jongere kinderen komen in 1821 terug op de kolonie... als ingedeelden bij een Steenwijks gezin. Hun ouders waren dus of toen al overleden of hun kinderen ontnomen.
Zie voor de (weinige) gegevens van de Dikkebooms hun persoonsfile.

Het achtkantig huisje, bladzij 126

Benjamins mening dat Schweitzer ‘geen der minste dienst verrigt’ en veel te veel potloden verslijt, dateert al van december 1818. Verder wordt hier zijn brief van 20 januari 1819 geciteerd. Johannes van den Bosch schrijft over het achtkantig huisje en de nieuwe bouworde in de Star 1819, bladzijde 48. Die architect heet G. Tappe en het plan was naar de Maatschappij toegestuurd door ‘den Heer smachau­sen van Borchette (bij Aken)’. Voor de beschrijving van het huisje is Johannes’ stuk aangevuld met de waarnemingen van een bezoeker, die worden weergegeven in het jaarboek 1818 van Stuart, pagina 248.
De nasleep voor Schweitzer speelt in april 1820. De 16de schrijft een luitenant-kolonel Wenkebach, die wel erg veel Duits door zijn Nederlands doet, en die blijkbaar het strenge gesprek is aangegaan op verzoek van de pc, want hij schrijft dat hij met Schweitzer gesproken heeft ‘Nae ontvangst van UHoogEdelgestrenge missive van den 13e deezer no. 33/4'.
Het roemloze einde van het achtkantig huisje wordt vermeld in de Star van september 1819 in het jaarverslag van de afdeling van correspondentie op pagina 748, waar het trouwens - voor het eerst - het ‘ronde huisje’ genoemd wordt..

Een vent met een jas aan, bladzij 128

Sarus - soms als Saris geschreven - van Rhee wordt voorgedragen door de subcommissie Wijk bij Duurstede op 6 oktober 1818, archief 49, de vergelijking met een andere kolonist die een jas aanheeft maakt Johannes van den Bosch op 15 juni 1820, archief 55, bij een opsomming van net op Willemsoord aangekomen kolonisten: ‘De tweede is een Dordsche snijder die staan­de houd gezon­den te zijn om zijn am­bacht uit te oefenen en die een half uur ge­spit hebben­de verklaarde ziek te zijn en naar huis gaat. Een vent met een jas aan juist als van Rhee en even zo lui.’ Een week later, op 21 juni 1820, maakt hij opnieuw een vergelijking, waarschijnlijk met betrekking tot dezelfde kolonist: ‘Van de miserable Schotman hoop ik ontsla­gen te raken. Deze is de enige in de kolonie daar geen land mede te bezeilen is. De vent is altijd ziek als er gewerkt moet worden, een tweede van Rhee.’

Benjamin schrijft niet bij welke kolonisten gereedschappen of huisraad misten en wie er beboet zijn, maar na de volgende inspectie, op 12 juni, schrijft hij ‘Bosch, De Vos, ik meen ook Breukel waren onder getal der geener die reeds eenmaal hunne goederen verpand hebben.’

Geen dispositie voor de veldarbeid, bladzij 130

Johannes schrijft over beroepsdiversificatie in de Star 1819 van januari, alle uitlatingen van Benjamin komen uit brieven van hem tussen half januari en half februari.Voor Baade zie zijn persoonsfile. De bij hem ingedeelde jongeman heet Dirk Wiemes die verderop in het boek terug komt als bruidegom in het eerste kolonie-huwelijk.

Ten einde niet beschimmeld aantekomen, bladzij 132

De pc besluit in haar vergadering van 1 februari om spinbaas Wijsman te ontbieden om hem ontslag aan te zeggen, op 10 februari zet Benjamin hem op de boot. Er is nu ook een persoonsfile van Wijsman.
Op 3 maart vraagt Benjamin toestemming om een landarbeider uit de buurt in te huren.
In de Star van februari staat bij de kolonieberichten een lijstje met de spinverdiensten van een aantal gezinnen van 7 tot 14 februari. Naast de Van der Heijdes blijkt ook het gezin van weduwe Vergeer goed op het spinnewiel uit de voeten te kunnen: 10 gulden en 5 cent. Ook niet zo verwonderlijk want zij en haar gezinsgenoten hadden volgens de subcommissie Gouda als beroepen uitgeoefend ‘vlasheekelster’, ‘baanspinder’ en ‘baandraaister’, allemaal laaggekwalificeerde beroepen uit de textielsector. Van de te nat afgeleverde garens is sprake in de notulen van de pc van 20 maart 1819.

Menigvuldige bezigheden, bladzij 133

Alles komt uit diverse brieven van Benjamin tussen half januari en half februari. Als straks zijn broer op bezoek komt, zal Benjamin waarschijnlijk zijn nood geklaagd hebben over de ongewenste bezoekers want zodra Johannes daarna weer in Den Haag is verschijnt er in de Staatscourant, 7 april 1819, een berichtje met daarin ‘De Permanente Commissie van Weldadig­heid acht het noodig, alle schouten en leden der plaatselijke besturen, vooral ten platten landen, op het dringend­ste te verzoeken, om voortaan geene personen of huisgezinnen, eigener gezag, en zonder hare voorkennis en consent, naar de kolonie van Frederiks-oord op te zenden (...)’
De zoetgevooisde brief aan Ameshoff is van 29 januari 1819 en bevindt zich in archief 960. Benjamin stelt de genoemde vragen, en nog veel meer, in een brief van 15 februari aan zijn ‘waarde broeder’, in welke brief tevens duidelijk wordt dat ook Stephanus van Royen met smart op de Star zit te wachten: ‘Dheer van Roijen had meede zeer na het nieuwe werkje verlangd, en er in tijd de opga­ven of bestel­ling van, voor de subcommis­sie, aan den gouverneur te Assen, waar men woedend tegen de kolonie is ‑ gedaan: zon­der tot dus verre hier aan voldaan te zien.’

De proefondervindelijk bewezene uitvoerbaarheid, bladzij 136

De meeste informatie over Ockerse komt uit J.Stouten, Willem Anthonie Ockerse (1760-1820) leven en werk, Amster­dam 1982, met enige aanvullingen.

Over Ockerse’s ziekte: Toen André Huitenga en ik in ‘94-’95 onderzoek deden in de archieven, troffen we veel schrijfwerk van Ockerse met onbestemde vlekken. We hebben toen zelfs nog bij een arts geïnformeerd of er kans bestond dat de mycobacterium tuberculosis na 180 jaar nog gevaar opleverde, maar dat bleek gelukkig niet het geval.

Het citaat over de ‘waakzaamheid over zich zelven’ komt uit een biografie van Tydeman & Clarisse, geciteerd door Stouten, pag. 9/10.
Dat Johannes van den Bosch een ‘dagblad’ over de kolonie wilde uitgeven, staat in zijn verhandeling en wordt ook vermeld in Kloosterhuis pagina 40. Overigens verscheen een dagblad in die tijd niet per se elke dag, meestal drie of vier keer per week.
De aankondiging van de Star met daarin ‘diploma of lidmaatskaartje’ en de abonnementsprijzen staat in de Staatscourant van 9 december 1818. Overigens kost het blad voor contribuanten die in Amsterdam wonen en die daarmee de portikosten besparen slechts 50 cent per nummer. Op 1 januari 1819 staat in dezelfde krant de hartekreet van het Magazijn voor het Armenwezen, geplaatst door ‘D. Du Mortier en zoon’, en blijkens de ondertekening al op 28 november 1818 ingeleverd.

Dat de Star boven de 300 exemplaren winst oplevert staat beschreven in het blad zelf, jaargang 1819, pagina 653. Een voorbeeld van Ockerses gebruik daarvan tegen de buitenwereld staat op 14 januari 1823 in een concept-krantenartikel, archief 354: 'Het is waar, dat de tweede sekretaris der Maatschappij (de eerste is lid van de Kommissie zelve) die thans rustend predikant is, ƒ2,000.00 traktement geniet; maar, daar hij hiervoor mede belast is met de redaktie van het tijdschrift de Star, en de uitgave van dit werk eene aanmerkelijke zuivere winst oplevert, die zelfs in één der verlopene jaren ƒ3,300.00 bedragen heeft, kan ook dit trakte­ment noch te groot geacht, noch gerekend worden ten laste van het Maatschappelijk fonds te loopen.'
Dat winstbedrag moet wel op 1819 slaan omdat daarna het aantal abonnees alleen maar minder werd. De oplaag van 1200 exemplaren in 1819 wordt ook genoemd op pagina 653 en in het verslag van de afdeeling van korrespondentie op pagina 753. Alles Star 1819.

Naast de in het boek genoemden hierbij nog wat leesgezelschappen met een abonnement op de Star omdat ze van die mooie namen hebben: Tot nut en vermaak (Zalt-Boemel), Letteroefend Genootschap ter spreuke voerende: Liefde en orde (Amsterdam), Vriendenkring Oefening baart verlichting (Amsterdam), Leeslust (Steenwijk), Leest en Denkt (Monnikedam), Door Oefening en Beschaving (Medemblik), Het past Vriendschap, kennis te gaan kweeken (Amsterdam), Lust tot onderzoek (Bloemendaal), Nijverheid en Weldadigheid (Groningen), Tot Verlichting van het Verstand (Nijmegen), Ter bevordering van kunde en goede smaak (Arnhem),  Leeslust is de voedster der Wetenschappen (Leiden).

Het artikel over ‘de proefondervindelijk bewezen uitvoerbaarheid begint op pagina 18 van de Star 1819. Overigens lijkt het erop dat Johannes van den Bosch deze evaluatie nog korter na het begin van de kolonisatie geschreven heeft, in het artikel staat ‘na zes weken’.

Terug naar boven








NOTEN HOOFDSTUK 05

Eene snelle en aanzienlijke uitbreiding, bladzij 143

De eerste alinea citeert uit het hiervoor genoemde artikel, de citaten in de tweede alinea over ‘waarlijk dringende nood’ enzovoort komen uit de inleiding bij het concept-reglement van de Maatschappij dd 14 januari 1818. Die inleiding staat in overgetypte vorm ook op deze site.
De plannen voor de uitbreiding dit jaar en de uitdrukking op pagina 144 ‘een spoorslag’, komen uit een brief van de permanente commissie aan koning Willem I dd 23 maart 1819.
 
(pagina 144) De familie-overlevering van de boterham en Johannes van den Bosch komt uit Westendorp Boerma 1950, pagina 6, de volgens de Maatschappij nieuwe waarde van Westerbeeksloot staat in de Star 1819, pagina 692.
Negociaties worden voor het eerst ter berde gebracht in het hiervoor genoemde artikel van Johannes van den Bosch, Star pagina 75 en vanaf halverwege het jaar rapporteert de Star maandelijks over de voortgang.. Johannes’ schatting dat hij uiteindelijk 30 miljoen nodig zal hebben, staat in een uitgaande brief van hem aan Junius van Hemert van 1 mei 1819.
De verdere uitbreidingsplannen staan onder meer in deze brief en in een brief aan een onbekende, dd 9 april 1819, archief 960, en zijn volgens het brievenboek van 7 april 1819, een op die dag genomen beslissing. Volgens datzelfde brievenboek is dat ook de dag dat besloten wordt tot ‘een negociatie van ƒ 80.000 onder verband van Westerbeeksloot’.
De twee hiervoor genoemde brieven én een latere brief aan J.M.Kemper dd 4 mei 1819, archief 960, zijn voorbeelden van Johannes’ denken over de publieke opinie en de noodzaak om omwille daarvan haast te maken.

Nederlanders zijn soms een beetje dom, bladzij 145

Benjamin van den Bosch doet verslag van de werkzaamheden in de kolonie in diverse brieven aan de permanente commissie, Ockerse schrijft over de ‘vele gunstige voorbeduidselen’ in de Star 1819, pagina 194. De viering van de verjaardag van prins Frederik in Den Haag staat beschreven in de Staatscourant van 1 maart 1819. De viering in Frederiksoord in een brief van Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie dd 1 maart 1819, waarop Ockerse zich gebaseerd heeft voor een artikel in de Star van maart 1819, pagina 262-264. Ook de Amsterdamsche Courant, overgenomen in de Staatscourant van 9 maart 1819, doet er verslag van: ‘De geheele kolo­nie scheen in een tempel, aan de dankbaar­heid gewijd, herschapen te zijn.’
Informatie over prins Frederik komt uit F.de Bas, Prins Frederik der Nederlanden en zijn tijd, 4 delen in 6 banden, Schiedam, 1887‑1913. Het 4de deel, 1e stuk, gaat van pagina 125 tot 154 over de Maatschappij en prins Frederiks relatie ertoe en daar komt ook, pagina 133, het citaat over Johannes van den Bosch uit.
De andere citaten, over het wennen aan Nederland, komen uit C.A. Tamse (red), Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis, ­Alphen aan de Rijn 1979.

Kleine en wezentlijk zeer toepaslijke versjes, bladzij 148

Zie hiervoor de net genoemde drie gebruikte verslagen van het feest (Benjamin van den Bosch, Star, Amsterdamsche Courant).

Molenaar heeft het meest van zijn gronden getrokken, bladzij 149

Volgens de site van Parlement en politiek - http://www.parlement.com/9291000/biof/04257 - heeft Johannes van den Bosch de functie van stafchef van De Constant Villars bekleed van 1 april 1815 tot 1 januari 1819.
De eerste keer dat hij gebruik maakt van de monsterschuit is 18 maart. In het brievenboek noteert Ockerse: ‘Besluit der Perm. Kommissie. Om aan den Min. der Marine te verzoeken 't gebruik der monster­schuit, van Amsterdam op Blokzijl voor den Generaal, 's avonds van den 18 maart.’ Daarna komt dit regelmatig terug. Bijvoorbeeld notulen 30 januari 1820, archief 38: ‘Besloten aan den Min. van Marine te verzoe­ken het gebruik der monster­schuit of ander koninklijk vaartuig voor de overvoering van den Generaal J. van den Bosch, tegen den 4 february 's avonds van Amsterdam tot voor Blokzijl.'
De jaarevaluatie van Molenaar staat in een brief van Benjamin van 29 december 1819.

Elke voorgaande kolonie voor eene volgende doen arbeiden, bladzij 151

Benjamin meldt de aankomst van Bay, die hij meestal Joseph noemt, maar één keer Guillaume en één keer François, op 24 maart: ‘Het huisgezin van J. Baij is heden morgen in de kolonie aange­komen; en heeft behoorlijk kunnen gelogeerd worden.’ Het verzoek van de hertogin-douarière komt via ‘Heer ten Katendijke’ en wordt op 26 februari in brievenboek en notulen genoemd. Voluit heet zij Frederica Louise Wilhelmina, geboren 28 november 1770 in Den Haag, op 14 oktober 1790 in Den Haag getrouwd met Karel August hertog van Brunswijk-Wolfenbu­tel, die in 1806 overlijdt. Het huwelijk is kinderloos gebleven. .

De gedachte om elke voorgaande kolonie voor een volgende te doen arbeiden, meldt Johannes in De Star 1819, pagina 54. Het getal van 2100 roeden wordt later als vrij defnitief genoemd, bijvoorbeeld in de Star 1822, pagina 582: ‘de 2100 roeden hen volgens het reglement toegestaan.’ Dat is 2,982 hectare. Waarom er in veel literatuur over de Maatschappij gesproken wordt van 2,6 hectare per hoeve weet ik niet.

Nachtbidders, bladzij 153

‘Wij mogens het ons geenszins ontvein­zen dat de mensch moeijelijker te helpen is...’enzovoort, komt uit een brief van de permanente commissie aan koning Willem I dd 23 maart 1819 met het eerste voorstel om een bedelaarskolonie te stichten. De beschrijving van de activiteiten van de troepen bedelaars komt uit een brief van gouverneur Hofstede dd 31 juli 1819. De brief van Johannes aan Robert Owen is van 16 juli 1819.
Qua benodigd gezag meldt de Maatschappij op 23 maart 1819 aan de koning dat ‘het noodig zal zijn, dat de Direktie over zoodanig een instituut met hetzelfde gezag bekleed worde, 't welk van regenten van het werkhuis te Amster­dam, en van andere godshuizen is toege­kend’

De term ‘vrije kolonie’ komt nog niet voor in de oorspronkelijke reglementen van de Maatschappij uit januari 1818, maar duikt voor het eerst op in de Star van januari 1819 op pagina 72 in een artikel van Johannes van den Bosch.
Het vervallen van de noodzaak om een gracht te graven en de omschrijving voor wie de strafkolonie bedoeld is, komen uit het jaarverslag dat 5 augustus 1819 aan de landelijke commissie van weldadigheid wordt aangeboden, archief 989 en ook is afgedrukt in de Star 1819 pagina 655.
Johannes mijmert over de naam strafkolonie in een brief op 26 maart 1820.

Eene aangename lustwarande, bladzij 154

De omvang van de schuurtjes wordt beschreven in de al vaker genoemde brief van Johannes van den Bosch aan Robert Owen dd 16 juli 1819. Dat de kolonisten zo naar een koe verlangen schrijft Benjamin aan de pc op 15 februari 1819, zodat het besluit daartoe blijkbaar al vroeg in het jaar genomen is..
Over zijn financiële penarie schrijft Benjamin om de haverklap aan de pc. Dat het ook verlies voor de onderneming oplevert en de voorbeelden daarvan staat met name in zijn brief van 28 april 1819. Die ontevreden wolleverancier is de firma ‘Levi Salomon Cohen & comp’.
De keukengroente en moesgroente worden behalve in de correspondentie ook genoemd in de Star 1819, pagina 383. Daar is ook sprake van de bloemenperkjes, waarover tevens geschreven wordt in de Staatscourant van 14 april 1819 na een bezoek van de subcommissie Rotterdam aan de proefkolonie. Johannes van den Bosch schrijft over al deze dingen en over de ‘aangename lustwarande’ na zijn terugkomst aan prins Frederik, van welke brief een uittreksel in de Star vanaf pagina 378 staat.

Benjamin van den Bosch beschrijft de werkzaamheden op de kolonie in brieven in maart en april, waarbij hij ook verslag doet van zijn aanvaringen met de oude Johannes Bosch. Die kijkt later nog eens daarop, en op de dood van zijn kleinkind, terug in een latere brief, die in het boek op pagina 309-311 ter sprake komt en die zich in archief 59 bevindt. Dokter Schuurman schrijft over de dood van het kind in de Star van april 1819.

Onwaardig, ongeschikt, bladzij 156

Op 9 april 1819 schrijft Benjamin van den Bosch aan de pc: 'Het ondankbare en zich steeds slegt gedragende huisgezin uit Amersfoort heeft mij verzogt de kolonie te mogen verlaten, voorgevende bij hen te plaatse meer geld te kunnen verdienen; maar inderdaad uit geene andere motief dan zucht naar hun vorig luij bedelend leven.' In diezelfde brief beschrijft hij de gebeurtenissen vanwege de ‘aanhoudende dronkenschap van vrouw Rigagneau’ en haar wens weg te willen. De volgende dag besluit de permanente commissie volgens de notulen en brievenboek deze gezinnen te verwijderen en tegelijk schrijft zij Amersfoort dat zij ‘na een grote mate van geduld met het huisge­zin uit ulieder stad geoefend te hebben’ de Metzen verwijdert en vraagt zij die stad om ‘een ander, meer geschikt huisgezin’ te sturen. Dat wordt de familie Hopman.
Diezelfde dag schrijft zij Delft dat zij Rigagneau mag vervangen. Volgens Kloosterhuis pagina 57 had Delft bij het begin van de kolonisatie al een gezin zullen sturen, maar waren ze er toen niet in geslaagd mensen te vinden. De Delftenaren heten Dijkshoorn.
Hendrik Rigagneau overlijdt op 5 september 1820, de akte is gedateerd 9 september. De Goudsbloemstraat behoort tot het ergste stukje Jordaan (zie ook bladzijde 36 van het boek).

Ik stel mij bloot aan belangrijke verliezen, bladzij 158

Ameshoff verwoordt zijn protesten tegen het eigenmachtige optreden van de pc met betrekking tot vondelingen in diverse brieven aan de pc in april-juni. archief 51. Op 1 april heeft hij lucht gekregen van pogingen om kinderen van het Aalmoezeniersweeshuis over te nemen. Hij schrijft onder meer: ‘Het Aalmoezeniers Weeshuis wordt door den stad met drie, en door den het Gouvernement met ééne ton gesubsidieerd.’

Over vondelingen en wezen in Amsterdam:
Grofweg één derde van de tweehonderdduizend Amster­dammers is jonger dan 18 jaar. Van die zestigduizend jongeren zijn er vijfeneen­halfduizend, dus tegen de tien procent, toevertrouwd aan een van de zes tehuizen in de stad. Het Aalmoezeniersweeshuis is daarbij de afvalbak, de plek waar de meest kanslozen terechtkomen en het enige tehuis dat vondelingen opneemt.
Informatie over het Aalmoezeniersweeshuis is te vinden in J.Th.Engels, Kinderen van Amsterdam, Zutphen 1989. Daaruit dat in 1811 de zolder er bij was getrokken en dat er een ‘schout met zes of acht dienaars’ is die ouders van vondelingen tracht op te sporen.
Een lijst met aantallen vondelingen (‘enfants trouvées’) in Amsterdam staat achterin Etudes sur les Colonies Agricoles, de mendiants, jeunes détenus, orphelins etv enfants trouvés, Hollande - Suisse - Belgique - France, door G. De Lurieu en H. Romand, Parijs 1851

Volgens de Staat der armen, gepubliceerd in de Staatscourant dd 2 juni 1819, waren er in het hele land, Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden samen, 12.850 vondelingen in tehuizen opgenomen. Op 25 maart schrijft de minister van binnenlandse zaken aan de pc dat de vondelingen in het zuiden meestal bij boeren besteed worden en die in het noorden ‘in de godshuizen’ worden opgevoed en dat hij er positief tegenover staat als er voor laatstgenoemden iets anders verzonnen wordt.

De reacties van Ameshoff en Mendes de Leon op de zestig gulden zijn van respectievelijk 1 en 7 mei. Uit de Staatscourant van 28 april, ondertekend door Paulus van Hemert: ‘De Permanente Commissie van Weldadig­heid adverteert bij deze, dat zij voornemens is, in den loop der aanstaande maand mei, in het openbaar, aan te besteden, het bouwen, met bijlevering aller materialen, van ongeveer tweehonderd en vijftig woningen, in de kolo­nie van Frederiksoord. De conditien en be­stekken zullen, met bepaling van den tijd, tot aanvang en voleinding van het werk vastge­steld, en het adres tot informatie, hoedanig deze gebouwen behooren te worden ingerigt, tijdig nader worden bekend gemaakt; alsme­de de lokalen, waar die conditien en bestek­ken ter lezing liggen.’

Op 22 mei vermelden de notulen van de pc het lijstje met steden die hun contributie over 1818 nog niet afgerekend hebben. Johannes van den Bosch moppert over de verliezen waaraan hij zich blootstelt in een brief aan J.M.Kemper dd 4 mei 1819, archief 960 (die brief komt uitgebreider ter sprake in het volgende stukje). Na bij de vier genoemde heren geld losgepeuterd te hebben, kan de pc de vorige eigenaar Nobel meedelen ‘dat den 18 mei de ½ koopschat van Wester­beeksloot door hem zal kunnen worden ontvangen’.

In het bureau van een der kommiezen te muffen, bladzij 161

Uit het brievenboek: ‘Besluit der Perm. Kommissie 26 april. Om aan den Heer E.J. van Royen, Direkteur Brand Assur. Maatschappij in 'S Hage, kennis te geven van 't besluit, om al de gebouwen van Frederiksoord tegen brandschade te doen verzekeren.’ Van de brand in het kookhuis en de bestrijding daarvan wordt verslag gedaan in de Star 1819, pagina 383. Daarbij worden geen namen genoemd, maar als Benjamin van den Bosch naar aanleiding van de dan uitgedeelde beloningen op 23 augustus 1819 in een brief aan de pc op het voorval terugkomt, blijken de bij de bestrijding actieve kolonisten Bult (Enkhuizen), Tersmetten (Den Haag) en De Vries (Leeuwarden) te zijn. Wie van de drie van het dak gevallen is, vermeldt hij niet. Dit beloningenoverzichtje staat ook op de site.
Er zijn 20 schoolkinderen in de prijzen gevallen, volgens de Star 1819 pagina 466.

Het briefje aan administratieve kracht Stuart bevindt zich bij een conceptbrief van Johannes van den Bosch aan ‘Mr. J. Junius van Hemert te Utrecht’ dd 1 mei 1819. De brief aan Joan Melchior Kemper is van 4 mei 1819, archief 960.

Het oog van Europa, bladzij 162

‘Het getal der behoeftigen dat zich dagelijks aanbiedt...’ enzovoort, uit de Star 1819 pagina 382. Daar staat ook over de mensen die zich alvast op de naburige heide willen vestigen. Later zal dat op enige schaal gaan gebeuren, de zogenaamde desperado-koloniën, zie bladzij 364 van het boek.
Een voorbeeld van zo’n smartelijke brief van een aspirant-kolonist is afgedrukt in Kloosterhuis pagina 159. Van de mensen die in deze tijd solliciteren naar een plekje op de kolonie zal niemand er daadwerkelijk terecht komen. Alle volgende kolonies zullen in principe niet meer door de pc gevuld worden, maar door subcommissies.

Paulus van Hemert schrijft over de buitenlandse contacten als hij verslag doet van de werkzaamheden van de afdeling van correspondentie in de Star 1819 vanaf pagina 744.

Eene vereeniging die als het ware nationaal behoort te worden, bladzij 164

De notulen van de eerste vergadering van de commissie van weldadigheid dd 22 juni 1818, archief 16, meldt als nummer 10: ‘Is besloten aan eenige personen, we­gens de zelver verdien­stelijk­heid jegens de Maat­schappij het honorair lidmaatschap derzelve aantebieden, en zijn daartoe voor­gesteld de volgende personen (fiat inserto 1-35).’ In de Star pagina 624 publiceert de Maatschappij een lijst met het kopje: ‘De Maatschappij heeft thans de eer, de volgende Heeren Honoraire Leden te bezitten’. Dat zijn er dan 108.
De twee leden wier namen niet in de krant gekomen waren, zijn Johannes Kluppel en D.S.Boas. Laatstgenoemde schrijft 13 april aan de pc.
Op 29 mei schrijft Ameshoff over de sensatie in Utrecht, op 30 juni schrijft Jan Kops zelf. Overigens zal hij een paar jaar later wel weer vriendjes met de Maatschappij worden en haar adviezen gaan geven. De honoraire leden worden opgeroepen actief te worden in de Staatscourant van 3 mei.

De aanhoudende droogte, bladzij 165

Over de toestand op de kolonie in brieven van Benjamin en in een volgende rapportage van Johannes aan prins Frederik, dd 24 mei 1819, archief 1179. De ‘­gure koude nagten’ zouden eind april, begin mei gespeeld hebben.
Van de vernieling van de jonge dennebomen maakt Benjamin melding op 12 juni. De hier genoemde verkeringen komen allemaal verderop in het boek terug.

Blijde tijding, bladzij 167

De deelname van de koning aan de negociatie wordt gemeld in de Star pagina 473.
Ameshoff moppert op 17 mei over de corresponderende leden en de brief van Ockerse die door Johanes getemperd wordt is gedateerd 28 mei. Ook de getemperde brief is nog steeds tamelijk fel: of Ockerse wilde niet teveel toegeven of ook Johannes van den Bosch begon zich aan Ameshoff te ergeren. Het laatste is niet onwaarschijnlijk door de voortdurende kritische kanttekeningen van Ameshoff bij alle plannen van Johannes. Op 2 juni reageert Ameshoff: ‘Ik onthoude mij van alle aanmerkingen op de personeel beledigende uitdruk­kingen welke voorkomen in uwen brief van den 28 mei jl. omdat de achting welke ik de leden der Permanente Kommissie toedraag, mij oplegt dezelve enkel voor rekening van den steller over te laten.’ Op 8 juni bericht Benjamin dat ‘dat wij in den afgelopen voornacht onweder, met regen vergezeld gehad hebben’.

Het caracter onzer behoeftigen, bladzij 168

Alles komt uit een brief van Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie dd 12 juni 1819 en de genotuleerde bespreking van die brief door de pc op 17 juni 1819.

Uit hunne tuinen de noodige groenten en aardappelen erlangen, bladzij 170

De jool met de laatste wagen mest wordt gemeld in de Star pagina 622 en de weekindeling op pagina 543. De oude scheepsbalken worden door Benjamin genoemd op 11 juli en door de pc besproken op 18 juli. Op 17 juli schrijft Benjamin: ‘Morgen ‑ zondag ‑ zal er voor het laatst menage gemaakt worden. Ten einde hunne vroege aardappelen nog eenige dagen te kunnen ontzien, zal ik aan ieder 1 1/2 schepel oude goede aard­appelen à 10 stuivers t schepel doen uitgeven.’
Overigens blijkt hij ook nu nog met zijn broer te corresponderen - ‘Over de staat der landerijen schreef ik heden gedetailleerd aan de 2 assessor, zo zij het mij vergund mij daar aan te mogen refere­ren.’ - maar die brieven zijn niet bewaard gebleven.
De financiële stand van zaken bij het einde van de menage heeft hij later overgenomen op een staat per januari 1820, archief 54.
De twee bij de aannemer bijklussende kolonisten zijn Bodenstaf en Bult, die als zodanig genoemd worden op een staat ‘van verrigten Arbeid, Verdiensten, Uitbetaling en Kassa-rekening der Kolonisten, van de 25sten tot en met den 31sten Julij 1819' die in de Star van juli is afgedrukt.
De beoogde smid is Matthijs Muller uit Den Haag, Vrouw Breukel is degeen die twee kinderen uit Maassluis ophaalt en het in Dordrecht achtergebleven meisje was ingedeeld bij het gezin Kranendonk. Tegen de zin van Adrianus Kranendonk. Diens oudste zoon en dochter hadden niet mee willen komen naar de kolonie terwijl Kranendonk ‘zeer veel bezwaar­en had om de ontbre­kende door vreemde kinderen te suppleeren’. Na een brief van de pc had Dordrecht gemeend het gezin toch ‘tot het opgege­ven getal van 6 personen te moeten aanvul­len.’
Over de carrière van Jan Hendrik Gerards wordt ook geschreven in Kloosterhuis, pagina 269. Op 6 juli schrijft de Amsterdamse subcommissie over de bij hun losgepeuterde ‘onderstand, huisvesting, voeding en vrij trans­port’.
Op 30 juli schrijft Benjamin: ‘Geassisteerd door ?a?en en de kolonisten Bult en Krabs­huis heb ik gister aan de markt te Hoogeveen twaalf der beste melk koeijen voor de kolonie gekocht voor ƒ 649=.=. dus door elkan­der ƒ 54‑.’ Zie ook persoonsfile Krabshuis.
Over de kaasmakerij begint Benjamin vanaf 3 augustus en de pc-notulen van 8 augustus melden: ‘Besloten ... den Direkteur (...) te kwalificeren om de benodigdheden voor boter- en kaasmaken intekopen, en daar voor en andere lopende uitgaven een mandaat te kreeren van eén duizend gulden, no. 133, 134.’ Over de varkens en het slachten door Jan Bult besluit de pc op 28 augustus, alles voorafgegaan door de zinssnede ‘De generaal proponeert...’ Uitlatingen over de ‘gewasschen’ en de ‘landhoeve’ zijn van Benjamin, respectievelijk 11 juli en 4 augustus.

Z. M. heeft Hoogstdeszelfs gunstbewijzen vermeerderd, bladzij 174

Het huwelijk van Petrus Ameshoff: Burgelijke Stand Eindhoven, huwelijkakte 1819, Aktenummer: 11, Datum: 12-07-1819, Bruidegom Petrus Johannes Ameshoff, geboortedatum: 01-05-1788, geboorteplaats: Amsterdam, zoon van Arnoldus Ameshoff en Maria Agnes Hamerster. Bruid: Hendrika Susanna Walkart, geboortedatum: 06-03-1788, geboorteplaats: Eindhoven, dochter van Arnoldus Walkart en Johanna Maria Carp.
Dat Ameshoff zijn echtgenote Suse noemt valt te lezen in een brief van hem die is opgenomen in A.J.Hanou, Tussen Voltaire en Verlosser. De zielsbenau­wenis van Petrus Ameshoff in: Documentatieblad achttiende eeuw XVIII nr. 1, 1986, 109-115.

Het boekje van de genoemde preek: M.A. van den Bank, De beoefening der Weldadigheid, Den Bosch, 1819; Saakes 7 (1819) 49.

Ook in druk verschenen: Marcus Jan Adriani, Gedachten over de Maatschappij van Weldadigheid: eene voorle­zing in het depar­tement der Maatschappij tot Nut van het Alge­meen, te Pekel-A, Gronin­gen, 1819; Saakes 7 (1819) 38, Knuttel 24817.
Adriani had zijn verhaal anoniem gepubliceerd. Op 01-07-1819, archief 52, schreef de uitgever aan de pc: Groningen 1 july 1819, Ik heb de eer aan UHoogEdelGeb. hierbij 12 exemplaren ener redevoe­ring over de Maatschappij van Weldadigheid aantebieden, Met den verschuldigden eerbied heb ik de eer te zijn, HoogEdelGeb. Heeren, UHoogEd.Geb Onderd. Dienaar, J. Oomkens.
Daarop had de Maatschappij geïnformeerd wie de schrijver was en op 15 juli 1819, zelfde archiefnummer, meldde de uitgever:
Groningen 15 july 1819, WelEdele Heer!
Ter beantwoording van de missieve van den 6 dezer dient: dat auteur der Gedachten over de Maatschappij van Weldadigheid is, de WelEerw.Heer M: J. Adriani pred. te O. Pekel A. Z. Eerw. bedankt de Commissie voor de bijzondere attentie op zijn stukje gevestigd, en gene redenen vind om zijne naam voor de Commissie te verbergen, en dat Z. Eerw. niet zal nalaten, om de belangens der Maatschappij waar het mogelijk is te bevorderen. Hiermede voornemende aan UHoogWelEd. te hebben voldaan, heb ik de eer eerbiedig te zijn
UWelEdele Heer
UWelEd. D.Dienaar
J. Oomkens

Enkele andere, in het boek niet genoemde publicaties:
# J.W. Statius Muller, De krachtdadige ondersteuning van openba­re ... (preek) (Amsterdam, 1819); Saakes 7 (1819) 17
# Leerrede over de Maatschappij van Weldadigheid. Voor Nederlan­ders van alle gezindheden (Zierikzee, 1820);  Saakes 7 (1820) 137, Knuttel 24917
# D.H. ten Kate van Loo, Uitboezemingen bij de oprigting der Maatschappij van Weldadigheid (Den Haag 1818), KB, Saakes 6 (1818) 368, Knuttel 24707 (onder 1818)

De volledige tekst van de sketch van ‘Beide de Buren’staat ook op deze site. De subcommissie Paramaribo schrijft op 16 augustus 1819, Guinea wordt genoemd in de Star pagina 753 en de brief uit Batavia is gedateerd 8 september 1819 en zal uiteindelijk verschijnen in de Staatscourant van 8 februari 1820. Ondertekend door J.A, van Braam, vooritter, en S. Roorda van Eijsinga, se­cretaris.
De aanbesteding van 50 hoeves staat in de. Star 1819, pagina 544-546, en in de Staatscourant van 22-06 en 15-07. Van het Koninklijk Besluit dd 7 juli om vrijstelling van zegel en registratierechten op de negociatie van 80.000 gulden te verlenen wordt ook meldting gemaakt in de Star 1819, pagina 660. De gronden van de Steggerder Ccompagnie komen ter sprake bij de pc op 30 juli en op 5 augustus stuurt Stephanus van Royen zijn taxatie-rapport in.
Volgens de notulen, archief 16, van de commissie van weldadigheid op 5 augustus, wordt J. Leesberg uit Den Haag na een verkiezing in twee rondes gekozen als nieuw lid in plaats van J.F.H. van Hemert. De verslagen van de hier en bij de commissie van toevoorzicht - notulen archief 27 - voorgedragen verslagen zijn ook afgedrukt in de Star van augustus en september. Beide vergaderingen worden ook verslagen in de Staatscourant van 9 augustus. In de Star pagina 627 staat een lijst met de in de commissie van toevoorzicht gekozen leden.
De Star maakt op pagina 694 melding van de koninklijke goedkeuring van de manier van uitbreiden (de gegarandeerde contracten met subcommissies, zie bladzij 189 ev). Het verlenen van het vruchtgebruik van de Ommerschans komt blijkbaar nét voor de deadline van de drukker, want Ockerse weet het krap aan onder op de laatste pagina van de Star van augustus, pagina 720, te frommelen.

Terug naar boven






NOTEN HOOFDSTUK 06

Tegenstrevers, bladzij 181

In de eerste nummers van De Star wordt slechts gesproken over ‘vooroordelen’ zonder die nader te benoemen. In juni, pagina 547, begint Ockerse zich te verdedigen tegen het verwijt dat de Maatschappij de prijzen voor mest opdrijft en bij de jaarverslagen in augustus trekt Johannes echt ten strijde. Blijkbaar is dat nodig. De meeste citaten in dit stukje komen daarvandaan, archief 989. De nadere bestudering van Ockerse van de tegenstanders, met daarin ‘Men kan de wederstrevers der Maatschappij gevoeglijk onderscheiden in vier soorten: in volstrekt-onkundigen, - overschilligen, - bevooroordeelden, - en partijzuchtigen’, is een twee-delig artikel in de Stars van april en mei 1820 onder de titel ‘Iets over de verschillende denkwijze van het Nederlandsch publiek, omtrent de inrigtingen en het lot der Maatschappij van Weldadigheid’.

Vrijmetselarij, bladzij 183

Het vrijmetselaarslidmaatschap van Van Hemert, Kinker en Kemper wordt genoemd in J. Stouten, Willem Anthonie Ockerse (1760-1826), leven en werk, Amsterdam 1982, pagina 194-195 plus bijbehorende noot.
Kinkers Gezangboek voor Vrijmetselaren (1806) komt ter sprake in A.J. Hanou en G.J. Vis, Johannes Kinker (1764 - 1845), brief­wisseling deel 1 (1792-1822), Amsterdam 1992, blz 29-31
De brief van Kinker met het ongemeende ‘hoe zeer ik er mij van wenschte te verschonen’ staat in A.J. Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voor­vechter van Verlichting, in de vrijmetse­larij en ander Neder­landse genootschappen 1790 - 1845, Deventer 1988. In hetzelfde gedeelte, pagina’s 468-472, van dat boek worden Kinkers activiteiten voor de Maatschappij in La Charité, in de gezamenlijke Amsterdamse loges en bij geestverwanten elders beschreven.

In het brievenboek staat op 27 juli 1818:’Volgens besluit van de PC: abusievelijk ver­zonden Logelijsten terug te vragen aan de Subkommis­sies van Berg op Zoom, Gronin­gen, Gorinchem en Alkmaar, ten einde die met de .... (opengelaten) van de Heer W. Holtrop ter in­kas­sering te verzenden.’ Dit besluit is in de notulen van die dag niet opgenomen. Even later stuurt Alkmaar volgens een begeleidend briefje  'de lijst van inte­kenaren van De Loge in deze stad' terug. Kort daarop gevolgd door Groningen, wat ook 'de Loge lijsten' retourneert.
Die onderdirecteur van policie te Amsterdam annex vrijmetselaarpenningmeester is W. Holtrop. Hij begint voortvarend, maar al op 31 maart 1819 staat in het brievenboek een besluit bij W. Holtrop te gaan klagen over de slechte staat van betalingen van de loges. In de Star 1819, pagina 678, wordt hij ook door Faber van Riemsdijk genoemd als degeen ‘die de invordering der kontributiën en giften van verschillende Loges in het noorderdeel des Rijks op zich heeft genomen’.
De term ‘eene algemene maçonique kommissie voor al den noordelijke loges’ komt uit de brief van Johanes aan Robert Owen van 16 juli 1819. De discussie tussen Sijpkens en prins Frederik staat in de notulen van de commissie van weldadigheid dd 5 augustus 1819, archief 16, de voetnoot in de Star 1819, pagina 671.
De anecdote over het bezoek van Johannes van den Bosch aan J.M.Kemper wordt door de Bosch Kemper verteld in Jhr. mr. J. de Bosch Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830, Amsterdam 1873, bladzijden 236-240. Ook verhaald door J. J. Westendorp Boerma in  Johannes van den Bosch in Drenthe, artikel in Drentse Volksalmanak 1950, pagina 57-81.

Ook was dezen dag dubbeld belangrijk, bladzij 185

Over de eerste steenlegging, de beloningen en het feestje die dag schrijft Benjamin 23 augustus, op welke brief Ockerse een stukje in de Star pagina 718 baseert.
Ook de drie sergeanten - Coster, Seil en Schnatz - kregen een tientje beloning voor hun gedrag bij de veenbrand. In die brief worden ook Jansen en Meeder als onderopzieners genoemd en Visser niet meer.
Uitlatingen over Dominicus Meeder door de subcommissie Tholen op 10-10-1818; door Benjamin in brieven van hem aan de PC op 29-12-1819, 06-05-1820, 29-06-1820. Zie, ook voor een verwijzing naar stamboominformatie over Meeder, zijn persoonsfile.

In stilte het onderzoek doen voortzetten, bladzij 186

Op 3 augustus schrijft Benjamin in het kader van de aankoop van koeien: ‘De Haan, van Rhee en de Vos verdienen door hun weinig oppassend gedrag, bijna niet in deze voorrechten te delen, zij behoren ten minste de laatste te zijn bij de verdeling.’ Van die drie is Mathijs Douwes de Haan alleen lui, de anderen volgens Benjamin én lui én opstandig. Op 29 augustus maakt hij melding van de verhalen die hij over Vos gehoord heeft, uit hij zijn verdenkingen jegens Bosch en belooft hij het onderzoek in stilte te doen voortzetten.

Negociaties, bladzij 188

Op 18 augustus schrijft Ameshoff nog vanuit Amsterdam naar de permanente commissie, op 20 augustus meldt zijn prokuratiehouder dat hij weg is. Die procuratiehouder heet volgens de ondertekening van zijn brieven aan Nieuwenhuis en Mendes de Leon op 20 augustus J. Jabot. Hij neemt wel vaker voor Ameshoff waar, bijvoorbeeld de week van diens huwelijk begin juli. Hij schrijft nu ‘P.S. De Hr A. naar de colonie zijnde, retourneert eerst heden over 8 dagen.’
Nieuwenhuis schrijft op 20 en 22 augustus aan de pc. De brief die Johannes van den Bosch op 20 of 21 augustus terugschrijft is niet in het archief maar de inhoud valt af te leiden uit de reactie erop van dokter Nieuwenhuis die op 22 augustus gedeelten uit Johannes’ brief aanhaalt.
Overigens: Nieuwenhuis vraagt het antwoord te zenden aan ‘den Heer J. Mendes de Leon op de Keizersgracht bij de Westerstraat’, maar de Westerstraat komt helemaal niet bij de Keizersgracht?!?

De welgestelde erflater is een Amsterdammer die Bosch heet. Ameshoff schrijft aan de pc over het legaat in diverse brieven eind 1819 en begin 1820. Het citaat over de steentijke zuster staat in een brief van hem aan de pc dd 28 maart 1820.

In de circulaire van 24 juni 1818 stond ‘Ten aanzien der eerste te nemene proe­ve is bepaald, dat deze zal geschieden voor de algemeene rekening der Maatschappij, en dat daartoe, zoo veel mogelijk, uit iedere kontribu­ale stad een huisgezin zal worden genomen.’ Waarschijnlijk was het dus toen al de bedoeling om bij toekomstige kolonisaties een verband tussen contributie en plaatsing aan te brengen. In het jaarverslag, archief 989, ook gepubliceerd in De Star vanaf pagina 629, schrijft Johannes nu: ‘Verders meenen wij, dat de billijkheid vordert, het getal der huisgezinnen, waarvoor door iedere Gemeente gekontrakteerd kan worden, af te meten naar het aantal Leden der Maatschappij (...)’.
De eerste keer dat de term huisverzorgers valt binen de Maatschappij is in de Star van juli waarin vanaf pagina 469 de eerste poging ondernomen wordt om uit te leggen hoe het nieuwe systeem gaat werken. Die uitleg is niet bepaald helder en de komende nummers moet het vaker uitgelegd worden, onder andere pagina 701. In het novembernummer, pagina 990, wordt Ockerse daar een tikje chagrijnig van: ‘De ontdekking, dat onderscheidene Sub-Kommissiën, Gemeente- of Arm-besturen, in weêrwil der meest-mogelijke duidelijkheid van voordragt, de voorslagen der Permanente Kommissie, aangaande dit onderwerp, niet genoegzaam begrepen hebben, heeft deze doen besluiten, dit korte overzigt daarvan alhier te plaatsen, waarmede zij vertrouwt, zeer vele belanghebbenden eenen dienst te bewijzen.’
Daarna was het blijkbaar wel duidelijk.
In een daaropvolgende stukje wordt de 1700 met terugwerkende kracht op de proefkolonie toegepast (een subcommissie die daar een gezin geplaatst heeft moet eerst 1700 aan contributies afgedragen hebben voor ze weer een gezin mag plaatsen).
Tot de vrijstelling van landhuur besluit de pc volgens haar notulen op 9 oktober 1819: ‘(...) dat de kolonisten, die een of meer kinderen hebben van de grondlasten zijn vrijgesteld.’ Johannes formuleert hoe dat ‘alleszins voordeelig’ is in een brief aan de pc dd 7 maart 1820. De subcommissie Edam moet de weggelopen leden melden in een brief op 30 december.

Consenteert de jonggehuweden in huis te nemen, bladzij 190

Van het omvangrijke gezin in Boornbergum wordt melding gemaakt in de Leeuwarder Courant van 21 februari 1819, overgenomen in de Staatscourant van 2 maart. De Star maakt steeds melding van geboortes in de kolonie, bijvoorbeeld Hoofien en De Haan in het mei-nummer, vaak wel slordig en met het vooropgezette doel de gezondheid van het koloniale leven aan te tonen. Behalve bij genoemden komen er kinderen bij Jansz (= het Steenwijkse gezin dat de Dikkebooms is opgevolgd), brief Benjamin 17 juli en Star juli, en Berends uit Assen, brief Benjamin 12 september.
Over eerst geboorte en daarna dood bij de Van der Heijdes bericht Benjamin op 11 november, maar dan denkt hij nog - en zo komt het ook in de Star - dat de nieuwgeborene overleden is en pas op 15 januari 1820 corrigeert hij dat het om een 3-jarig zoontje gaat. Dat die Jan heette staat in de voordrachtsbrief van de subcommissie Leiden van 24 september 1818.

Onder de zonen die zich melden hoort ook een zoon van Vos, maar daar voelt de directie weinig voor omdat ze het niet in de familie Vos ziet zitten. Benjamin vraagt op 15 december en 25 december wat hij er mee aan moet, op 30 december besluit de pc dat die gedurende de winter kan blijven en dat voor hem en de zoon van Baade geldt ‘dat de voortduring dier inwoning zal afhangen van hun ieder goed gedrag’. Blijkbaar lukt dat niet, want tijdens de tuchtzitting in april 1820, archief 1613, beklaagt Hendrik Vos zich dat de directeur ‘zijn zoons uit de Kolonie had doen gaan’.

De zoon van Baade die wel mag blijven heet Christiaan, geboren 4-2-1794. De ingedeelde in dat huishouden is Dirk of Derk Wiemes, geboren 30-06-1795. Over zijn voorgenomen huwelijk gaan de notulen van de pc dd 28 augustus 1819. Zijn huwelijkspartner is Elisabeth Smies, geboren 13-9-1799, dochter van Levina Lameijze, geboren 8-8-1774, gestorven 30-4-1851, weduwe van ene Smies, daarna hertrouwd met Hubrecht de Ruiter, de kolonist uit Axel.

Tot de meisjes die elders een dienstje aanvaarden, behoort ook de dochter van Koppejan. Ouders moeten er dan maar het beste van hopen, maar maken zich natuurlijk ook wel zorgen. Koppejan schrijft 26 februari 1820 aan zijn subcommissie: ’Ik vind mij genoodzaakt om aan mijne familie te schrijven, waarin ik den toestand van mijn dogter vernemen zal, en of zij haar dienst bij mij Heer Pous aangenomen heeft, dan of zij haar heeft laten misleijen.’
Het vertrek van de zoon van de Zwolse kolonist (de weduwnaar Van Ommen) wordt beschreven in een brief van Benjamin op 17 juli, zie persoonsfile.van Ommen.

Den kost gezien en geproefd, bladzij 192

Alles komt uit Gijsbrecht Karel Graaf van Hogendorp,  Bijdragen tot de huishouding van staat in het Koninkrijk der Nederlanden, tweede verbeterde uitgave onder toezicht van Mr. J.R.Thorbecke.
De opmerking dat de tijd voorbij is dat hij veel te zeggen heeft op pagina 68, de opmerkingen over genootschappen op pagina 71 en 180 en het belangrijkste: zijn bezoek aan de kolonie pagina 99 tot 113. Dat bevat zowel het officiële verslag dat hij en Siderius bij de raad van toezicht hebben ingediend als een uitgebreider bezoekverslag van zijn hand. Van Hogendorp noemt geen namen van kolonisten, maar uit de opmerkingen die hij bij elke kolonist maakt plus een brief van Benjamin van den Bosch dd 29 december 1819, valt eenvoudig te reconstrueren bij wie hij langs is geweest.

Dedomagement, bladzij 195

De reis van Benjamin en Johannes naar de Ommerschans en het sollicitatiegesprek met Fenner worden aangekondigd in een brief van Benjamin dd zondag 12 september. Over die schilderachtige luitenant Fenner hoop ik nog eens uitgebreider te publiceren. Divers heen en weer gereis van Benjamin naar eigenaren en als delegatielid voor het Steenwijkerwolderheideveld in brievan van 23 september en 26 oktober, de voorbereidende werkzaamheden voor de nieuwe kolonie onder meer op 16 november. Bijvoorbeeld: ‘Het zou mij tevens aangenaam zijn, te mogen geinformeerd worden, op hoedanige wijze de voeding der nieuwe kolonisten is bepaald; dewijl zulks de intentie der Kommissie zijnde, er eene schoone voorraad winter knollen, tot een zeer geringe prijs zou kunnen worden aangekocht, dat na eenige dagen moei­jelijker en na 2 a 3 weken in t geheel niet meer kan plaats hebben. In het afgelopen jaar zou men de menage, door eene goede voorraad knollen en wortels op te doen, beter hebben kunnen inrichten.’

Het voorstel om Benjamin een dedomagement te geven komt van Faber van Riemsdijk volgens de notulen van de commissie van weldadigheid van 5 augustus 1819, archief 16. De bedankbrief van Benjamin aan de pc van 18 augustus 1819 toont enorme blijdschap. Hij verbindt wel een voorwaarde aan zijn aanblijven: ‘Dat de Kommissie, even als ik zelve, mijne betrekking slegts zo lang als verbindend beschouw, als dezelve met de wederzeid­sche genoegens en belangen zal overeenkomen.’

De door Benjamin aangestelde boekhouder is Johannes Bernardus de Bas, geboren rond 1767, en op 30 september 1819 omschrijft Benjamin het takenpakket: ‘Ik heb Dheer de Bas, als boekhouder tegen 20 october aangenomen; en bedongen dat zijnEd, zo wel de fabrijk in deze, als de nieuw aanteleggen kolonie dagelijks zal nazien, en in alles survailleren. Waartoe hij volgens zijne opgaven, de nodige kennis bezit. In dat geval zou de fabrijk met een goeden onder‑baas behoorlijk kunnen gedreven worden.’

Menigvuldige en slegt gemaakte knopen, bladzij 197

Dat Van der Heide het een paar keer ‘slegt’ heeft ‘laten liggen’ constateert Johannes in een brief op 26 maart 1820. De nieuwe uit Leeuwarden gekomen spinbaas (opvolger van de in februari weggestuurde Wijsman) heet Johannes Gunther. Benjamin schrijft - meest kritisch - over hem in brieven van 20 juli, 5 september en 8 november.
.
Dat het ‘zeer moeilijk’ is om de toestand van de spinnerij in kaart te brengen, schrijft Benjamin op 8 november, maar al tien dagen later presenteert hij de ‘rekening en verantwoording der fabrijk’ met de beschreven conclusies. En spreekt hij de verwachting uit dat het voortaan beter zal gaan.

De puistige, bladzij 198

NB: op bladzijde 199 staan een paar zetfouten. Er staat Letterbeeld als het Vledderveld moet zijn en er staat twee keer marqué als er marke bedoeld wordt. Hopenlijk komt er een tweede druk waarin dit gecorrigeerd kan worden.

Over de onduidelijkheden rond grondbezit bijvoorbeeld het taxatierapport van Van Royen van de Steggerder Compagnie dd 05-08-1819. Over het heideveld bij Steenwijkerwold schrijft de pc aan Benjamin op 6 december 1819: ‘De Kommissie houd het voor een uitge­maakte zaak dat het geheele heideveld haar in vruchtgebruik door Zijne Majesteit is afge­staan en dat het zelve als domein beschouwd moet worden.’

Een uitgebreide beschrijving van het Vledderheideveldincident is ook te vinden bij Kloosterhuis vanaf pagina 99. Er wordt vreselijk veel over heen en weer geschreven deze periode, wat eigenlijk al begon op 22 augustus (dus een maand voor de gebeurtenissen), wanneer de pc notuleert dat ‘er thans nieuwe zwarigheden zich opdoen van de zijde des Heren van Roijen van Doldersum en twee andere geintresseerden’. En op 23 augustus schrijft Benjamin aan de pc: ‘Ik heb reeds een tweede zeer dringende brief ontvangen, om de begonnen afgraving te staken: ik heb daar aan nog niet voldaan en zend genoemde brieven (...) heden aan de Kommissie per beurtschip af.’
De indruk wekken dat ze er wel mee weg zouden komen, had Stephanus van Royen gedaan in brieven op 26 april en 25 juni. Kloosterhuis beschrijft op pagina 97 een door Van Royen bijeengeroepen vergadering in het logement waar hij het afstaan van een stukje land erdoor had proberen te drukken.

Over de kerk van Vledder en de noodzakelijke opknapbeurt schrijft ook Van Hogendorp, pagina 107, met een oproep aan ‘degenen, die er in betrokken zijn, om de struikelblokken weg te nemen’. Later zal de koning inderdaad geld ter beschikking stellen om de kerk op te knappen..

Diverse aankopen van waardelen worden genoemd in pc-notulen van 4 december 1819. Over aandelen in de Steggerder Kompagnie schrijft Johannes op 7 maart 1820 aan de pc: ‘Indien de Steggerder Kompagnie (want van de Eese is mijnes wetens geene kwestie tot dus verre) niet in zijn geheel gekogt kan worden, zal het echter nuttig zijn daarin een­ige aandeelen te bezit­ten, als dan kunnen den verkoop rechterlijk provoceren. De Heer Quarles bijvoorbeeld zou ons zijne aande­len kunnen overdoen. Dit is genoeg­zaam om de anderen tot ons oogmerk te kunnen leiden. Het is van het uiterste gewigt dit zoo spoedig mogelijk aftedoen, daar wij anders veel moei­je­lijkheid zullen ondervinden.'
Overigens heb ik geen idee wie meneer Quarles is.

Het complot, bladzij 201

Het is de vraag of datgene wat vanaf september 1819 het complot genoemd wordt, wel zo planmatig is als men lijkt te denken. Alle kritische geluiden - de in hoofdstuk 3 en 4 genoemde brief van Burks, de in hoofdstuk 3 en 5 genoemde aanmerkingen uit kerkelijke hoek - leiden tot toch behoorlijk overspannen reacties van de Maatschappij. Men kan niet tegen kritiek.
Er zullen best mensen van buitenaf zijn die de boel willen opstoken, vanuit een van de motieven die her en der in het boek genoemd worden: godsdienstige redenen bijvoorbeeld of het willen beschermen van de eigen plaatselijke armenzorg tegen deze landelijke aanpak (zie ook bladzijde 301) of gewoon omdat men het geen goed plan vindt. Maar het is de vraag hoe georganiseerd dat is. En... zeggen dat het van buitenaf gestuurd wordt, is voor de Maatschappij ook een manier om weg te poetsen dat de kolonisten niet tevreden zijn. Want dat laatste is voor haar onvoorstelbaar.

Veel van de informatie hier komt uit terugblikken in brieven van Benjamin dd 27 maart 1820 en 12 april 1820 en van Johannes dd 26 maart 1820, 30 maart 1820 en 12 april 1820. Uit de terugverwijzingen en Benjamins brief aan de pc van eind augustus 1819 blijkt dat Hogenbrink uit Weesp toen al verteld heeft over deze avond. Verder gaat de zitting van de Raad van Opzieners van 9 april 1820, archief 1613, met ondervragingen van Vos en Bosch, zo goed als bijna helemaal over deze avond in mei.

Het zuur verdiende geld in snuisterijen verteren, bladzij 202

Benjamin evalueert de kleding op 18 oktober 1819 en komt daarbij tot de genoemde kritische opmerkingen over de kolonisten en over de oorzaken van hun armoede. De Star pagina 811 meldt: ‘De Kommis­sie heeft echter met leedwezen ondervonden, dat in vele huisgezinnen niet die geest van spaarzaamheid bestaat, welke zij van huisgezinnen had mogen verwachten, bij welke, als bekend met al het kwellende der behoefte, de neiging mogt worden ondersteld, om, in dit gunstig saizoen, een gedeelte hunner inkomsten voor kleeding te besteden, en iets voor den naderenden winter, als wanneer de verdiensten van den veldarbeid natuurlijk zoo groot niet kunnen zijn, tot een spaarpenning op te leggen.’

Hetgeen zij noemen gezwierd, bladzij 204

Zoals in het boek vermeld moet bij de uitlatingen van Johannes, Benjamin en de Star over de familie Breukel bedacht worden dat het deels bedoeld is om zich te verantwoorden tegenover de uitzendende subcommissies, met name Maassluis, wat het waarheidsgehalte kan beïnvloed hebben. Benjamin laat zich over hen uit op 20 juli 1819, met als reactie de pc-notulen van 25 juli die het eerste arrest van de dochter tot gevolg hebben, en in terugblikken op 20 maart 1820 en 27 maart 1820, Johannes schrijft over hen op 17 februari 1820 en 10 april 1820.
Nog meer achteraf wordt teruggeblikt in de Star van april 1820 en uiteindelijk in het jaarverslag, archief 989, in augustus 1820.
Daarnaast zijn er brieven van de subcommissie Maassluis over de Breukels aan de pc dd 13 april 1820 en  5 mei 1820, met een reactie van de pc op 9 mei 1820, waarvan gedeelten ook terugkomen in de nasleep op bladzijde 244 ev in het boek. Zie verder over Breukel diens persoonsfile.

Uitlatingen over brave mannen en lastige vrouwen in diverse kolonistengezinnen komen voor in diverse brieven en verslagen van Benjamin. Voor waar het Burks betreft zie hoofdstuk 3 en 4. In hoeverre het hier louter de gewaarwordingen van Benjamin en Johannes betreft, of dat het iets waars zegt over de positie van vrouwen in armengezinnen in die tijd weet ik niet.

Onder betaling van schuld toegestaan, bladzij 206

Benjamin kondigt in een brief aan de pc van 21 oktober aan: ‘Dinsdag zal ik naar de Ommerschans gaan, ten einde dezelve overtenemen’. De officiële overdrachtsdatum is derhalve dinsdag 26 oktober.
De tweede vergadering van de Commissie van Toevoorzigt is op 28 oktober 1819, de notulen zijn archief 27, en er wordt verslag van gedaan in de Star vanaf pagina 899 en in de Staatscourant van 12 november.
De opvolger van Metz heet Hendrik Hopman, zie zijn persoonsfile. Zijn brief aan de subcommissie Amersfoort met als datum 11 september 1819 wordt door de subcommissie, met verbeteringen, doorgestuurd naar de PC en komt daar op 22 oktober 1819 in. De brief is ook op deze site opgenomen.
Benjamin rapporteert over zijn eerste gesprek na twee maanden kolonisatie met de familie Koppejan - ‘Zodanig is het gezin van Ab. Koppe­jaar van wiens vier kinderen reeds 3 bij de boeren dienden en die altijd werk genoeg hebbende in geenen deelen behoeftig waren. De kinde­ren uit hunne dienst weggenomen en naar her­waarts gezonden, vinden geene verbete­ring in hunne toestand.’ - op 28 december 1818.
Op Koppejans ontslagaanvraag wordt later door de subcommissie, met aanhalingen uit eerdere brieven, teruggekeken dd 20 april 1820 als hij opnieuw een verzoek heeft ingediend. Uit dat nieuwe verzoek - gedateerd 26 februari 1820 - blijkt dat Koppejan al in oktober 1819 aan de subcommissie had geschreven - ‘Mijn vriendelijk verzoek van ll. october aan UEd gedaan, wegens mijn vertrek uit Frederiksoord, en het belang hiervan blijft bij aanhoudend­heid voortduren’ - en daarin beschrijft hij ook zijn gesprek met Johannes. Koppejan uit zich niet tot in detail over de omvang van de schulden, het schuldenoverzicht met beginschuld en aflossing komt uit een latere brief van de latere directeur Wouter Visser dd 17 mei 1821.

Liever te willen sterven als werken, bladzij 210

Johannes erkent zijn fout in een brief van hem uit Steenwijk dd 30 maart 1820. Over het verzoek van Van Rhee om de kolonie te mogen verlaten schrijft Benjamin op 25 december 1819, waarop de pc op 30 december met vette onderstreping notuleert: ‘Besloten te schrijven, dat Van Ree vertrekken kan, na zijn schulden betaald te hebben’. Het gedrag van de familie Koppejan en met name Abraham Koppejans gemopper tijdens de uitbetaling beschrijft Benjamin op 18 februari 1820. De uitspraak van Sarus van Rhee, door Johannes gerapporteerd op 26 maart 1820 - ‘Van Rhee is een luijaard die reeds zedert verscheiden weken te bed legt en verklaard liever te willen sterven als werken' -  wordt als zo schokkend ervaren dat hij binnen de Maatschappij nog vaak geciteerd wordt. Bijvoorbeeld in het jaarverslag augustus 1820, archief 989: ‘Hoezeer de luiheid bij eenige ingeworteld is, kunnen wij onder andere staven door het gedrag van den kolonist Van Rhee, van Wijk bij Duurstede gezonden, die openlijk verklaarde liever te willen sterven dan arbeiden; en daar de Direktie getrouw bleef aan het beginsel van niets te willen verstrekken dan in vergel­ding van arbeid, heeft hij eindelijk de kolonie eigenmagtig verlaten, en is naar zijne familje teruggekeerd.’

Alleen Westerveld heeft in aardappels zijne huur afbetaald, bladzij 211

De kolonisten voor kolonie 2 beginnen vanaf 20 november 1819 aan te komen, volgens de notulen pc van 26 november 1819. Die dag arriveren een onderopziener en een koloniaal gezin. Op 30 november blijkt nog niet alles voor ontvangst in orde te zijn, want Benjamin meldt: ‘De kolonisten Frans Broekhuizen met vrouw en 4 kinderen uit Brielle en Hendrik Kruidhoed met vrouw en 8 kinderen van S Graveland den 28 aangekomen zijnde. Zo heb ik de eer daar van de Permanente Kommissie kennis te geven; met vriendelijk verzoek dat de verzending van huisraad zo spoedig mogelijk moge plaats hebben, dewijl bij den 4 aangekomen huisgezin­nen, morgen nog 2 uit Amsterdam zich voegen zullen, en mijne verle­genheid daar door zal toenemen.’
En 5 december: ‘Het huisraad is nog niet aangekomen, zo dat de onder officieren en kolonisten zich zeer moeten behelpen.’ Dan arriveert de huisraad en op 15 december ook de gezinnen Ladru uit Amsterdam, Verbeek uit Rotterdam, Beets uit Purmerend en De Vroeg uit Heerenveen.

Johannes ‘gematig berekende’ schattingen staan in het verslag van de permanente commissie aan de commissie van weldadigheid en de commissie van toevoorzicht augustus 1819, archief 989, ook gepubliceerd in de Star vanaf pagina 649. ‘Bij velen zal zij die som zelfs merkelijk overtreffen; en dus zal, in elke betrekking, de uitslag onze verwachtingen verre te boven gaan, en het volledigst proef-ondervindelijk bewijs verschaf­fen, dat waarlijk - en op welk eene wijze dan - onze verarmde Natuurgenooten uit den poel van jammer en ellende, in welken zij zijn afgedaald, gered kunnen worden.’

Maandag 20 december besluit de pc om Benjamin de preciese cijfers te vragen en op 29 december 1819 stuurt die de evaluatie van het jaar en daaruit komen bijna alle citaten hier. De nog negatievere terugblik op het misgewas is een jaar later op 16 januari 1821.
Het landelijke verbod aardappelen uit te voeren was trouwens tot in 1818 blijven gelden. Staatscourant 23 juny 1818: ‘Z.M. heeft, uit hoofde van de gunstige uitzigten op den aanstaanden oogst, de wet van den 20 November 1816, waar bij de uitvoer van aardappelen wordt verboden, ingetrokken.’

De informatie over de geboortenaam Jan Krijns van Slochteren van Jan Cornelis Westerveld komt via genealogisch onderzoeker Hennie Kok.

Het ‘Fonds de réserve’ wordt gepresenteerd in in Star 1820 pagina 164. Volgens Abraham Koppejan, brief van 26 februari 1820, betekent die inhouding dat de inhoudingen voor de kleding een tijdje opschuiven: ‘Ja nu kan ik UEd melden, dat in plaats van 100 guldens en 200 schepel aardappels goed te doen, ons zeker besluit uit den Haag is voorgelezen, dat ieder colonist verpligt is zijn vijftig guldens te betalen, zoo dat nu 1/10 gedeelte van de weekelijk­sche verdiensten word ingehouden voor de landhuur, in plaats van voor de kleedingstukken gedu­rende dezen winter, zullende met het voorjaar nog weder 1/10 van de verdiensten voor de cleerasij worden ingehou­den.’

Aller deerlijkst gebrand, bladzij 214

Vanaf hier - 1 januari 1820 -  bevindt de ingekomen post van de pc zich in archief 54.

Het verhaal van de te water geraakte diligence komt uit de Rotterdamsche courant van 3 januari 1820, overgenomen in de Staatscourant van 5 januari 1820. De berichten uit Dordrecht komen uit de Dordrechtse courant, overgenomen in de Staatscouranten van 14 en 21 januari. Benjamin meldt het water in de aardappelkuilen en het verlies van aardappel in een brief van 15 januari. In die brief komt hij ook terug op het ongeluk van Tersmetten dat hij op 11 januari al gemeld had.
Het ongeluk met de postkoets Steenwijk-Leeuwarden wordt gemeld in de Leeuwarder Courant van 20 janauri 1820, overgenomen in de Staatscourant van 24 januari 1820. Overigens is het de vraag of de postiljon het overleefd heeft: ‘Echter is men bekommerd voor zijn behoud, daar hij door de koude geheel magteloos was.’
Het drama in Zutphen in de Arnhemse Courant van 6 februari 1820, overgenomen in de Staatscourant van 12 februari. Dan zijn er al legio, bijna dagelijkse, berichten over overstromingen begonnen.

Het deelnemend gevoel onzer brave kolonisten, bladzij 217

Benjamin van den Bosch schrijft hierover dd 3 februari 1820 en 16 februari 1820, de betreffende gedeelten van deze brieven inclusief de ingetekende bedragen staan ook op deze site, er verschijnt een artikel in de Staatscourant op 13 februari dat op Benjamins berichtgeving gebaseerd lijkt te zijn.
Daarna schrijft Den Haag in de Staatscourant van 28 februari over de ‘gezegenden invloed’ van de kolonisatie op de kolonisten. In dat laatste artikel wordt ook vermeld dat Klaas Visser en Jacob Baade er een begeleidende brief bij geschreven hebben en hoe die brief ‘zoo hunne edele beginselen, als hunne toe­nemende beschaving kenschetst’.

Koppejan logeert bij de onderofficier, bladzij 219

Notulen Permanente Commis­sie dd 30 januari 1820: ‘Besloten aan den Min. van Marine te verzoe­ken het gebruik der monster­schuit of ander koninklijk vaartuig voor de overvoering van den Generaal J. van den Bosch, tegen den 4 february 's avonds van Amsterdam tot voor Blokzijl.’ Zijn verblijfplaats blijkt uit de brieven van hem met plaatsnaam Steenwijk en uit brieven aan hem geadresseerd aan pension Schuttelaar te Steenwijk. Schuttelaar of Schuttelaer wordt elders niet alleen als herbergier, maar ook als ‘postmeester’ genoemd. Hij schijnt een paar jaar later ook het logement in Frederiksoord onder zijn hoede gehad te hebben.

Over de vorst die het kegelspel omverschopt en over de diverse zieken schrijven zowel Johannes als Benjamin deze periode aan de pc.
De huisverzorger Smit die zijn vrouw verliest, heet voluit Abraham Smit. Hij is van 22-06-1760, dus bijna zestig jaar, en afkomstig uit Groningen. In de rode boeken van Kloosterhuis is enige verwarring over hem en een andere Smit (uit Den Haag), maar die andere is van veel later. Deze Smit zorgt voor kinderen uit Koog aan de Zaan en daartoe behoort ook een 42-jarige weduwe, Aagje Jans Keg, met wie hij hertrouwt. Zij overlijdt in 1824 en een jaar later hertrouwt Smit opnieuw, dan met Grietje van Voorst (= de weduwe Weender), 10 augustus 1825. Abraham Smit sterft 18-03-1830, Grietje van Voorst 19-03-1839.

De vrouw die in de in de kraam overlijdt, is Trijntje van der Eijck, geboortedatum onbekend, echtgenote van Pieter Dijkshoorn uit Delft, geboren 03-02-1770. Zij is al de tweede vrouw die Pieter Dijkshoorn aan de kraam verliest. Zie daarover en voor een verwijzing naar veel genealogische gegevens het persoonsfile van Dijkshoorn.

Over de ‘voorgewende’ ziekte van Van Rhee schrijft Benjamin op 31 januari en over de werkweigering van Abraham Koppejan op 18 februari nadat zijn broer er een dag eerder al over aan de pc geschreven had.

Een opgewonden hoop van zulke klanten, bladzij 220

Die laatst genoemde brieven, dus 17 februari van Johannes en 18 februari van Benjamin, leveren ook de citaten voor het eerste gedeelte hier. De al vaker genoemde reglementaire beginselen worden hier toegelicht met stukjes uit een brief aan de subcommissie Maassluis dd 9 mei 1820. De behoefte aan meer machtsmiddelen komt in veel brieven terug, geleidelijk steeds krachtiger.
Het is 20 februari als Benjamin meldt dat Koppejan uit arrest ontslagen is en 26 februari als Koppejan zich schriftelijk wendt tot zijn subcommissie, die de brief doorstuurt naar de pc zodat die tussen haar ingekomen post zit. Het in Koppejans brief gebruikte woord ‘foetreseeren’ heb ik in geen enkel woordenboek kunnen vinden, maar uit het zinsverband denk ik dat hij ‘gebrek lijden’ bedoelt.
Die pastoor van Steenwijkerwold, over wiens activiteiten gemeld wordt op 23 maart, heet Muller en staat kort voor zijn pensionering. Daarna wordt het gestook overgenomen door zijn broer, die op bladzijde 300 genoemd wordt bij de ‘Roomse machinaties’. Het weigeren van verlof aan vrouw Vos speelt op 20 maart. Ze is maar eventjes weg en wordt bij terugkomst ingesloten.
De 15-jarige jongen die bij het gezin Kranendonk uit Dordrecht was ingedeeld, heet Giel of Magiel Berkel. De weggelopen dochter van de kolonist uit Axel is Pieternella de Ruiter, 17 jaar. Over het weglopen van de jongen uit het Haagse weeshuis schrijft Benjamin op 20 maart met de toevoeging: ‘Hij was een zeer grote deugniet.’ In diezelfde brief meldt hij het weglopen van de dochter van Breukel met een jongere broeder.

Het doel dezer knapen, bladzij 223

Achteraan de derde linie wonen ondermeer Johannes Bosch en Hendrik Vos. Het meeste in dit stukje komt uit terugblikken op deze gespannen tijd. Over het ‘ingelijfd’ worden en over ‘het doel dezer knapen’ in de brief van de pc aan Maassluis van 9 mei, over de zogenaamde onrechtmatigheid van de inhoudingen in een brief van Johannes van 12 april. De brief van Breukel aan zijn subcommissie is niet bewaard gebleven, maar uit de reactie erop van Benjamin valt de inhoud te reconstrueren.

Terug naar boven








NOTEN HOOFDSTUK 07

Conniventie, bladzij 227

Volgens de rode boeken van Kloosterhuis is Anthonie Brouwer geboren op 23 januari 1782 en heet zijn echtgenote Antoinetta Geertruida Meijland. Hij heeft al een paar maanden geleden zijn contract getekend, volgens de notulen van de pc op 9 december 1819. Naast de 500 gulden krijgt hij vrij wonen en betaalt de Maatschappij de reis van het gezin naar Frederiksoord.
Brouwer is beter in leidinggeven dan in brieven schrijven, want dat doet hij slechts héél af en toe, bijvoorbeeld op 5 juni 1820 en dat is dan zeer moeilijk leesbaar. Meestal zegt hij tegen Benjamin wat hij op zijn hart heeft en brieft die dat over aan de permanente commissie.

Het is mij onbekend of Brouwer met de ‘Eijlanders’ doelt op de bewoners van de westelijke Amsterdamse eilanden (Bickerseiland e.d.) of de oostelijke Amsterdamse eilanden (Kattenburg e.d.).

De pc ruikt lont over de situatie in de spinnerij in de notulen van 11 maart 1820 en schrijft daarover de 13de (blijkens Benjamins reactie, de brief zelf is er niet). Kort daarvoor, 24 januari had Benjamin juist ontzettend positief over de spinnerij bericht!! Hij was er dus met open ogen ingetuind: ‘Bijzonder aangenaam is het mij tevens aan de Kommissie te kunnen inzenden gede­tailleer­de staten van verdiend spinloon in de beide kolonies over de laatste acht dagen, die haar zullen doen zien, tot welk eene aan­merkelijke hoogte deze gestegen is. Ja, die haar zullen overtuigen, dat bij een buitenge­woon strenge winter, waar door bij velen de winter voorraad geleden heeft; en den veldar­beid een geruimen tijd heeft moeten stil­staan, en dus onder de ongunstigste omstandig­he­den, de kolo­nist door eigen arbeid in zijnen behoeften op eene redelijke wijze kan voor­zien. (...) De volgende week-staat zal zeker dus een nog gunstiger uitslag opleveren. Ik heb echter gemeend de Kommissie met de gun­stige toestand harer kolonie, zo spoedig mo­gelijk te moeten bekend maken; te meer daar het mij toeschijnt, dat zo gunstige resultaten, bij de tegenwoordige omstandigheden, als gewigtige bewijzen, zo voor den deugdelijk­heid der inrichting, als van de juistheid der bereke­ning mogen aangemerkt worden, en de Kommissie dezelve als zodanig misschien in het volgend nommer der Star zou wen­schen bekend te maken.’

Benjamins reactie nu, 20 maart 1820, is dan ook onthutst. ‘Ik heb met leedwezen uit den brief der Per­manente Kommissie van den 13 dezer hare gegronde ontevredenheid over den ongun­stige staat der spinnerij vernomen.’ Blijkbaar reageert hij meteen want al op 15 maart 1820 solliciteert zijn boekhouder, Johannes Bernardus de Bas, bij de pc naar een nieuwe functie, wat Ockerse tot de notitie ‘Nihil hic’ brengt.
Overigens zal De Bas later, juli 1821, ‘bij gebrek aan geschikte voorwerpen’ nog wel tijdelijk als onderbaas een spinzaal onder zich krijgen.

Volhoofdig en volhandig, bladzij 228

Benjamin meldt ondermeer, op 27 februari, de aankomst uit Bourtange van Hendr. Christiaan Puper, waarvan een zoon zal trouwen met een dochter van de weduwe Weender.

De eerste twee onderofficieren heten Giliam en Reichenbach en hun aankomst en gebrek aan landbouwkennis worden gemeld in een brief van Benjaminn dd 20 februari 1820. Degeen wiens vrouw volgens Benjamin ‘een zeer onaangenaam humeur’ heeft, heet Van den Berg en wordt genoemd in een brief van 15 maart 1820 en de onderofficier wiens vrouw van het bataillon is weggejaagd en die door Benjamin gekleed moet worden, heet Reichard en wordt in diezelfde brief genoemd. Bij die laatste speelt nog een probleem. Hij was slechts korporaal geweest en Benjamin voorziet problemen omdat diverse kolonisten zelf die rang, of zelfs hoger, bekleed hebben en zich niet snel iets zullen laten zeggen door iemand die slechts tot die rang gekomen is.
Van de genoemden zal Gilliam binnen een half jaar ontslag nemen, Vsn den Berg vertrekt meteen weer, Reichard wordt na een tijdje ontslagen en alleen Reichenbach blijft en wordt later portier in Veenhuizen. Dat zijn broer ‘schier moedeloos’ wordt van de onmogelijkheid goed personeel te krijgen, schrijft Johannes op 24 april.

Over de begindagen van kolonie 2: er zijn hier geen grote gebouwen, daarom wordt één koloniehuisje ingericht als tijdelijke spinzaal. Dit wordt geleid door ‘de oude Salomons’. In een ander huisje vestigt zich de eerste onderdirecteur annex winkelier. Die heet Evers en hij en zijn winkel worden genoemd in een brief van Benjamin aan de pc dd 20 februari 1820. Evers is voormalig schout van Oldemarke en zo hoogbejaard dat hij zijn functie niet lang kan vervullen.

Benjamin begint te schrijven over het probleem van een administratie van twee kolonies op 20 januari 1820 en herhaalt in bijna elke volgende brief het verzoek om richtlijnen. Johannes springt voor hem in de bres op 7 maart 1820. Tegelijkertijd wordt in de Star van januari wél gepublicerd het ‘Journaal van den Onder-Direkteur in de kolonie no. X.’ Met uitgebreide voorbeelden van de administratie in de koloniën. Blijkbaar wordt het belangrijker gevonden het publiek te laten zien hoe goed alles bijgehouden wordt dan de eigen directeur bij te praten!

Niet alleen heeft Johannes te veel haast om de ontginning van kolonie 3 aan voorgaande kolonisten over te laten en huurt hij ‘werkvolk’ van buiten, brief 27 februari 1820, maar het ligt ook een beetje ver van kolonie 1 en 2 af én losse arbeiders zijn betere krachten dan de kolonisten. Later zal de ongeschiktheid van kolonisten om nieuwe grond te ontginnen genoemd worden als een van de oorzaken van de financiële ondergang van de Maatschappij. Bijvoorbeeld Kloosterhuis pagina 231.

De notulen van de permanente commissie melden op 24 februari 1820: ‘Geapprobeerd het kontrakt tusschen de P.K. en de Heeren Oosterloo & ??paar (onleesbaar), wegens het bouwen van honderd huisjes op het Steenwijkerheide­veld.’ De pc maant Johannes een beetje rustig aan te doen op 4 maart en bespreekt de verplaatsing van de boerenwoning op 27 maart.

Die herberg op het Steenwijkerwoldeheideveld is sinds december 1818 eigendom van dominee Wilbrink uit Steenwijk. Correspondentie over die herberg van Johannes en Wilbrink aan de pc op 27 februari, 28 februari, later vervolgd op 1 april, 4 april, 7 april en 12 april. Wilbrink wordt soms Willebrink genoemd. De uiteindelijk aankoop is archief 1225.

Een van die kroegjes wordt gedreven door een vrouw. Als die blijft weigeren te verkopen schrijft Johannes in mei ‘Ik heb het wijf (...) voor het vredegerecht geroe­pen ten einde de afstand van de grond daar bij ho­rende te bekomen.’

Volgens de Star zou de vorige eigenaar van de Halle zich ‘daarop arm geboerd’ hebben, ‘uit hoofde dat er geene produkten meer van zijnen schralen grond te verkrijgen waren’. Later zal de commissie van toevoorzicht, in de Star 1822, pagina 559, verslag van inspectie op 14 september 1822, schrijven dat de grond dankzij de Maatschappij weer vruchtbaar geworden is. Tot de aankoop wordt besloten op 24 februari en de feitelijke aankoop is archief 1218.
Het incident met het ‘bagatel’ beschrijft Johannes op 7 maart 1820, zijn dagindeling op 27 februari 1820, het ‘volhandig en vol­hoofdig’ op 27 maart 1820.

Verder schrijft Johannes over de tekening die hij gemaakt heeft van Willemsoord: ‘Ik heb straks vergeten te zeggen dat de plaats 9 een vierkante plaats is 150 voeten over het kruis groot. Aldaar zullen het maga­zijn, spinzaal en school geplaatst worden ge­merkt O, P, G. Dit zal een heerlijk effect doen als zijnde eene hoogte van waar men de gehele aanleg overzien kan. De weg van no. 31 tot 1 en van 9 tot 66 is circa een uur gaans lang. Schoner terrein is in ons geheel land voor gene kolonie en nergens een bete­re grond te vinden'.
Achteraf blijkt dat onzin en zal hij er zelf op terugkomen, zie boek blz. 367 met zijn latere mening.

Bloedzuiger! bladzij 230

De gebeurtenissen worden diezelfde dag al, dus 26 maart, beschreven door Johannes. In een ps-je bij die brief noemt hij de aantallen kolonisten die respectievelijk opstandig, ontevreden-maar-onderwerpelijk en braaf zijn. Daarna wordt in diverse brieven van hem en Benjamin dagelijks op de zaak teruggekomen.

Het bestaan van de Maatschappij, bladzij 233

De pc reageert, na er ‘gister avond’ over gesproken te hebben, op 29 maart, daarna vliegen de brieven - vooral van Johannes - over en weer. Nog een argument van Johannes tegen een peloton militairen in de buurt: ‘Hier bij zouden dezelven bij de burgers moe­ten ingekwartierd wor­den, dat zeker het ge­schreeuw niet zou doen verminderen.’

Het moet 30 maart zijn geweest dat Van Rhee, die de boeken in kan als de eerste gedeserteerde vrije kolonist, de kolonie verlaat. Het is mij niet bekend hoe het hem verder vergaan is, wel dat zijn echtgenote - Johanna Wilhelmina Elizabeth Storij - in 1831 in Appeltern in Gelderland overlijdt, een paar maanden na de dood van een 11-jarig dochtertje van haar en Sarus van Rhee. Volgens de akte op 52-jarige leeftijd, zodat zij rond de 40 geweest moet zijn toen ze op de proefkolonie kwam.

Wat denkt Gij van Rausch? bladzij 235

Op 29 maart had de pc ook gevraagd om ‘den source dezer machina­ties’.

Van die dankbaarheid van Gerrits wordt door ene A. Alting uit Kampen steeds melding gemaakt in de Star. Bijvoorbeeld in het oktobernummer van 1820 met de slotwoorden: ‘Alleraangenaamst was mij, dezen zomer, mijn reisje naar de koloniën.’ Blijkbaar heeft Johannes al op de dag van de ongeregeldheden in de spinnerij met Gerrits gesproken, want op die 26ste april schrijft hij dat hij Gerrits ‘op heden’ erover aangesproken heeft. Hij komt er 12 april op terug.

De Nijmeegse kolonist is Lucas Lucassen. Benjamin bericht over dit gesprek met hem in een brief aan de pc dd 12 april 1820. Voor informatie over Lucassen met ook verwijzing naar genealogische gegevens zie zijn persoonsfile.

‘Rausch word zeer gesuspec­teerd’ schrijft Johannes vanuit Steenwijk op 12 april 1820 Informatie over de voorgeschiedenis van Rausch is verkregen via een nazaat van hem die genealogisch onderzoek heeft gedaan. Zie bij persoonsfile Rausch.
Die eerdere inspectie van 12 juni 1819 staat beschreven bij Het caracter onzer behoeftigen op bladzijde 168 van het boek. Daarna melden de pc-notulen van 18 juni 1819: ‘Ingekomen bij de Permanente Commissie brieven van de kolonisten F. Rausch en A. Koppejan, dagtekening 18 juny. Excuseren zich wegens het verpanden van enige goederen; de laatste biedt aan de penn. ter lossing uit zijne 6/m gagement in de maand july te voldoen.’
Notulist Ockerse haalt hier twee kolonisten door elkaar als hij abusievelijk verwijst naar Koppejan als degeen die de schade uit zijn gagement wil vergoeden. Dat moet Rausch zijn.
Over de opvolging door zijn zoon had Benjamin op 9 maart geschreven.
Uitlatingen over de ondersteuning van buitenaf komen uit brieven van Johannes en Benjamin van 27 maart, 10 april en 12 april, en het slappe ‘eene zijde, van welke men zulks geenszins zou hebben kunnen vermoeden’ uit een brief van de pc aan de subcomissie Maassluis dd 9 mei 1820.
Enige aanmoediging van buitenaf zullen de opstandige kolonisten wel gehad hebben, maar het is natuurlijk de vraag hoe georganiseerd dat plaatsvond, zie ook de noot bij bladzij 201.

Den geheelen raad grovelijk beleedigd, 237

Johannes schrijft op 26 maart: ‘Vis­scher kan uit hoofde hij zijn goed in de lom­mert gebragt heeft in de raad van toezicht niet blijven zitten. Mijn broeder proponeert de kolonist Meeder in zijn plaats.’
Dit is de eerste zitting waarvan een officieel verslag bestaat, waar dan ook alle informatie in dit stuk vandaan komt: ‘Processen-verbaal van verhoor van de Raad van Toezigt in kolonie 1 (Frederiksoord)' dd 9 april 1820, invoernummer 1613.
Aangevuld met een brief van Benjamin aan zijn broer dd 10 april 1820, beginnend met de mededeling dat ‘gisteravond’ de raad van toezigt bijeen is geweest, welke brief door Johannes wordt doorgestuurd naar de permanente commissie vergezeld van een brief van hemzelf aan de pc ook dd 10 april 1820.
De net te laat gekomen brief van de subcommissie Maassluis is gedateerd 13 april 1820.
 
Het is goed dat deze spitsboef weg is, bladzij 240

Over het vertrek van Vos geeft Benjamin 12 april een briefje voor zijn broer mee aan sergeant Schnatz (die Vos naar de boot in Steenwijk escorteert), wat Johannes meestuurt met de uitgebreide brief die hij zelf aan de pc schrijft, en op 17 april rapporteert Benjamin nog eens aan Den Haag over Vos.

Over de beledigingen aan het adres van Brouwer zijn regelmatige meldingen. Al relativeert Benjamin ook een keer door in een tussenzinnetje over Brouwer te zeggen dat ‘die niet gemakkelijk van aard is’.

Brouwer hapt niet meteen toe als de Maatschappij hem wil behouden. Hij wil eerst een mondeling onderhoud met de permanente commissie. Dat wordt op 29 juli gedelegeerd aan Johannes en Faber van Riemsdijk die toch ‘eerlang naar de kol. vertrekken zullen’. Daarna melden de notulen van 22 augustus: ‘Op de missive van den Hr Brouwer no.103/7 is besloten, na gehoord te hebben het rapport van de leden Van den Bosch en Van Riemsdijk, het traktement van den Heer A. Brouwer te verhoogen jaarlijks tot duizend guldens; mits hij daarvoor de direktie houde, niet alleen over de vlas en wolspinnerij, maar over alle fabriekmatigen arbeid in alle de gevestigde of nog te vestigen kolonien tot 500 huisgezinnen toe, en met toezegging dat, bij uitbreiding boven dit getal huisgezinnen, dit traktement met één gulden per huisgezin zal verhoogd worden; terwijl wederzijds eene voorafgaande waarschuwing 6 maanden voor de jaarlijksche expiratie behoord te geschie­den, ingeval men mogt verlangen deze overeenkomst te doen eindigen.’ Vanaf dan wordt Brouwer aangeschreven met de titel ‘Direkteur der fabriek­matigen arbeid in de kolonie’
De regeling lijkt mij wat al te ruimhartig, maar gaat een flink aantal jaren goed. Uiteindelijk zal Brouwer in 1832 wegens bezuinigingen ontslagen worden.

Geschikte voorwerpen voor de uitvoering ontbreken, bladzij 241

Benjamin uit die twijfels over de haalbaarheid van Willemsoord op 21 december 1819, op 1 april 1820 meldt Johannes:: ‘Hoop met 1e mei 70 hoe­ven vollend te hebben. Dat is voor ie­der huisge­zin een groente thuin, 50 roeden vroege aardappelen, 30 late aardappelen beneffens voor 300 roe­den stalvoeder aangelegd te hebben. Waarvan echter deze maand slechts de helft moet worden uitgezaaid om dat het zelve anders alle gelijktijdig aan komende niet geconsumeerd kan worden.’

De mogelijkheid van een steenbakkerij had Ameshoff al op 31 augustus 1818 geopperd in een brief aan Ockerse: ‘Eilieve vraagt eens den Genl. of er niet in vroeger tijd eene steenbakkerij in Wes­terbs. geweest is, die van de aanwe­zende klei, en veen gebruik maakte. Daar er bij eene steenbak­kerij veel menschen te pas komen, ware zulks op tijd voor onze kolonis­ten een goede arbeid.’
Daarna is er steeds sprake van, met discussie over de beste manier om zoiets op te zetten, en op 26 april meldt Johannes dat er snel en veel stenen gebakken worden om te gebruiken bij de bouw van Willemsoord en voor de gierbakken. De betaling van de Brabanders is zo geregeld ‘dat aan den steenbakker ƒ9. en aan den arbeider ƒ4. s'weeks wordt toege­legd boven kost en inwoning’, brievenboek 14 mei 1820. De beschrijving met veldoven en ontboden deskundigen komt uit het inspectierapport van de commissie van toevoorzicht dat is gepubliceerd in de Star van augustus 1820.

Over de gierbakken schrijft Johannes op 1 april: ‘Dan gier­bakken zijn volstrekt noodzakelijk. Ons ge­heel systema van land­bouw is daar op ingewerkt en daar door alleen kunnen wij met de helft der onkosten, de anders daartoe aangewende gron­den tot cul­tuur brengen. Worden die niet gemaakt dan is er op den duur op geen gewas te rekenen.’ Blijkbaar is het al eerder geprobeerd, want hij vervolgt: ‘Die geene welke door Ooster­loo gemaakt zijn verleden jaar zijn te zwak en kunnen de drifting niet weerstaan.’
Op 7 maart had hij al over de kosten geschreven: ‘Ik heb met mijn broeder nog eens om­standig opgerekend het kosten­de eenen hoe­ve, en het leid geene bedenking of dezelve kan aangelegd worden door hetgeen het tarief bepaald, ook dan wanneer men ƒ 40- voor de gierbakken steld.’
De gierbakken zijn prominent aanwezig op de tekeningen in de verslagen van de buitenlandse bezoekers (Grouner + An account of the poor-colonies). Die vonden het allemaal een prachtige vondst.
De kosten van de sekreten staan in de pc-notulen van 24 oktober 1820.

Over zijn aankopen schrijft Johannes op 7 maart: ‘Het tijdig aankopen van grond zal atijd voor de Maat­schappij een zaak van gewigt zijn. Met een steeds toenemende uitbreiding zou het ons eindelijk aan een dier elementen ontbreken kunnen die de grond­slag dezer onderneming uitmaakt.’
Op 17 mei noteert Ockerse in het brievenboek: ‘Besluit der P.K. Om aan Z.M. den Koning te presenteren eene missi­ve inhoudende ver­zoek om te mogen graven een kanaal loop­ende van Blokzijl, over Steenwijk en Frederik­soord tot Groningen; naar koncept des Gene­raals.’

Op 24 april begint Johannes erover dat hij wel naar huis zou willen. Klachten over ongeschikt personeel komen terug in heel veel brieven van hem en van zijn broer en in deze tijd schrijven ze allebei ook over de carrièreswitch van Drijber. Blijkens de datering van een van Benjamins brieven, 27 april, hebben ze zelfs op Drijbers trouwdag er al met hem over gesproken! Veel genealogische informatie over Drijber is te vinden op http://www.drijber.info/

Gij mijn vrienden hebt mij altijd goed behandeld, bladzij 243

Hoe enorm die reeks van koloniehuwelijken is durf ik niet te gissen, maar iedereen die wel eens genealogisch onderzoek in de kolonie-archieven heeft gedaan hoor je erover dat er zoveel onderlinge huwelijken waren.
De ingedeelde jongeman bij Bade heet dus Dirk Johannes Wiemes, zijn huwelijkspartner is Elisabeth Smies. Toestemming voor het huwelijk staat in notulen pc dd 28 augustus 1819. De huwelijkacte bevindt zich in bevolkingsregister Vledder, aktedatum 7 mei 1820, aktenr. 4.
Over hun carrière als huisverzorger zijn er brieven van de directie aan de pc dd 29 april 1821 en 17 februari 1822.
Koog aan de Zaan had een opgave gestuurd van de wezen die zij in de kolonie wilde plaatsen. Of dat precies dezelfden zijn als wier aankomst op 1 juni door Benjamin beschreven wordt is onbekend, maar de schout van Koog had de volgende namen opgegeven: Albert Leijenaar, Engeltje Oerhaan, Rijk Schuurman, Simon + Remmelt Muze, Pieter Nomen. Antje Schilp.
Engeltje Oerhaan is degene die na een miskraam de reputatie van het Sterrenbos zal bekladden, zie boek bladzijde 354 en Simon Muze is degeen die hier opgevoerd wordt als de pupil die een brief schrijft aan zijn voormalige huisverzorgers. Die brief is van september 1821.

De ‘jongeling bij de weduwe Weender wonende’ heet Franciscus Loomeijer of Loymeier of Loimeier, zijn partner is Janna Vergeer, dochter van de weduwe Vergeer. Verzoek om te mogen trouwen in brief van Benjamin aan de pc dd 6 maart 1820, geboorteakte van het kind in bevolkingsregister Vledder, aktedatum 18 april 1820, aktenr. 10 en huwelijksakte ook in bevolkingsregister Vledder, aktedatum 20 mei 1820, aktenr. 6

Dochter van wijlen Johannes Weender trouwt:
* Vledder, huwelijksakte, aktedatum 30 september 1820, aktenr. 8
Bruidegom: Sijberen Gerrits de Vries, oud: 24 jr., zoon van Gerrit Jans de Vries en Martien Sijberens.
Bruid: Johanna Catharina Wener, oud: 21 jr., dochter van Johannes Wener en Grietje van Voorst.

Het zwartste schildering van de behandeling der menschen aldaar, bladzij 244

Tiel moppert op 19 april, Maassluis eerst op 13 april en daarna nog eens op 5 mei. Bij die laatste brief is gevoegd een briefje van de subcommissie Brielle aan Maassluis met een beschrijving van het bezoek van ‘Eene vrouw voorgevende tot het huisgezin te behoren hetwelk door de subkommissie à costy naar de kolonie Frederiksoord verzon­den is’. Uit de tekst valt niet op te maken of het nu Breukels eega of een van zijn dochters was. Dat uit Brielle gezonden gezin is dat van Frans Broekhuizen, aankomst 28 november 1819.
Overigens heet de secretaris van Maassluis die in zijn brieven steeds klaagt over de armoede die veroorzaakt wordt door de steeds weer tegenvallende haringvangsten toevalligerwijs Steur. Diezelfde man zal op 24 april 1821, als hij aan prins Frederik uitlegt waarom het ledental in Maassluis afneemt, naast de haringvangst ook de schuld leggen bij ‘de plotselingsche terugzending van ons huisgezin Breukel c.s. in 't begin de voorleden jaars.’

De opvolger uit Tiel van De Vos heet Cornelis van Os en arriveert 12 november 1820. Die zal altijd op de kolonie blijven en sommige van zijn nakomelingen ook.
De opvolger uit Maassluis van Breukel heet Jacob van Luijpen en die zal ook altijd blijven.

Dat er geen ‘reglement’, dat wil in dit geval zeggen geen gezag is om menten naar de Ommerschans te verbannen, schrijft de pc op 9 mei aan Maassluis.

Dikke benen, bladzij 246

Op 17 april klaagt Benjamin - niet voor het eerst - over het ‘gebrek aan overleg in hunne huishouding’. Hogenbrink of Hogenberk heet de kolonist uit Weesp en Benjamins bericht over zijn kledingwensen op 19 mei 1820.
De klachten van Johannes Bosch over zijn schoonzoon en over de veranderingen in de spinnerij komen uit een terugblik van hem in een brief begin 1821, zie boek bladzij 270-271. De brief van Klaas Visser is gedateerd 11 mei 1820 en gericht aan Benjamin - ‘WelEdele gestrenge Heer, Het is mij zelve van harten leed, dat ik mij genoodzaakt vind, om aan UE gestrenge te verzoeken, om aan mij mijn ontslag als kolonist te geven en om aan mij te vergunnen dat ik weder met de mijne na daar vertrek van waar ik gekoomen ben’ - die hem doorstuurt naar Den Haag waar de pc op 15 mei het besluit neemt Visser onderstand te geven.
Overigens praat Visser waarschijnlijk de directie naar de mond als hij indirect zijn vrouw mede de schuld geeft als hij schrijft dat het na Benjamins eerdere hulp beter ging ‘temeer daar mijn vrouw haar ook sedert die tijd, hoe lang hoe meer tot arbeijd en zindelijkheijd schikte’.

Over die door Klaas Visser geschreven brochure uit 1828 zie de noot bij bladzijde 381.

De hoofdigheid van een Switzer, bladzij 248

Sijtje Verdwaald wordt genoemd in een brief van Benjamin op 20 mei 1820. Johanes beschrijft de onmogelijkheid om twee kolonies te overzien op 16 juni. De doortocht van de wezen in Amsterdam, vanuit Dordrecht op weg naar Willemsoord, wordt roerend beschreven in de Amsterdamsche Courant, overgenomen in de Staatscourant van 11 juni 1820: ‘Zaturdag den 3den dezer zagen wij, in den vroegen morgen, twee schuiten van Gouda, met ruim zestig dordsche wees- en armen-kinde­ren, aankomen, bestemd voor de kolo­nie no. 3, van de Maat­schappij van Welda­dig­heid. Na eenigen tijd te hebben vertoefd, voeren dezelve naar een schip, geankerd in den Binnen-Amstel. Op het gezigt van dit vaartuig betuigden deze ouderloozen, zoo door het uitsteken van kleine vlaggen, als door een aangeheven geroep van leve onze Koning! leve onze Prins en onze nieuwe Vaders! hun vertrouwen, dat voor hunnen verderen leeftijd, op eene vaderlijke wijze, zoude gezorgd worden.’

De gebeurtenissen met Baij staan beschreven in brieven van Benjamin en Johannes aan de pc dd 5 juni, 6 juni en 7 juni 1820.

Wij rekenden ons zeer gelukkig, bladzij 251

Voor bronnen over het gebeuren met Baij zie de vorige paragraaf.

Dat subkommissien niet de moeite nemen van te denken bij het geen zij doen, bladzij 253

Het klinkt erg vreemd, ‘bejaarde jonge dochters’ maar ik neem aan dat er oudere alleenstaande vrouwen mee bedoeld worden. Hoedanook is het hier genoemde de omschrijving die de Star eind 1819 een paar keer geeft van de gewenste huisverzorgers. Verder komt alles hier uit de brieven waarmee Johannes vanuit Steenwijk om de paar dagen zijn werkzaamheden bij de stichting van Willemsoord beschrijft, hetzij aan de pc, hetzij aan Ockerse, hetzij aan Faber van Riemsdijk, maar het wordt allemaal geboekt als ingekomen post pc.

De term wijkmeester komt pas vanaf midden 1820 voor in het woordgebruik van de Maatschappij.. Tot die tijd heette het altijd onderofficier of opziener. Het is niet gelukt te achterhalen wanneer het idee om met wijkjes te werken ontwikkeld is. Naar buiten toe wordt het gewoon gebracht als ‘de’ manier van werken, maar in werkelijkheid is het dus pas na twee jaar ingevoerd.
De allereerste keer dat de naam Willemsoord valt is in een p.s.-je van een brief van Johannes dd 11 juni 1820.

Kolonistenklasse en gezinsklasse, bladzij 255

Op 6 juni schrijft Johannes over de noodzaak om beloningen te geven, refererend aan het reglement, en op 29 juni maakt Benjamin de beoordeling van alle kolonisten. Dit stuk bevindt zich bij de jaarverslagen, archief 989 en zal in uitgetypte vorm ook op deze site komen.
Woensdag 9 augustus 1820 staat in de notulen van de permanente commissie: ‘Besloten op de missive van den Direkteur no.149/7 de medailles, zoo dra die gereed zullen zijn, uittedeelen in gevolge het tableau door den Generaal ter Algem. Vergadering geproduceerd.’

In het jaarverslag over 1820, archief 989 en in de Star van augustus 1820, wordt verder omschreven waaraan Klaas Visser zijn gouden medaille te danken heeft. Het oranje lint op de linkerborst staat in de reglementaire beginselen.
 
Om vreemdelingen te vervangen, bladzij 257

Dat Koppejan ‘in mijne rapporten nimmer gunstig is vermeld’ had Benjamin - volledig onwaar - geschreven op 18 februari 1820, de dag nadat Koppejan geweigerd had voor het bepaalde loon te werken. De bevindingen van de Leeuwardense bezoeker staan in de staatscourant van 5 september 1820.
Van de uitzending van Brandsma en Gerritsma wordt melding gemaakt in het jaarverslag, dat behalve in archief 989 ook is gepubliceerd in de Star van augustus 1820. Daar staan opvattingen over de buitenlanders die hier komen werken, evenals in het artikel van Johannes van den Bosch in het eerste nummer van de Star 1819.
De benamingen voor Duitsers komen uit Kornelis Mulder, Hannekemaaiers en kiepkerels, Haren 1971. Overigens wordt er tegenwoordig anders gedacht over de herkomst van het woord ‘mof’. In een rapport van het ministerie van binnenlandse zaken in mei 1818, geschreven door L. Boon uit Alphne, archief 48, heten ze de ‘buiten de boornlanders’.

Bij uitstek minzaam, bladzij 259

Over het bezoek van kroonprins Willem wordt geschreven in de staatscourant van 31 juli 1820 en in de Star van september 1820. Over de in Willemsoord te bouwen school melden de notulen van de pc dd 16 juni: ‘De Kroon Prins zal de kosten van het school dragen volgens belofte’

Dat hij deszelfs ware naam niet kan opgeven, bladzijde 260

De suïcidale Hagenaar was ingedeeld bij de weduwe geworden echtgenote van Alblas. Zie dat persoonsfile voor het hele verhaal. Met veel van die contracten om volwassenen in de kolonie te plaatsen is wel iets vreemds.  Zo wil iemand zijn ‘knegt’ in de kolonie plaatsen omdat hij geen werk meer voor hem heeft, 6 november 1819, een soort afvloeiingsregeling avant la lettre.

De brief van die toeziend voogd uit Leeuwarden, Jan Daniel van der Plaats, staat bij de archiefstukken oktober 1823.

De Delftenaar die zijn zoon onder zoveel mogelijk toezicht in de kolonie wil hebben heet J.G.Vorstman. Volgens Ameshoff is dat iemand van stand, want als hij zoon ‘Antonie Jan Vorstman geb. Delft 1799' expedieert naar Frederiksoord (‘zonder daarvoor kosten uitteschieten’), geeft hij een briefje mee voor de directeur met het verzoek ‘den Heer Vorstman te ontvangen zo als men gewoon is een fatsoenlijk man te ontvangen, die eene goede educatie genoten heeft.’
De jongeman blijft anderhalf jaar in de kolonie en dan haalt zijn vader hem terug vanwege ‘eene aanzienelijke verandering in mijne uitzigten aangaande de bestemming van twee mijner kinderen’. Vader Vorstman wil dan - 28 oktober 1822 - dat zijn zoon terugkomt ‘ten einde met eenen zijner broeders, eene affaire te aanvaar­den, welke ik zo onverwagt als in mijne schatting doelmatig, voor hen heb aangekocht, en onder toezegging van vriendenhulp met 1 nov: hoop te aanvaarden.’

Het is mij niet bekend hoeveel bastaardjes er zitten tussen de kinderen die op deze manier in de kolonie besteed worden, maar af en toe zijn er verdachte brieven over ‘het kind van een huishoudster’ ofzo.

De eerste keer dat de besteder van Willem en Marianne zich meldt is volgens het brievenboek op 9 mei 1820, dan als ‘P. Nederlander te Leerdam’. Een tijdje later is hij te bereiken via ‘poste restante, te Waalwijk’, op de dag - 29 juni - dat hij de kinderen naar Ameshoff zendt wil hij antwoord ‘poste restante op hier Gorinchem’ en als hij anderhalf jaar later weer schrijft, nadat hij ‘eerst kortelings weder hier te lande gekomen’ is kan hij bereikt worden via ‘poste restante te Delft’. Blijkbaar een zeer reislustig man.

De beste informatie over Willem en Mariane der Nederlanden staat in L. Lambregts, Willem en Marianne. De eerste dragers van de opmerkelijke fami­lienaam Der Nederlanden, Steenwijk 1991. Verder is op internet veel over dit onderwerp gepubliceerd, onder meer wikipedia, in boeken, oa Jacueline Doorn, Oranje en de doofpot, en in kranten, ook door een nakomeling zelf: Frenk der Nederlanden, De bastaarden van Oranje brengen zichzelf in kaart, Het Parool, 15‑10‑2001. Daaruit heb ik het onbegrip van de raad van adel.

Omringd door beweldadigden, bladzij 262

Prins Frederik maakt de afspraak met Johanes op 8 augustus, het bezoek wordt verslagen in de Staatscourant van 10 augustus en de Star van september 1820. Johannes komt met de hier weergegeven citaten terug op het stichten van een kolonie in de Zuidelijke Nederlanden in een brief aan prins Frederik dd 10 december 1820.

De Franse vertaling van Maatschappij-stukken wordt gemaakt door baron Van Keverberg, die ook in het bestuur van de kolonie in de Zuidelijke Nederlanden zal zitting nemen. Er wordt wat gemopperd dat hij niet snel genoeg gaat, onder meer in de hiervoor genoemde brief van Johannes aan prins Frederik, maar uit de pc-notulen van 27 december 1820 waar besloten wordt het rond te zenden, kan opgemaakt worden dat de vertaling dan klaar is..

De verslagen van commissie van weldadigheid en commissie van toevoorzicht bevinden zich in respectievelijk archief 16 en archief 27.

Voor het gebruik bij koffij en thee slechts even genoeg, bladzij 263

Omdat de ingekomen post van deze periode verdwenen is, komt de informatie in dit stukje uit brievenboek, notulen, uitgaande post en de Star. Dat blad schrijft bijvoorbeeld over de veestapel op de proefkolonie en, in het augustus-nummer, over de vergaderingen van commissie van weldadigheid en de commissie van toevoorzicht. De jaarverslagen staan in de Star augustus en september en zijn archief 989.

Er zijn meer subcommissies die weinig goede woorden over hebben voor de koloniale koeien, waarvoor ze verschillende verklaringen hebben, meestal dat het Drentse ras nu eenmaal kleiner is dan de Hollandse koeien. Dit citaat is van de subcommissie Enkhuizen dd 12 oktober 1822.

Benjamin meldt volgens het brievenboek op 23 augustus dat Albert Klaver in dienst moet. Het in oktober geboren kindje zal overigens maar een paar jaar oud worden, zie boek bladzij 364.

Over de administratie en administratieve achterstand schrijft Benjamin talloze brieven. De Star van Oktober meldt de gunstige berichten over de oogst. De commissie van toevoorzicht zendt weer een inspectiecommissie naar de kolonie. Op 18 september meldt het brievenboek: ‘De Generaal J. vd Bosch. Meldt de gunstige bevinding der kolonien door de Komm. met het onderzoek derzelve belast.’ Het verslag van de commissie is in archier 27 en daaruit komt de opmerking over Molenaar en Gerards.

De jaarinkomens over 1820 zijn gepubliceerd in de Star 1821, pagina 678-679 en die lijst komt ook op deze site te staan.

Zoo iets imponeert, bladzij 265

Die ontvreemding van garen zou volgens de spinbaas, Brouwer dus, trouwens gepleegd zijn door Johannes van der Heijde uit Leiden, maar die ontkent dat. Meer informatie dan in brievenboek en notulen van 4 november 1820 is er niet
De ‘de­sertie van drie der onlangs van Delft aange­komene jongens’ wordt genoteerd in brievenboek pc dd 10 oktober 1820. Verder over hen en het Delfts weeshuis in notulen pc dd 16 oktober 1820 en in brievenboek pc dd 18 oktober 1820 waarin melding gemaakt wordt van een brief van de president regent van het gereformeerd weeshuis Delft.

Johannes zijn concept-voorstel wordt genoemd in de pc-notulen van 7 oktober 1820. Het duurt hem weer te lang. En op 10 december schrijft hij aan Van Assen, de secretaris van prins Frederik - die aan die positie waarschijnlijk ook te danken heeft dat hem het honorair lidmaatschap is toegekend - hoe imponerend zo’n orgaan zou zijn, ongetwijfeld in de hoop dat ook vanuit die hoek de koning tot enige haast aangespoord zou worden. En blijkbaar helpt dat, want het brievenboek van 28 december kan melding maken van het koninklijk besluit.

Terug naar boven









NOTEN HOOFDSTUK 08

Raad van policie, bladzij 269

Net als voorgaande jaren wordt ook het nieuwjaarsfeest 1821 zowel beschreven in een brief van Benjamin van den Bosch (dd 3 januari 1821) als in een daaruit afgeleid artikeltje van Ockerse in de Star (januari 1821 pagina 58 ev).

De mededeling van haar installatie en de samenstelling van de raad van policie staat in een brief van de raad aan de pc dd 09 januari 1821. Stephanus van Royen is voor een jaar tot voorzitter benoemd. De burgemeesters van Steenwijk heten Zomer, Tuttel en Middendorp, waarvan de laatste secretaris van de raad is. De schout van Steenwijkerwold heet Fabius. In de praktijk zullen Van Royen, Tuttel en dokter Schuurman precies zo (streng) optreden als de Maatschappij graag wil, waardoor Johanes hen een keer aanduidt als ‘zeg maar de princenpartij’, terwijl Zomer, Middendorp em Fabius zich lankmoediger tonen. Dat is dus drie tegen drie! Zij vragen op 26 januari schriftelijk om nadere instucties.

De instructie van de pc aan de raad is gedateerd 10 februari 1821 en bevindt zich in archief 1614 (de invoernummers 1613 tot en met 1625 gaan helemaal over tucht en toezicht op de koloniën). De ‘Bekendmaking, van wege de Permanente Kommissie aan de kolonisten van Frederiksoord en Willem­soord’ is een dag eerder, 9 februari 1821, zit bij de uitgande post en staat in uitgetypte vorm op deze site..Benjamin schrijft aan de pc dd 13 februari 1821 hierover.

Geneverschulden, bladzij 270

Over het ‘bijna naakt’ zijn van de twee gezinen schrijft Benjamin van den Bosch op 5 januari 1821. Naast Biemans is dat dus Dirk Houtman uit Vlaardingen (zie de noot bij de medailleverdeling in boek bladzij 255, Kolonistenklasse en gezinsklasse). Over hout hakken in een brief op 5 januari, welk stukje overgenomen wordt bij de kolonieberichten in de Star van januari, en de gestremde scheepvaart en het gebrek aan vlas blijken volgens een brief van Benjamin nog op 24 januari te spelen, maar zullen zelfs tot in februari duren, zie verderop.

Het verzoekschrift van Johannes Bosch is gedateerd 15 januari 1821 en is gericht aan Benjamin, ‘Met schuldigen eerbied en innigen hoogachting geve te kenne aan den Here Directeur der colonie Frederiksoord.’ Benjamin stuurt het de volgende dag door naar Den Haag. De pc bespreekt de brief in haar vergadering van 24 januari en maakt een concept-briefje aan Bosch, vreemd genoeg in archief 960, met de tekst ‘24 jan. 1821, De Permanente Kommissie hebbende het rekwest van J. Bosch, in aanmer­king genomen hebbende, dat dezelve reeds zijne schuld op voeding en landhuur heeft afbetaald, en nog bovendien ƒ 22,21 te goed gemaakt heeft, heeft besloten, uit aanmerking zijner ziekelijke omstandigheid van dezelfde toeteleggen tot den eersten mei aanstaande ééne gulden van dit tegoed wekelijks, en reserveert verder aan zich om ten zijnen aanzien nader zoodanige maatregelen te nemen als vereischt zullen worden om in zijne behoefte te voorzien.’ Vervolgens melden de notulen van 9 februari dat Bosch ‘de volstrekt onontbeerlijke kledingstukken’ mag ontvangen.  

Enkele andere kolonisten die de pc vragen om hulp en die in het volgende stukje - Curatele - terugkomen: de weduwe Weender uit Zaandam, de weduwe Vergeer uit Gouda, De Kruif uit Utrecht, De Wals uit Geertruidenberg. De pc meldt in haar notulen van 17 februari de ontvangst van een brief van Benjamin dd 11 februari waarin hij ‘meldt de behoefte van eenige kolonisten aan kleedingstukken’. Eerder, 5 januari, had hij al geschreven over de ‘genever schulden’ en over het uit de kroeg plukken van jonge kolonisten.

Curatele, bladzij 272

De correspondentie van/over Grietje Weender begint met een brief die ze blijkbaar aan de subcommissie Zaandam heeft geschreven, want die subcommissie richt zich - met letterlijke aanhalingen uit haar brief - tot de pc op 19 januari. Blijkbaar was er intern ook al over gesproken, want Benjamin had drie dagen eerder, dus 16 januari, zijn mening over haar situatie al gegeven en zendt daarbij ‘de staat van het genotene en verschuldigde van de weduwe Weender’.

Het verzoek van Geertruidenberg een ingedeelde bij haar kolonist, Jacob de Wals, te doen staat in een brief aan de pc dd 16 januari 1821, met daar bijgevoegd een brief van De Wals aan die subcommissie  (voor hem geschreven door Jacob Baade) van 17 december 1820, waarin hij hetzelfde vraagt, maar een trucje probeert. Hij heeft een kleinkind in huis, Marten Johan Favier, geboren 27-7-14, een zoon van zijn dochter Maria, en hij wil dat die als ingedeelde telt. Op 5 februari adviseert Benjamin de pc dat niet door te laten gaan, want de subcommissie Gorinchem betaalt niets voor het kind. Bovendien is volgens Benjamin het gezin helemaal niet hulpbehoevend en kunnen ze volgens de staten van inkomens prima bestaan.

Gouda schrijft over de klachten van haar koloniste, de weduwe Vergeer, op 15 februari. Dit krijgt later in het jaar een staartje, zie boek bladzijde 302 en verder.

De subcommissie Utrecht had zich vlak daarvoor, op 8 februari 1821, beklaagd over de situatie van hun kolonist De Kruif. Fragmenten uit die brief en het daaropvolgende onderstandsbesluit - best een belangrijk moment in de geschiedenis van de Maatschappij (notulen pc dd 12 februari 1821) - staan op de site. De motivering ‘publieke opinie’ geeft Johannes in het jaarverslag, afgedrukt in Star pagina 576.
De preciese datum van de invoering van winkelkaartjes is niet te achterhalen, maar is of die dag of later. In ieder geval is het niet juist - wat in veel literatuur staat - dat het vanaf het begin de bedoeling is geweest. Dit is weer zo'n misverstand dat is gerezen omdat er bij Johannes zo weinig zit tussen voornemen en uitvoering. De uitleg wat winkelkaartjes zijn staat pas in de Star van september 1821.

Benjamin moet op 7 maart melding maken van de verbroeiing van aardappels. De kolonisten die een eigen wintervoorraadje aardappelen gekuild hadden, hebben dit probleem níet. Volgens Benjamin komt dat waarschijnlijk 'door dien zij deze kuilen van tijd tot tijd moesten open maken, om eenige voorraad voor de dagelijksche consumptie te bekomen’, zodat die aardappelen wél konden uitwasemen.

Over zijn steeds achterstalliger wordende administratie is talloze correspoondentie, bijvoorbeeld een brief van Benjamin van 5 februari waarin hij voorstelt het anders in te richten, maar wel met veel schroom: ‘De menigvuldige bezigheden, die als van alle kanten toenemen, hebben mij niet altijd vergund, mijne mening behoorlijk te ontwikkelen. Wanneer ik mij heb kunnen doen begrijpen, zal ik voldaan zijn en mij gaarne aan de bepaling der Kommissie onderwerpen.’ Het maakt het voor hem niet makkelijker dat de Ommerschans een ander soort kolonie wordt met een ander soort administratie, blijkens zijn brief van 13 februari.
Over de hem belagende schuldeisers op 22 maart 1821: ‘De Kommissie houde het mij ten goede dat ik nogmaals daarop terug kome, dewijl de gevolgen daar van thans onaangenaam worden.’
Over de ijsschotsen die de scheepvaart belemmeren schrijft hij op 23 februari 1821

Ellendige beesten, bladzij 274

Het voorstel tot verbouwing van het logement doet Johannes van den Bosch aan de pc dd 7 maart 1821; besluit permanente commissie in haar notulen van 14 maart 1821. Later; 5 mei, stelt Johannes voor de kamers te behangen, wat ook wordt uitgevoerd. Blijkbaar was het inderdaad hard nodig en had de slechte staat van de herberg mensen doen afzien van een bezoekje aan de kolonie, want de Stars van mei, juni, juli en augustus 1821 putten zich uit in verhalen dat het logement verbouwd is en er nu heel goed te logeren valt.

De preciese stichtingsdatum van Wilhelminaoord valt te stellen op donderdag 5 april 1821. Op 6 april schrijft Benjamin namelijk: ‘Gisteren heeft de Heer Oosterlo een aanvang met de nieuwe woningen in kolonie no.4 gemaakt.’

Het voorstel om kolonisten bij te laten dragen in kerkelijke kosten, komt van Petrus Ameshoff. Hij is bevriend, althans correspondeert, met dominee Jentink van Steenwijkerwold en die was er bij hem over begonnen. Op 10 maart 1821 neemt de pc het besluit tot de invoering van die heffing met daarbij tevens: ‘Besloten het besluit der P.K. omtrent de kerkentaken medetedeelen aan den Heer P. Ameshoff te Amsterdam, ter beantwoording zijner missive omtrent de godsdienstuitoefening in de kolonien.’ Ds Jentink maakt gewag van zijn wantrouwen jegens de boeren in zijn kerkeraad in een brief aan Petrus Ameshoff dd 2 mei 1821, die Ameshoff voegt bij een brief van hemzelf van 4 mei. Ameshoff ondersteunt Jentinks vraag ‘of de kerken­raad daar niet buiten zoude kunne gehouden worden’, maar het is mij onbekend hoe dit afgelopen is.

Op 28 maart 1821 schrijft Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie: ‘De uit Denemarken gekomen reisigers zijn heden naar een verblijf van zes dagen terug gegaan. Zij hebben hunne bijzondere tevredenheid over de geheele inrigting en de bekomene inlichtingen betuigd en waren in het geheel ten uiterste voldaan.’ Verder over dat bezoek in de Star van april en mei 1821 en iets in een brief van Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie dd 8 april 1821.

De subcommissie Middelburg ontvangt van Abraham Koppejan ‘in de maand februarij ll. een vernieuwd verzoek om naar herwaards te rug te keeren’, schrijft zij op 12 april. Daarvoor, op 2 april 1821 had Benjamin aan de pc geschreven: ‘Vrouw Koppejan zal morgen, met het goed haar in eigendom behorende naar Zeeland, terwijl haar man hier blijft tot de Kommissie hem zal gelieven te ontslaan. Den 2 assessor heeft daartoe permissie gegeven.’
In haar brief citeert de subcommissie alle klachten van Koppejan en op 17 mei wordt daarop gereageerd en daarbij is ook een staatje met schulden en verdiensten van Koppejan. Op 4 juni meldt Middelburg dat zij een brief ontvangen hebben waarin Koppejan schrijft toch te willen blijven.

Debougingen, bladzij 276

Op 7 maart schrijft Benjamin dat de wees Gerrit Molen door de raad van policie tot één jaar Ommerschans is veroordeeld. Hij was op 21 januari, samen met de ook door Hoogeveen gezonden Jannes Kruik of Kuik, naar de kerk in Steenwijkerwolde gegaan maar nooit meer teruggekeerd. Er waren die dag nog twee jongeren weggelopen en die waren erin geslaagd de Duitse grens te bereiken, maar Molen en Kruik waren door gerechtsdienaren opgepakt en teruggevoerd. Gerrit Molen is dan vijfentwintig jaar. Jannes Kruik pas 16 en daarom komt die laatste er af met ‘eene ernstige correctie‘.

De toestanden rond Johannes Bosch worden beschreven vanuit:
- een brief van Johannes van den Bosch aan de pc dd 16 maart 1821, en
- een hele lange brief van kolonist Johannes Bosch dd 21 oktober 1821 waarin hij vanuit de strafkolonie Ommerschans terugblikt op alle gebeurtenissen op de kolonie. Die brief is ook de bron voor de volgende paragrafen en komt later in het boek ter sprake op bladzij 309 ev.

Het door de kolonist Bosch aan de generaal overhandigde rekwest is nergens teruggevonden. Het laat zich raden wat Johannes van den Bosch ermee gedaan heeft.

Dit waar mijn ongeluk, bladzij 278

Het door prins Frederik ondertekende plan om nieuwe leden te werven is gepubliceerd in de Star van april 1821, de oproep aan de honoraire en korresponderende leden in de Star van mei 1821. Discussies over ‘de dorpen’ en de geringe belangstelling daar voor de Maatschappij zijn er behalve met de gouverneur van Drenthe onder meer met de subcommissie Medemblik, die het boetekleed aantrekt en schrijft dat ze haar kolonisten tot nu toe te veel uit de stad gehaald heeft, brief van Medemblik dd 13 januari 1821, en met Bolsward dat op 14 maart een enorme brief stuurt over onder meer het verband tussen drankzucht en armoede. Fragmenten daaruit staan op de site.

De ‘kollekte met de zak’ opent in de Star van juni 1821 de daarna regelmatige meldingen van succesjes. Het citaat van de vrouw die haar kind niet naar ‘vreederiksoort’ wil, komt uit G.A. Bontekoe, De relaties van de stad Enkhuizen met kolo­niën van de Maat­schappij van Weldadigheid te Frederiksoord en Veenhuizen van 1818 tot 1849, artikel in Nieuwe Drentse Volksalmanak 83, 1965.

Zie voor de bronnen voor de toestanden rond Bosch de in de vorige paragraaf genoemde brieven.
De opmerking van Johannes van den Bosch over ‘het sterven wel in de zin’ hebben staat in een reactie op kolonist Boschs latere brief dd 8 december 1821.

Zeggende dat ik gedrost waar, bladzij 280

De versie van kolonist Bosch komt uit dezelfde bron als in voorgaande paragrafen en die van Benjamin van den Bosch uit een brief dd 6 april 1821. Op 10 april besluit de pc in haar notulen om aan de de raad van policie te schrijven dat Bosch naar de Ommerschans moet en op 26 april meldt Johannes van den Bosch dat de kolonist zich op de Ommerschans rustig houdt.

Mijne krachten te boven gaan, bladzij 282

Benjamin meldt zijn ontslag in een brief dd 19 april 1821 aan de permanente commissie, hij licht het een week later nog eens toe vanuit Zwolle in een brief dd 26 april. Dan weet hij al dat hij een ongewenste volgende klus krijgt en komt hij met de mooie zinssnede over de koning: ‘eene zijde, die niet gewoon is vele tegen­werkingen te ontmoeten’.
De pc bespreekt een en ander op 27 april en stuurt de volgende dag de gevoelvolle dankbrief.
Johannes van den Bosch schrijft er slechts summier over aan Faber van Riemsdijk. De citaten hier van Johannes komen allemaal uit het jaarverslag later in het jaar, gepubliceerd in de Star van september 1821, over Benjamin met name pagina 673.
Op 10 mei informeert de permanente commissie de koning dat Benjamin van den Bosch terug is naar zijn bataljon. Vanaf 27 augustus schrijft Benjamin af en toe aan de pc over de oprichting van de kolonie in Wortel in België.

Wouter Visser, bladzij 283

Benjamin van den Bosch had Wouter Visser aanbevolen op 7 juni 1820. Nadat de pc op 20 april 1821 de provisionele (voorlopige) aanstelling had goedgekeurd, begint Johannes de nieuwe directeur vanaf 5 mei lof toe te zwaaien en op 2 juni besluit de pc tot de vaste aanstelling wat Visser blijkbaar op 7 juni te horen krijgt, want hij schrijft die dag eerst een brief als ‘fungerend directeur’ en later op de dag een bedankbrief voor het in hem gestelde vertrouwen als gewoon ‘directeur’.
Over zijn instelling bij dit soort werk schrijft Visser, nog als adjunct-directeur van de Ommerschans, aan de onderdirecteur daarvan, luitenant Fenner, in januari 1821 (welke brief zich in gekopieerde vorm bevindt bij een brief van Fenner dd 14 februari 1824).

Vissers ontroering bij Veenhuizen staat in een brief van hem aan de permanente commissie dd 5 juni 1823. Die steen is er gekomen en siert nu de ingang van het Gevangenismuseum Veenhuizen.

Die Amsterdamse kolonisten hadden Vissers irritatie gewekt door na hun aankomst eerst een tijdje de boel aan te kijken, niets op schuld te nemen en de beslissing om te blijven of terug te keren voor zich uit te schuiven. De subcommissie Amsterdam klaagt over hun behandeling en de vreselijke vloeken van Visser dd 11 september 1821.

Die kolonist die de deur voor zich dicht gesmeten kreeg toen hij verlof vroeg was Jacob Kuit. Het wordt 3 september 1822 beschreven door een andere kolonist, Nicolaas Verhulst uit Delftshaven, die vervolgt: ‘Deze man kwam schreijende bij mij, en verzogt voor hem een brief te willen schrijven aan de Hr. Drieling woonende in 's Hage, omdat dien Heer hem zeer wel kende, en ook wel zoude bewer­ken dat er verlof kwam.’ Door het schrijven van die brief raakte Verhulst op zijn beurt weer zwaar in de problemen.

Verkleefd aan den sterke drank, bladzij 285

Begrip voor een keer een borreltje te veel staat bijvoorbeeld in een brief van Johannes van 3 december dit jaar. Vooral de Star van juli 1821 gaat met termen als ‘verkleefd aan den drank’ erg tekeer en de proclamatie tegen misbruik van sterke drank staat op pagina 628 van het blad. Dat het gebruik begint te verminderen schrijft Johannes op woensdag 30 mei zodat hij blijkbaar zondagavond 27 mei kolonisten uit de kroeg heeft geplukt.

De eerste vrije kolonist die wegens dronkenschap voor de raad moet komen is Johannes Kniessenberg, volgens de Star van augustuis 1821. Dat loopt af met drie dagen arrest, maar als hij in maart 1822 opnieuw moet verschijnen, verdwijnt hij voor een half jaar naar de Ommerschans.

De commissie van toevoorzicht besluit volgens de verslagen in de Star elk jaar - in ieder geval 1821, 1822, 1823 - met een bijeenkomst die de verdenking van een onvervalste slemppartij wekt, zonder dat er harde bewijzen voor zijn. Maar ook als men slechts met mate geniet, is het niet eerlijk tegenover de kolonisten die élke vorm van drank wordt ontzegd.

Eind van het jaar loopt het nog een keer mis met een kolonist en drankgebruik. Zie het artikel Meestersmid en geweze kolonist op deze site.

Een der grootste en ongevoeligste luijaards, bladzij 287

De subcommissie Sneek had De Haan op 20 oktober 1818 voorgedragen, de ontmoeting tussen een dronken De Haan en directeur Visser wordt door Johannes beschreven dd 26 mei 1821 en de verdrinkingsdood van een kolonist stond in een brief van Benjamin van den Bosch dd 6 februari 1821, met de reactie van de pc in haar notulen van 8 februari 1821, waarna de Star van maart het ongeval nog eens beschrijft (maar dan zonder De Haan te noemen).
In diezelfde brief schrijft Johannes over de stakende stemmen in de raad - waarbij hij de drie die naar zijn zin gestemd hebben, Stephanus van Royen, doctor Schuurman en burgemeester Tuttel ‘eijgenlijk de Princen partij’ noemt - en stuurt hij het conceptbesluit. Dat wordt prompt op 29 mei door de pc ongewijzigd aan de raad gezonden..

Die verdronken kolonist uit kolonie nr 2 heet Jacobus de Vroeg, afkomstig uit Heerenveen, geboren 1765, op 13 december 1819 aangekomen in de kolonie. Zijn weduwe blijft er wonen en later zullen twee van zijn zonen ook kolonist worden.

Zedelooze dierlijkheid, bladzij 289

Genoemde nadere-instructies voor de raad bevatten ook deze invullingen van het begrip zedeloosheid. Over Rudolfina Wilhelmina de Sturler zie noot bij bladzijde 59, informatie over de verdenkingen jegens Ockerse komen uit Stouten: Willem Anthonie Ockerse (1760-1820) Leven en werk, Amsterdam, 1982.

Dat ‘tegenovergestelde gevoelen’ van Johanes van den Bosch betrof een tweetal zaken, te weten de zwangerschap van Cornelia Strik, voordochter van de weduwe Richmond - zie ook boek bladzij 30 - die zwanger was van de ingedeeld Meyer, en Jacoba van Nieuwenhoven uit Wilhelminaoord die zwanger was van Theunis van Waveren, zie dit stukje. Dit speelt allemaal in juni 1823.

De dochter van proefkolonist Harmeling uit Groningen was waarschijnlijk zwanger van een zoon van kolonist Rausch uit Den Haag, want na haar vlucht staat bij het gezin van Harmeling ook ingeschreven: ‘Frederik Rausch (kleinzoon)’. Het is onbekend of Harmelings dochter, die waarschijnlijk Johanna heette, alleen is gevlucht of samen met de verwekker van haar kind en het is ook onbekend of ze het kind later is komen ophalen.

Enkele dochters van proefkolonisten die dit lot tref zijn verder Catharina Smies, voordochter van de vrouw van kolonist de Ruiter uit Axel, die op 30 december 1823 naar de Ommerschans gezonden wordt en Sijntje van Haften, dochter van de kolonist uit Edam, die op 19 april 1825 veroordeeld wordt.
.
De dochter van proefkolonist Molewijk heet Antje Gesina Molewijk, geboren 11 maart 1803 of 1802 en zij bevalt op 20-06-1823 op de Ommerschans van een dochter. Die datum staat niet in de stamboeken Ommerschans - omdat het kind naar haar grootouders vertrekt - maar komt uit de trouwacte als het kind groot is en zelf trouwt: Vledder, huwelijksakte, 7 maart 1848, aktenr. 3.

De smeekbedes van Antje Molewijk voor haar vrijlating zijn eerst mede vruchteloos omdat ze bij het verkeerde loket is. Op de Ommerschans opgesloten bedelaars moeten hun vrijlating vragen aan de administrateur armenwezen bij het ministerie van binenlandse zaken en daar wendt Antje zich eerst ook toe. Maar die administrateur heeft niets te zeggen over strafkolonisten en dat leidt tot nutteloze correspondentie: administrateur aan de pc dd 21 december 1824, pc aan de administrateur dd 14 januari 1825, met als logisch gevolg een negatief besluit op haar verzoek door de administrateur dd 25 januari 1825. En pas daarna krijgt ze via de hier geciteerde brief van 5 september 1825 aan de pc haar zin.

Vetmesten, bladzij 291

Visser op 30 mei 1821 aan de pc: ‘En haar tevens te berigten, dat hier zijn aan­gekomen, de Heer Falck als adjunkt Direk­teur der 2. classe’. Onderhuidse kritiek op Benjamins administratie staat onder meer in brieven van Johannes van 9 juni (over de missende stukken) en 17 juni (‘derelijk’) en van Visser op 18 juli (‘gebrekkige afschriften’).

Op 17 juni denkt Johanes nog dat alles binnen een maand bijgewerkt zal zijn, maar op 1 augustus heeft hij die gedachte laten varen en schrijft hij dat de administratie de directeur ‘wanhopende’ maakt en dat Visser vermoedt dat het een van de redenen was waarom Benjamin er de brui aan gaf. Als gezegd vond Johanes dat geen rare gedachte en ik al helemaal niet!
In diezelfde brief schrijft Johannes van den Bosch ook: ‘Ik stel derhalve voor de Heer Ameshoff te verzoeken om een paar knappe jonge lieden, voor minder gaat het niet, op te sporen en naar hierwaards te zen­den 6 weken op de proef, om aan ieder van deze ƒ500 jaarlijks toeteleggen. Maar dat hij ons vooral boekhouders en geen copiisten zend.’
Ook in die brief, 1 augustus dus, schrijft hij over vader en zoon Baade en hun ongeschiktheid als administratieve hulpen.

Over de raad van administratie schrijft Johannes op 3 en 16 december en de Star 1822 op pagina 25. Op de navolgende bladzijden staat een beschrijving van de werkzaamheden van het gezelschap. Er staat niet bij of Johannes er zelf ook bij aanschuift, maar hem kennende vermoed ik dat wel.
De persoonlijk schrijver van Johannes is een 30-jarige man die Abraham van Riemsdijk heet, maar voorzover mij bekend geen familie van Jeremias Faber van Riemsdijk is, geboren 31-7-1971 in Amsterdam. In 1822 trouwt hij, in 1823 raakt hij in opspraak door een vechtpartij in het logement, waarvoor hij tot straf drie maanden op half loon gezet wordt (hij werd toen al door Den Haag betaald, zie boek bladzij 355), en eind 1824 wordt hij ziek en overlijdt hij.

Over de ‘korting van 2 stuivers per gulden voor het Administratie-fonds’ meldt de Star 1821 op pagina 579 in een voetnoot: ‘Uit dit fonds worden de geëmployeerden, de ossen, paarden enzv. betaald; het overschot strekt in mindering van ieders schuld.’
Meerdere subcommissies beginnen over de kosten, dit citaat komt van Enkhuizen dd 12 oktober 1822, ook het verweer ertegen komt regelmatig voor, dit citaat komt uit een brief van de pc aan het Nieuws- en advertentieblad te ‘s Gravenhage dd 14 januari 1823, zie ook boek bladzij 343.

Johannes beschrijft de kortstondige carrière van Bichon Vingerhoedt op 29 juli 1821. Gezien de datum zal dit dus een van de door Ameshoff gezonden jongemannen zijn.

Reinheid en betamelijkheid, bladzij 293

De contrôle op de huishoudingen wordt beschreven in de Star 1821 vanaf pagina 899 onder de kop ‘Bepalingen wegens de zedelijke en godsdienstige opleiding, en het school-onderwijs der kolonisten, in de koloniën der Maatschappij van Welda­digheid’, een vervolg op een artikel dat op pagina 584 begint..Zoals uit die kop blijkt, wordt daarin ook het schoolbezoek geregeld.
De lof voor Meeder staat onder meer in het schoolverslag van 6 maart 1822 en met name het gedeelte van de ondermeesters in kolonie 1, Middelboer en Jan Gerards, wat ook leidt tot lof in de Star van die maand.
De verplichting om gemeenschappelijk het land rond de hoeves te bebouwen wordt beschreven in de Stars van juli en augustus, met plattegrondjes van de bebouwingswijze rondom de hoeves op pagina 495 - hoe de kolonist het bij aankomst aantreft - en op pagina 580 - latere bebouwing. Het is zeer de vraag of dat allemaal ook zo gebeurt. Bijvoorbeeld op de proefkolonie hebben de kolonisten vooralsnog maar 700 roeden rond hun huis terwijl de tekeningen uitgaan van 2000 à 2200 roeden. Het maakt ook verder een heel theoretische indruk.

De omvang van de veestapel in de kolonie wordt regelmatig beschreven, onder meer in de Star 1821 pagina 721, de beschrijving van wat sterk lijkt op de gekke koeien-ziekte staat in een brief van directeur Visser van 25 juni 1821, waar Ockerse stukjes voor de Star van juli en augustus 1821 van maakt.

Wat bitters onder de suiker, bladzij 295

Op 2 juni schrijft Johannes aan de pc dat de orde zich begint te herstellen, de dag ervoor had hij het nog over zowel belonen als ­bestraffen gehad, over aanmoediging en geluk schrijft hij op 17 juni 1821.

Het feest om de veertien dagen is het 24ste, en laatste, artikel van het reglement. Blijkbaar blijven die danspartijen in deze frequentie bestaan, want twee jaar later heeft Jacob van Lennep in Nederland in den goeden ouden tijd. Zijnde het dagboek van Jacob van Lennep van een voetreis met zijn vriend Dirk van Hogendorp door Nederland in 1823, M.E. Kluit (ed), Utrecht 1942, het op pagina 126 over ‘het bal dat om de andere Zondag gegeven wordt’.

Over de zondagspartij, de jonge meiden in de bronstijd en de vlasvinken schrijft Johannes op 17 en 23 juni.
Hij begint op 2 juni met opmerkingen over ‘bonten te dragt’ en als zijn poging om het met overreding te keren gefaald heeft, stuurt hij op 11 juni het concept-sermoen en zijn voorstel - met de wens dat prins Frederik medeondertekent - naar de pc. Het sermoen zelf staat ook in de Star 1821 pagina 630.
Nadenkend over mogelijke maatregelen tegen ‘vreemde’ kleding, oppert Johannes ook de mogelijkheid om alle niet-koloniale kleding in beslag te nemen en één keer per jaar allemaal te verbranden.
De resterende plukpartijtjes noemt Johanes dd 8 augustus 1821.

Roomse machinaties, bladzij 298

De kolonist die op deze wijze nieuwkomers voorlicht is volgens een brief van Wouter Visser van 26 juli 1821 Jacob Mollevanger uit Alkmaar. Rond dezelfde tijd houdt hij een soortgelijk verhaal tegen bezoekers van het armbestuur Alkmaar, tegenover wie hij volgens Johannes op 29 juli de kolonie als ‘een poel van ellende afgeschil­dert’ had.

De regionale subcommissie Enkhuizen schrijft over de overleden kolonist en de verhalen die zijn weduwe verteld heeft op 6 juli 1821, waarop Wouter Visser op 14 juli reageert. De overledene heet Roelof Zwaan, fragmenten uit brieven over dit gebeuren staan op de site.
Als Amsterdam vragen heeft gesteld over de terugkeer van haar kolonisten, heeft Johannes van den Bosch het op 4 augustus over de lasterlijke taal op het beurtschip, wat de pc verwerkt in haar brief aan Amsterdam van 8 augustus 1821. Fragmenten daaruit ook in het hiervoor genoemde stukje. Drie dagen later reageert Amsterdam met kritiek op de Star.

Johanes komt net de veronderstelling van een rooms complot op 7 augustus. Daarvoor had hij al vaker, vanaf 3 maart 1821, geschreven over de broer van Muller. Laatstgenoemde is in het begin van het jaar nog de pastoor van Steenwijkerwold en heet na april ‘de gewezen pastoor’.

De twee kolonisten uit Oudewater die zeggen vanwege de afstand tot de kerk terug te willen, genoemd door Wouter Visser op 26 juli 1821, zijn Jacobus Bouwman en Anthony van Puffelen. Ze zullen allebei toch op de kolonie, Wilhelminaoord, blijven. Bouwman wordt zelfs voorgedragen als vrijboer, een dochter van hem trouwt met een zoon van proefkolonist de Wals uit Geertruidenberg.

De nieuwe pastoor van Steenwijkerwold, Schriever, geeft in oktober - als Johannes teruggekeerd is van zijn reis naar Zwitserland en blijkbaar aan Schriever hierom heeft gevraagd - op wat de inrichting van een tijdelijke katholieke kerk zou moeten kosten. Dat wordt door Johanes meegestuurd met een brief van hem van 12 november. Schrievers schatting: ‘Tot dat einde verzocht om te willen opgeven de tot het uitoefenen van onzen godsdienst vereischte benodigdheden; heb ik de eere aan UWHoogwelg. te melden dat de hiertoe benoodigde gelden met het kastje dat het altaar zal remplaceeren, mede hieronder begrepen zijn, zullen aankomen op ten minste vijfhondert guldens, hebbende in allen deele de meest mogelijke bezuijniging onder het oog gehouden om zoodoende die zaak te faciliteren en hiertoe behulpzaam te mogen zijn.’

Laten zich bedienen door de kinderen als prinsessen, bladzij 300

Johannes schrijft niet aan de wees- en armenhuizen zelf over gebrek aan opgeklaardheid en belangeloosheid en vette postjes voor hun neefjes, maar aan prins Frederik en diens secretaris (Van Assen) op 10 december 1820 en 29 maart 1821.

Op internet staat de zeer lezenswaardige correspondentie van zo’n vertrouwenspersoon van het Aalmoezeniersweeshuis. Door de heer Jaap Lucassen is de briefwisseling verzameld tussen het Aalmoezeniersweeshuis en Willem van Barneveld, die vanaf 1811 kinderen uit het huis plaatste bij boeren in de buurt van Hattem. Aanbevolen leeswerk: Via de site www.huiberts.info en dan de zoekterm 'weeskinderen'. Of rechtstreeks:
http://www.huiberts.info/meerstadt/0000009866140ed36/alidafinck/correspondentie.html
Enkele citaten uit die brieven: ‘Ik heb de tijd genomen om eene goede keuze te doen, om aan de welmeenendste Uwer oogmerken te kunnen voldoen / voor zedelijkheid, en goede orde, sta ik in / - ik vordere van hun wederkeerig, dat, waartoe zij, tenaanzien der behoorlijke opvoeding der geplaaste Kinderen verplicht zijn / lieden bij welke zij besteed geweest is, waaren goede menschen / zij lieden verplicht zijn, viermalen in de twee jaren, zich te moeten vertonen aan Uw kantoor.’

De klachten beginnen ongeveer een jaar nadat het systeem van huisverzorgers in mei 1820 van start is gegaan. Directe aanleiding is meestal een bezoekje van de ingedeelde kinderen aan hun oude woonplaats. Dan constateren armbestuurders dat de kinderen er onverzorgd bijlopen. Dat hoeft niet altijd aan de huisverzorgers te liggen, er zijn ook verhalen over kinderen die onderweg hun kleding verkopen en goedkopere vodden aantrekken.
Verder komen dan de verhalen van de kinderen los over de voeding, sommige huisverzorgers geven de kinderen ‘te weinige vleesch-spijzen’. Daarnaast zouden sommige kinderen van hun huisverzorgers harder moeten werken dan ze op kunnen brengen, terwijl anderen juist weer ‘leediglopen’ en ‘in ‘t wild omdwalen’. Een andere klacht is dat er niet wordt opgetreden tegen ‘het hoofd-zeer’ en daarnaast natuurlijk alles met betrekking tot het zedelijk voorbeeld dat de huisverzorgers aan hun pupillen geven.
Een van de eerste klagers is de schout van Koog aan de Zaan die op 21 april 1821 schrijft. Hij is ook degeen die een brief krijgt van een bestedeling die liever in dienst gaat, 31 januari 1822. Over de relatie van die schout met de kolonie staat een stuk op de site.
Verder ondemeer Harlingen: brievenboek 14 januari 1822, brief pc aan Visser dd 26 januari 1822, diens antwoord aan de commissie dd 30 januari 1822 en een brief van de pc aan Harlingen dd 5 februari 1822. Maar er zijn veel meer die zich roeren. De stroom rijst heel 1821 en bereikt midden 1822 het hoogtepunt. Zie in het boek bladzij 328-329.
 
Er is ook een huisverzorger die een wees van vijf (!) jaar brieven waarin om geld gevraagd wordt laat schrijven naar een Amsterdamse notabel.

Johannes neemt midden 1821 een eerste actie tegen huisverzorgers die niets uitvoeren. Hij zet de wijkmeesters op stukloon. Ze krijgen wekelijks dertig cent ‘voor ieder huisgezin van wezen waar van de verdiensten 6 gulden of daar boven per week bedragen; wanneer de verdiensten minder mogten bedragen, zal aan hun voor zoodanig huisgezinnen niets worden uitbetaald’.
Maar ook door de wijkmeesters achter hun broek aangezeten doen ze niks. De volgende maatregel. Als een gezin met wezen schulden maakt, is de huisverzorger verplicht zelf 24 stuivers per week bij te verdienen. Meteen zeggen een paar hun betrekking op en keren huiswaarts. Zie een stuk over de Harlinger Leba op de site.
De rest krijgt Johannes door deze nieuwe bepaling tot enige werkzaamheid. Maar dat zegt nog niets over de kwaliteit van hun zorg voor de weeskinderen.

Armoede veroorzaakt door overbevolking, bladzij 302

De verklaring te zullen blijven - waarin en passant ook weer beloofd moet worden de koloniale kleding te zullen blijven dragen - staat in een brief van directeur Visser van 14 augustus 1821. Johannes had twee maanden eerder, getergd door de vele mensen die na aankomst meteen weer uit Willemsoord vertrokken, aangedrongen op zo’n soort verklaring.

Van de bij de weduwe Vergeer ingedeelde jongeling die weggestuurd is verhaalt het boek op bladzij 115 ev. Het door haar als eigen dochter opgevoede meisje is bij aankomst 19 jaar en heet Jaantje Wester. Die was er al een keer eerder vandoor gegaan voor ze definitief wegbleef. Haar dochter is Janna Vergeer die het tweede kolonie-huwelijk sloot op 20 mei 1820 (boek bladzij 244) met de ingedeelde bij Weender, Frans Looimeier. Haar zoon heet Sent of Cent Vergeer die al eerder in het boek genoemd is in verband met Tuitje of Geertruda Bodenstaf (bladzij 166) en die dit voorjaar, 28 april 1821, met haar getrouwd is.

Over Janna Vergeer en Frans Looimeijer is onder meer correspondentie van Gouda op 8 september, Wouter Visser die bij de weduwe Weender geïnformeerd heeft en haar mening geeft op 11 oktober en Zaandam op 29 oktober. Op 4 december tenslotte deelt Wouter Visser mee: ‘Voorts heb ik de eer de Permanente Kommissie bij deeze te berigten dat, de persoon van Frans Lomeijer op advijs van Zijn Hoog Ed Gest den Heer 2e Adsessor is geplaatst in kolonie no.3 als hoofd des huisge­zins van wijlen Loggiers.’ De huisverzorger Loggers was kort daarvoor overleden.

Rond Sent Vergeer en Tuitje Bodestaff speelt het iets later. Gouda schrijft op 22 juli 1822 dat hij zich op de kolonie niet getolereerd voelt, waar 4 augustus door Visser op gereageerd wordt. Op 13 oktober van dat jaar wordt hij in Willem­soord geplaatst als huisverzorger over een aantal kinderen uit Dordrecht, als opvolger van de man die een weesmeisje met een touw met knopen had geslagen (boek bladzij 334).
De ontmoeting van de twee huisverzorger geworden jongeren met Christiaan Sepp wordt door Sepp beschreven in de Star van april 1823.

Zachte tranen, bladzij 305

Johannes stuurt het voorstel van een financiële beloning bij de medailles op 1 juni 1821 aan de pc. Daarna herhaalt hij een paar keer het verzoek er haast mee te maken, oa in brief van hem aan de pc dd 17 juni en met de opmerking ‘daar de regime tegen­woordig gestreng is enzov’ in brief aan de pc dd 3 juli 1821.

Wouter Visser stuurt op 11 juli 1821 een voordrachtslijst. Omdat hij dan pas drie maanden is dienst is heeft hij die vermoedelijk samen met Johannes opgesteld. Die lijst is niet gevonden, maar zal waarschijnlijk hetzelfde zijn als het overzicht van de medaille-verdeling dat in de Star 1821 pagina 680 en verder wordt gepubliceerd. Het blad doet verslag van de uitreiking vanaf pagina 724.

De Zwolse weduwnaar Hendrik van Ommen, die sinds Johannes Bosch naar de strafkolonie is gegaan met ongeveer 66 jaar de oudste kolonist is, krijgt beloond voor ‘ijver naar zijn vermogen’. De jonste kolonist, Klaas Visser, die twee jaar geleden werd afgezet als onderopzichter, schijnt weer een beetje in de gratie te komen gezien de beloning ‘wegens zijn toenemend goed gedrag’.

Op 16 oktober 1822 schrijft Wouter Visser over het ‘onaanzienlijk’ geworden diploma van Molenaar, die dan al als hoevenaar bij de Ommerschans woont, dus die Visser aangeschoten zal hebben toen die de vesting bezocht..

Instituut van landbouwkundige opvoeding, bladzij 307

Op 21 augustus 1821 schrijft Wouter Visser aan de permanente commissie: ‘(...) en dat nu weder door den Heer Oosterloo een begin is gemaakt met bouwen van wo­ningen in no.6, waardoor ook daar, eerlang, zelfs binnen weinige dagen, eenige tot den ontvang van kolonisten in ge­reedheid zullen wezen.’

‘Goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 28 augustus 1821 no. 79' en ook opgenomen in de Star van september 1821, pagina 715 zijn de ‘Voorwaarden waarop de Perma­nente Kommissie van Welda­digheid bereid is voor de overneming van bedelaars te kontrakteren’.

Johannes schreef al over de ‘zeer verre uitzigten’ en over het landbouwkundig instituut in een brief aan prins Frederik dd 10 december 1820 en gaat er op door in het jaarverslag van 16 augustus 1821 en in De Star van september 1822.

Wouter Visser schrijft op 16 september dat hij aardappelen naar Amsterdam heeft gezonden en nog meer gaat zenden, in de vergadering van 17 september constateert de pc de lage prijzen. Johannes meldt zijn terugkomst in brieven aan de permanente commissie en aan W.A. Ockerse dd 11 oktober 1821 en dan constateert hij ook dat het met aardappelen verkopen niet wil lukken. Dat de permanente commissie hem een budget van 125 gulden verleent om experimenten uit te voeren, komt uit Kloosterhuis pagina 193.

En geeft hem zijn arbeidsloon niet, bladzijde 309

De gegevens in dit stukje komen uit een brief van Wouter Visser aan de permanente commissie dd 20 december 1821, waar bij gevoegd zijn de brief van Johannes Bosch aan de heren burgemeesteren van Amsterdam van 27 oktober en een verslag van luitenant Fenner van zijn ondervraging van Bosch op 11 december. Het zit allemaal bij 20 december. Een stukje over de ondervraging door Fenner van Bosch staat op de site.

Die het op de gewone verstrekking geheel laten aankomen, bladzij 311

Op 3 december schrijft Johannes over kolonisten die het helemaal op de gratis verstrekking laten aankomen, op 8 december achrijft hij dat er door de overplaatsingen naar de strafkolonie binnenkort nieuwe gezinnen gestuurd kunnen worden, ‘daar er denkelijk wel meer luijaards van hier naar toe zullen marcheren’, de formulering bij de veroordeling van Houtman komt uit de Star december 1821. Overigens wordt in de Star geen melding gemaakt van alle gezinnen die naar de strafkolonie gaan, blijkbaar vond men het een beetje veel om openbaar te maken. Dat de kinderen beter gereinigd worden door het scheiden van hun ouders wordt beschreven door directeur Visser op 26 januari 1822.

Terug naar boven









NOTEN HOOFDSTUK 09

Gepaste en ordelijke vrolijk­heid, bladzij 315

De directie stuurt met enige regelmaat staten met het aantal inwoners per kolonie, die eens in de zoveel tijd in de Star gepubliceerd worden. Bijvoorbeeld december 1821:
‘De gezamenlijke bevolking der koloniën was den 1 dezer:
kolonie no.    1.                383 zielen
        2.                363
        3.                738
        4.                460
        5. (Ommerschans)         29
        6.                161
                                       
                Totaal        2,134 zielen.’

. Onder ‘zielen’ worden zowel kolonisten als ingedeelden als ambtenaren begrepen.

Over de onderhandelingen met Brussel gaan de pc-notulen van 9 februari 1822, het contract met Delft wordt genoemd in de Star van februari. Delft wil ze alvast sturen, maar dat lijkt Johan­nes geen goed idee. Zolang de nieuwbouw er niet is, blijft het vluchtge­vaar te groot. Delft besluit wel ze alvast op te pakken en dat had ze beter niet kunnen doen. De bedelaars blijven meer dan drie maanden in het stadhuis opgesloten, wat tot veel hinder en rumoer leidt.

Johannes stuurt op 6 april het bestek voor de nieuwbouw. Dat oorspronkelijke bestek is verloren gegaan, beschrijvingen van het gebouw komen uit andere bronnen, onder andere de Star 1822 pagina 562 plus 720 ev.

Over het onderwijs schrijven in 1822 de schoolmeesters regelmatig een verslag, wat wordt samengevoegd en soms van commentaar voorzien door Van Wolda. De informatie over het onderwijs hier en verderop in dit hoofdstuk is afkomstig uit die verslagen. Ze werden aan de permanente commissie gestuurd op 6 maart, 5 april, 8 mei, 7 juli en 5 september 1822.

Geen blixem op mij te zeggen, bladzij 317

De zes kolonisten van het eerste uur die naar kolonie 7 gaan zijn Jan Berends uit Assen, Jan Burks uit Goes, Hendrik Gerrits uit Kampen, Walraven van Haften uit Edam, Gerrit Hogenberg uit Weesp en Lucas Lucassen uit Nijmegen. De drie anderen die gaan zijn Jan Vermey, Hendrik Pompe en Cornelis van Os. Hun namen staan in Star 1822, pagina 567/568. De plek waar ze naartoe gaan wordt afwisselend omschreven als Doldersum, Groot Wateren en Boschoord.
Het is onbekend wanneer de negen gezinnen precies naar Wateren/Doldersum/Boschoord toe gaan. Het besluit ertoe,  ‘Besluit der Permanente Kommissie, omtrent het verplaatsen der huizen, en emploi der gronden in kolonie no.1, die ontruimd staan te worden, door de plaatsing van eenige kolonisten, als huurders, op kleine hoeven der Maat­schappij, buiten dezelve gelegen; genomen 8 november 1821', staat in de Star 1821 pagina 892 en spreekt van verplaatsing ‘volgend voorjaar’. Eind mei 1822 zijn ze er in ieder geval want Jan Berends krijgt een dochter en in de geboorteakte (gemeente Vledder, akte 26 van 1822, aktedatum 3 juni 1822, geboortedatum 30 mei 1822) staat als geboorteplaats Doldersum. De citaten over ‘ter voorkoming dat aan de kolonisten geen sterke drank verkocht worden’ e.d. komen ook uit het hiervoor genoemde besluit.

Het verhaal over Gradus of Gerardus Lucassen staat in het schoolrapport van 5 april.

De klachten over Schnatz worden verwoord in het schoolrapport van 6 maart en een brief van Visser van 17 april. De eerste boekhouder van kolonie 7 is Frederik Donker, die echter in juni 1822 al overlijdt. De eerste onderdirecteur is ene Jalvinck, maar die wordt al snel ontslagen en opgevolgd door Lambert Nijenbansing, aanbevolen door Stephanus van Roijen.

Sla ik tusschen hals en nek, bladzij 320

Het is onbekend wanneer Johannes van den Bosch op Westerbeeksloot gaat wonen. Volgens Kloosterhuis al direct na het ontslag van zijn broer als directeur in april 1821, maar zijn brieven komen pas een half jaar later stelselmatig vanuit Frederikksoord. Weer iets later komt er vaker ‘onze’ bij de hartelijke groeten te staan. ‘Beneffens Mina’ staat in een brief van Johannes van den Bosch aan W.A.Ockerse dd 26 mei 1823, dus een half jaar voor de bruiloft.

De diverse huwelijken: Gijsbert Falck en Cecilia Aletta Bernardina de Sturler (21 jaar oud) op 18 april 1822. Wouter Visser en Constantia Daniella Elisabeth de Sturler (gedoopt op 18 september 1799), plus Johannes van den Bosch en Rudolfina Wilhelmina de Sturler op 28 oktober 1823.
De uitval van Johannes over schuldeisers die hem lastig vallen is van 29 mei 1822

Gevolgen van thans genotene welvaart, bladzij 322

Benjamin had op 5 januari 1821 gewaarschuwd voor de gevolgen van gestegen welvaart en dit jaar besteedt de Star van juli - ‘thans genotene, te voren ongekende, wel­vaart’ - er aandacht aan. Het ‘hondenbesluit’ staat in een brief van Johannes van den Bosch aan de pc dd 29 april 1822.
Over ‘liedjeszangers, liedjesverkoopers en andere om broodrijzende muziekanten’ gaat het schoolverslag van 28 maart 1822, met kanttekening erbij van directeur Visser, waarop de pc besluit dat ze niet op het kolonieterrein mogen komen maar zelf al opmerkt dat dat weinig uit zal halen en ze op de openbare weg .ook kolonisten kunnen bereiken.
De kolonist uit Almelo heet Hendrikus Krabshuis en directeur Visser schrijft over zijn kennelijke staat op 28 maart en 17 april 1822. Uit de laatste: ‘(...) dat de kolonist Krabshuis, belooft hebbende geen sterken drank meer te zullen gebruiken, aan hem overeenkomstig het gevoelen der Permanente Kommissie het dragen zijner medaille wederom is toegestaan’: Over Tersmetten in een brief van directeur Visser dd 7 juli 1822. In het jaarverslag, archief 989 en  Star 1822 pagina 566, houdt Johannes hen nadrukkelijk naamloos. Over de koloniale kleding gaat het in de Star van mei

Het weinigtje geld, bladzij 324

Koppejans briefje aan Johannes, eindigend met ‘mijn hartelijke begeerte is UE gevoelens hier van te mogen weten. In hope en verwag­tingen hiervan blijve ik met hoogachting’, is ongedateerd, maar is gevoegd bij een brief van Wouter Visser op 13 april 1822.
Beschrijvingen van wat Johannes op 8 december 1821 noemt ‘zonderlinge snaken’ die naar de kolonie gezonden worden, staan op diverse plaatsen. Hier zijn gebruikt brieven van Visser op 10 juni 1823 (‘onwijze’) en 15 augustus 1823 (‘verdichtsel’). Meer fragmenten uit deze brieven en over deze (Texelse) kolonisten staan bij de archiefstukken van juni 1823.
De term 'zinneloos' komt overigens ten aanzien van meeredere kolonisten regelmatig voor.
De ‘braven voedster van mijn zoon’ heet Noorberg. Zij overlijdt al in 1824 en dan haalt Ameshoff - ‘De vrouw toch bezat het meeste verstand, en zonder haar is het daarzijn van Noorberg daar langer onmogelijk’- het gezin terug.

Contagieus, bladzij 325

Dokter Schuurman doet verslag van het verloop van de ziekte en zijn bestrijding ervan in verslagen die zijn gedateerd 16 mei, 16 juni en 16 juli 1822 en die zijn gepubliceerd in de Stars van die maanden, respectievelijk pagina 409, 479 en 557.  Volgens hem zijn ‘febres rheumaticae’ de eerste verschijnselen. ‘Na verloop van eenige dagen vertoonden zich bij de meesten gastrische stoffen in de maag.’ In een enkel geval acht hij daarbij een aderlating noodzakelijk. Met ‘uitwaseming-bevorderende dranken’ doet hij de ‘rheumatieke pijnen’ verdwijnen, ‘nerveuse symptomen’ bestrijdt hij met ‘Kampher en Hyosciamus’, bij ‘een beslagen tong’ komen ‘zachte lakseermiddelen’ goed van pas en hij grijpt meteen in bij het bespeuren van ‘een turgor in primis viis, welke tot rijpheid scheen gekomen te zijn’.

Uit zijn beschrijvingen heb ik niet kunnen afleiden hoe we de besmettelijke aandoening heden ten dage zouden noemen. De symptomen passen niet bij de cholera; die ziekte zou de kolonie pas tien jaar later bezoeken en er veel ernstiger huis houden.

In het jaarverslag, archief 989 en gepubliceerd in Star 1822 pagina 565, beweert Johannes dat er ‘slechts weinige (4) lijders daardoor ten grave gesleept’ zijn. Dat is dus niet waar. Ook dokter Schuurman noemt het getal van vier en beweert bovendien dat twee daarvan vooral aan ouderdom gestorven zijn, wat typisch is omdat ze jonger zijn dan de dokter! Kortom, men neemt het rustig houden van de gemoederen erg serieus.

Uit de overlijdensakten Vledder in deze periode komen de volgende overledenen: Frederik Donker (boekhouder, 36 jaar), Antje Ellens (39 jaar, echtgenote van Klaas Tijmes), Geertje Davids Hartog (41 jaar, echtgenote van Pieter Arends), Albertje de Leeuw (50 jaar), Maria Geertruda Liebert (44 jaar), Henderika Lodewegen (30 jaar), Hendrik Hendriks Middelboer (hulponderwijzer, 22 jaar), Anthonie Muis (31 jaar), Antje Reinders (42 jaar), Anthonie Uhl (55 jaar), Jantje van der Vlist (36 jaar, echtgenote van Jan Vermey, de opvolger uit Gouda van de weduwe Vergeer), Stephanus Jansen Vrijhoef (winkelier en ex-wachtmeester 58 jaar),

Warm om het hart, bladzij 327

Die winkelier zonder weegschaal heet Koppe en hij wordt door Wouter Visser beschreven op 19 augustus en op 30 september 1821, in welke laatste brief: ‘hier bevond ik dat de rijst welk per pond betaald wordt, niet gewogen  maar gemeten wierdt’. Diverse kolonisten, met name Kniessenberg, hadden al verdenkingen jegens de winkelier geuit.
Over de Leeuwardense kinderen schrijft Visser op 6 juni 1822. Ze komen dan onder de hoede van Johan Henrich Horst, geboren 16-10-1765 en Johanna Jacoba Smitsart, geboren 26-12-1767, dus allebei in de vijftig, bij wie in de rode boeken van Kloosterhuis over vele jaren een hele lange lijst met ingedeelden staat. Ze hebben ook eigen kinderen, een dochter trouwt met een zoon van proefkolonist Molewijk uit Arnhem en dat stel wordt ook kolonist.

Het jongetje Johannes Verwer, leeftijd onbekend, maakt aardigheden voor zijn pleegmoeder Poelstra, uit een brief van Wouter Visser dd 27 december 1822. Over de verleiding door Thérèse Olijve van de ingedeelde Arie Petter of Vetter schrijft Visser op 7 december met bijgevoegd een brief vol verontschuldigingen van de ‘verleidster’ en Johannes, die eigenlijk vooral medelijden heeft met de vrouw, op 15 december 1821. De huisverzorgster die het met een wijkmeester zou hebben aangelegd komt uit Kampen en weigert ook consequent om koloniale kleding te dragen. Op 26 april 1821 stuurt Visser een proces-verbaal van de raad van opzieners in Willemsoord waar wordt geconcludeerd dat zij de kolonie moet verlaten, wat kort daarop ook gebeurt.

Deserties staan in heel veel brieven van Wouter Visser aan de permanente commissie in het voorjaar van 1822. Op 24 maart 1822 schrijft hij over het gerucht en vult hij dat verder in: ‘dat zij daar veel geld ver­dienen met horologiënlo­pen enz.’ Op 7 april schrijft hij dat hij ‘de afgelopen week’ de jongens heeft meegenomen om toe te kijken bij het pak slaag.

Harderwijk meldt zich op 4 maart 1822 en wordt meteen de volgende dag door de pc afgepoeierd.

Over de verzending van de uitgeperste haring schrijft Petrus Ameshoff op 14 februari 1822. Op 10 maart 1822 schrijft directeur Wouter Visser: ‘Voorts heb ik het genoegen de Permanente Kommissie te informeren dat, de uitgeperste haring van Monnikendam (...) hier is aangeko­men, zullende daar van een doelmatig ge­bruik worden gemaakt.’ Wat dat doelmatige gebruik is (consumptie?? bemesting??) omschrijft hij helaas niet, waardoor onbekend blijft wat met uitgeperste haring bedoeld wordt. Het Visserijmuseum Vlaardingen is voor ons op zoek geweest naar de betekenis van de term, maar uiteindelijk bleek de uitdrukking 'uitgeperste haring' nooit eerder of elders gebruikt te zijn!
Monnikendam doet verslag van haar bezoek aan de kolonie op 25 juni 1822. In volgende brieven blijft de subcommissie op hereniging aandringen (bijvoorbeeld 23 juli 1822) en dat gebeurt dan ook, maar zelf blijft de stad in gebreke doordat zij geen huisverzorgers kan leveren (6 september 1822).

De subcommissie Stavoren bericht op 12 april 1822 over haar opheffing, over stagnerende contributie-inning in Heerenveen schrijft Van Royen op 16 april 1822 en Johannes klaagt over Almelo op 17 september 1822. Om meer activiteit daar te krijgen, benadert hij de Almelo’er Ainsworth.
De pijnlijke ervaringen in Amsterdam worden door de subcommissie beschreven op 27 juli 1822 (‘onaangename en smadelijke bejegeningen’) en op 8 oktober 1822 (de bediende).

Slaven, bladzij 330

Oorspronkelijk was de bedoeling om rond de Ommerschans een kolonie als de andere te stichten. In 1820 meldt Benjamin nog dat er voor 50 hoeves grond is afgebrand. Wanneer het idee gekomen is om er grotere boerderijen neer te zetten is onbekend. Deze beschrijving komt uit de Star van juli 1822.

De aankomstdatum van Molenaar op de Ommerschans en verderop de andere aankomstdata van hoevenaars staan in het stamboek van hoevenaars, archief 1579.

De fout van vrouw Molenaar wordt beschreven in een brief van Wouter Visser op 17 november 1822. Harmeling en Westerveld betrekken hun hoeves op 13 augustus 1822. Dat Harmeling niet kan schrijven blijkt uit de ondertekening van een proces-verbaal uit kolonie 5 dat op 2 maart 1825 aan de permanente commissie wordt gezonden, waar staat ‘X - dit is het handmerk van Harmelink verklarende niet te kunnen schrijven’ En dat Jan Westerveld niet kan schrijven, blijkt uit de huwelijksacte van zijn zoon Hendrik op 4 oktober 1836. De echtgenote van Jan Westerveld is trouwens wel alfabeet, zij zal nog een heel epistel aan de permanente commissie schrijven, kort genoemd in boek bladzij 354.
 
De vrijlating van de jongeren en gezinnen wordt later beschreven in een brief van luitenant Fenner van 14 februari 1823. Het staat ook in de Star van 1822, pagina 616-618, maar alle data die daar genoemd worden over hun eerdere aankomst op de Ommerschans zijn incorrect. Het citaat over ‘deze proeve’ komt uit het jaarverslag, ook gepubliceerd in de Star 1822 pagina 597.
Volgens Fenner was het een dolle rit geweest omdat de vrijgelatenen tegen zijn zin geld meegekregen hadden. Ze zouden dronken door Steenwijk getrokken zijn en de ingehuurde voerman had het zo bont gemaakt dat een van de paarden na terugkomst afgemaakt moest worden.

Een van de vrijgelatenen is het weesmeisje dat ooit vanuit den Haag, omdat het Amsterdamse Aalmoezeniersweeshuis niet wilde, was meegekomen met Rigagneau. Toen de ‘swaar gebroken’ Rigagneau en zijn alcoholische echtgenote weggestuurd waren, mocht het volgens Benjamin ‘propere en vlijtige meisje’ (10 januari 1819) op de kolonie blijven. Ze was toen zestien en kwam na een tijdje bij huisverzorger Smit in huis. Drie jaar later werd ze naar de strafkolonie gezon­den.‘uithoofde van haar gedrag met een gehuwd man buiten de kolonie no.1' (dit wordt pas vermeld bij haar ontslag uit de Ommerschans, door Wouter Visser op 5 augustus 1821). Daar, temidden van een heleboel gedeserteerde en weer teruggevoerde leeftijdsgenoten, had ze zich eerst ‘aan meer dan eene ondeugd schuldig gemaakt’, maar daarna haar leven zo gebeterd dat ze naar Frederiksoord en huisverzorger Smit terug mag. Ze heet Elisabeth of Betje Liefman of Leefman, en gaat.juni 1823 met ontslag.

Besloten is bij de Ommerschans een detachement militairen te legeren, ‘en een man beneffens een gezadelt paard er in gereedheid te houden, om dadelijk de zodanige te agterhalen, die als voort­vlug­tig gesignaleert zoude worden.’ Op de vrije koloniën krijg je onderstand als het tijdelijk tegenzit, het belangrijkste kenmerk van bedelaarsinstituut en strafkolonie is dat ‘letterlijk niets verstrekt wordt dan hetgeen door arbeid verdiend is’. De enige uitzondering op de regel is de ziekenzaal, maar er zijn andere redenen waarom een mens daar beter niet terecht kan komen.

Verzeilt stellig het schip op de klippen van hoogmoed, bladzij 332

Het bezoek van de koning wordt beschreven in het septembernummer van de Star en op 20 september schrijft prins Frederik hoe tevreden zijn vader was.

De brief van Enkhuizen is van 12 oktober 1822. Het irriteert de Maatschappij vooral dat de Enkhuizense bezoeker, secretaris O. Van Tricht, op de kolonie was terwijl daar ook twee leden van de permanente commissie aanwezig waren en toch op eigen houtje op onderzoek is uitgegegaan. Zij vraagt zich later af waarom ‘Zijn Ew., in loco zijnde, zich ter bekoming van de noodige ophelderingen niet aan één onzer beide leden, destijds aldaar tegenwoordig, had geadresseerd’. Overigens is de brief van Enkhuizen helemaal niet zo dodelijk, er staan ook diverse positieve beoordelingen van de kolonie in. Bijvoorbeeld: ‘De gezonde kleur en zigtbare ligchaamswelvaart toonden genoeg dat de lof der kolonisten over de middelen van voeding met de waarheid overeenstemde.’ Zie ook het volgende stukje.
De brief dd 22 december 1822 van Enkhuizen die volgt op de reactie van de pc is een hoogstandje - het kan ook zijn dat ze in plaats van twee maanden verbluft te zwijgen de hele tijd aan het formuleren waren - en fragmenten eruit staan op deze site.

De twee huisverzorgers die Wouter Visser in een brief op 24 november voorstelt te ontslaan zijn Ganzinga uit Vlissingen en de weduwe Koster uit Hoogeveen, de eerste wegens drankmisbruik, de tweede omdat zij niets doet, al is daar een verrontschuldiging voor: ‘als zijnde door hare jaren niet in staat werk van eenig aan­belang te verrigten, van het eigentlijke vrou­welijke huiswerk als stoffen, naijen enz. kan zij niets’..

Johannes van den Bosch schrijft op 14 oktober 1822 over de mishandeling van het weesmeisje. De publicatie staat in de Star van november 1822 en luidt: ‘Ook is den huisverzorger a. van schaïk, in kolonie no. 3 die zich veroorloofd had, om één der bij hem ingedeelde weesmeisjes met een touw met knoopen zoodanig te slaan, dat rug en armen daarvan de kenmerken droegen, hebbende hij nog boven dien stout weg zijne demissie durven vragen, - uit hoofde van dit verregaande wangedrag, het verder verblijf in de koloniën ontzegd en hij van daar verwijderd geworden.’

Met onze lieve kleinen verbrijzeld te worden, bladzij 334

De positieve zinssneden in het begin komen uit de hiervoor genoemde brief van Enkhuizen van 12 oktober 1822, die dus echt niet zo negatief was. Alles over het onderwijs staat in de verslagen van 6 maart, 5 april, 8 mei, 7 juli en 5 september 1822. Zie noot bij bladzij 315-316. Vissers verontschuldiging dat hij kinderen van school houdt vanwege het aardappelrooien heeft hij op het verslag van 8 mei erbij geschreven.
De lijst met leerlingen die in 1822 goede vorderingen gemaakt hebben stuurt Van Wolda op 19 februari 1823 in een soort jaarverslag over het afgelopen jaar..Er staan bijna tweehonderd leerlingen op. Naast de in het boek genoemde kinderen van proefkolonisten ook nog:
Pieter Alblas, Jochem en Schelte en Wietske Brandsma, Keetje en Neeltje Dijkshoorn (opvolger Rigagneau), Elizabeth en Theodora Geraets (= Gerards), Jelle en Gerrit en Klaas Gerritsma, Kasper en Mietje van der Heide, Betje en Izaäk Hoofien, Dirk en Kasper Hopman (opvolger Metz), Jan Jansen, Jansje Klaver, Dientje en Jan en Maria Molewijk, Arie Rausch, Jan Jozef en Mietje Rikmond, Rokus Smies (voorkind van vrouw van De Ruiter), Jantje Visser, Klaas de Vries, Grietje en Susanna Weener (= Weender).

De lijst met 170 chronische spijbelaars is helaas niet teruggevonden, Van Wolda verwijst er alleen naar..

Het afwimpelen van andere geloofrichtingen doet Johannes onder meer in een brief van 11 oktober 1822 aan baron Palland van Keppel. Dat bijna iedereen een ingedeelde heeft, meldt Visser op 30 juni 1822. Johannes beschrijft de gezonde koloniale jeugd in zijn bijdrage aan het jaarverslag 1822, archief 989, ook gepubliceerd in de Star van augustus 1822, en uit diezelfde bron - pagina 572 - komt de prachtige zin over aardappelen: ‘Dezelve staan zeer tierig’.

Alle kolonisten op van Puffelen na, bladzij 336

Johannes van den Bosch heeft al eerder aan de permanente commissie geschreven over de mogelijkheid van aardappelbrood, maar over het welslagen van zijn experiment en over het voorstel een bakkerij op te richten schrijft hij aan de permanente commissie dd 30 september 1822. Over de definitieve oprichting van de bakkerij schrijft hij op 4 januari 1823 en 6 januari 1823. Alle hierop betrekking hebbende citaten komen uit deze brieven.
Overigens is het de vraag of hij helemaal uitgeëxperimenteerd is: zijn mededelingen over de samenstelling van het brood wisselen nogal. Elders, Star 1823 pagina 605, zegt hij dat het bestaat uit 1 deel rogge en 3 deel aardappelen. Ik houd me bij zijn eerste melding.

Het geschil met Friesland is begonnen met een brief vann gedeputeerde staten die niet teruggevonden is. Wel is er de reactie erop van de pc dd 6 december 1821, de reactie er op van Johannes van den Bosch van diezelfde datum (‘op zijn best 20 families’), het antwoord van gedeputeerde staten dd 12 februari 1822 met bijgevoegd een brief van grietman Van Heloma van de grietenij Weststellingerwerf en een brief van de permanente commissie aan gedeputeerde staten van Friesland dd 4 maart 1822.

Particulieren uit de omgeving kunnen er dan wel om vragen, maar Johannes staat niet toe dat het aan hun verkocht wordt, ‘daar ik anders ongelegendheden met de ontvangers vrees’.

Over de goede smaak van het brood blijft Johannes aan de pc schrijven, bijvoorbeeld - ‘zuivere rogge’ - op 7 juli 1823, als hij op de vergadering van de commissie van weldadigheid van 15 juli 1823 heeft betoogd dat het aardappelbrood in de eerste plaats smakelijker is, voegt hij toe: ‘tot betoog van het eerste veroorloven wij ons eene proeve hiervan aan te bieden’, jaarverslag, ook in Star 1823 pagina 605.

De subcommissie Dordrecht protesteert op 17 juni 1823 tegen de paardebonen, waarop de pc zich op 22 juli verweert. Nog op 16 januari 1824 zal de schout van Koog aan de Zaan klachten van zijn pupillen over de bonen doorgeven, maar dan worden ze allang niet meer verstrekt.

Over aardappelbrood belegd met aardappelen schrijft de subcommissie Monnikendam op 5 december 1825.

Uit de wind zijlen moest gaan, bladzij 339

Arends en Tijmes komen volgens het stamboek, archief 1579, op 11 oktober 1822 aan op hun boerderijen. Domenicus Meeder op 26 november 1822.
Geertje Davids Hartog, echtgenote van Pieter Arends, is overleden op 20 mei 1822, oud 42 jaar, overlijdensakte Vledder dd 22 mei 1822, aktenummer 12. Antje Ellens, echtgenote van Klaas Tijmes, op 29 mei 1822, 40 jaar oud, overlijdensakte 30 mei 1822 Vledder, aktenummer 13. De met Tijmes meeverhuizende ‘huishoudster’ is Antje van Haften, dochter van Walraven van Haften uit Edam die zelf inmiddels op een boerderijtje in Wateren woont.

Al op 21 april 1823 schrijft Petrus Ameshoff dat er in Amsterdam gezegd wordt dat de gebouwen verkeerd gebouwd zijn en ongezonde voorzieningen zouden zijn, de ‘schrikkelijke daadzaken’ is een samenvatting, met het opschrift ‘confidentieel’, op 21 augustus 1824 door de subcommissie Amsterdam.
Johannes meldt dat de aankoop van Veenhuizen rond is op 19 december 1822.

Wij moeten geene kinderen in massa overnemen, bladzij 341

Het is 18 februari 1823 als Johannes schrijft: ‘Ik heb de eer UWelEd hier nevens aantebie­den een ontwerp ter vestiging der vondelin­gen en huisgezinnen voor welke het gouver­nement voornemens is te kontracteren.’ Petrus Ameshoff reageert op 21 april, maar klaagt daarbij dat hij slechts een deel van het ontwerp heeft gekregen. De pc stuurt hem dan het volledige pakket en op 3 mei volgt de rest van zijn reactie. Overigens heeft Johannes al op 7 april de stenen voor de nieuwbouw gekocht. De reactie van Nieuwenhuis is ook van 21 april.

Johannes schrijft over het stichten van kolonie 7 op 2 december 1822 en later op 28 juni 1823. Zijn artikel over de gevangenen staat in de Star 1822, pagina 871

Zoo min mogelijk ongelukkig behoren te gevoelen, bladzij 342

Ockerse schrijft op 14 januari 1823 een heel uitgebreide reactie op het krantenartikel.

De teleurstelling van Nut en Beschaving betreft het gezin van Izaak Salomon Hazelip, over wiens recht op geluk de subcommissie schrijft dd 18 augustus 1822. De reactie van Johannes is van 12 november 1822 en het is januari 1823 als Nut en Beschaving meldt dat Hazelip weer in Amsterdam woont. Als Nut en Beschaving op 22 maart de handdoek in de ring gooit, lijkt mij enig verband met de affaire Hazelip voor de hand te liggen.

Het aan prins Frederik voorleggen van de hele correspondentie met Enkhuizen wordt op 4 april 1823 genoteerd in het brievenboek - dus meer dan drie maanden na de boze brief van Enkhuizen - met een begeleidend briefje gedateerd 9 april waarin de prins wordt gevraagd er iets aan te doen. Op 15 april stuurt de prins een door hem getekende brief aan Enkhuizen naar de pc en 22 april bedankt de pc de prins en schrijft zij hem dat ze de brief heeft doorgestuurd. Op 10 mei krabbelt de subcommissie ijlings terug.

Op 4 januari 1823l was Gijsbert Falck - die de voor familiezaken absente Wouter Visser even verving - begonnen over de omnummeringsoperatie. Op 8 april 1823 schreef Visser: ‘Voorts maak ik van deeze gelegenheid ge­bruik der Perm. Komm. te vragen authorisatie
1o tot het verplaatsen van den huizen in kol. N1 welke daar volgens de jongste verde­ling der gronden, en om het getal huizen op 32 te brengen, nog niet verplaatst zijn, naar kol. N4, en zulks op den wijze als dit in het voorleden jaar door Bodenstaf is gedaan; zullende egter de kosten van deeze verplaat­sing iets meerder bedragen, uit hoofde van het verder transporteren.’

Op 24 april meldt hij dat de laatste huisjes verplaatst zijn en wat dat kost, en op 29 april meldt hij dat het omnummeren in kolonie 1 en 2 is afgerond. Johannes heeft de hele operatie eerder aangekondigd in de Star 1822 op pagina 569.

Terug naar boven






NOTEN HOOFDSTUK 10

Dat is toch aardig, mijn Heer! bladzij 349

Er werd begonnen met 52 gezinnen. Het gezin Stellinga is na de dood van de man opgeheven (november 1818). Daarna zijn negen gezinnen vertrokken: Dikkeboom (januari 1819), Metz en Rigagneau (april 1819), Breukel en Vos en Van Rhee (april 1820), weduwe Vergeer (augustus 1821), Muller (januari 1822) en Abraham Koppejan (maart 1822), zodat er 42 gezinnen overgebleven zijn.

Christiaan Sepp Jzn, gedoopt Amsterdam 1 mei 1773, commissaris en boekverkoper, is net als luitenant Fenner ook zo iemand waar ik graag nog eens over zou publiceren. Hij schrijft zelf verslagen van de door hem geleide bedelaarstransporten en de daarop volgende bezoekjes aan de vrije koloniën. De hier gebruikte fragmenten komen uit zijn verslag in de Star van april 1823, pagina 295. Bijzonder is dat onder de door hem begeleide bedelaars nogal wat vrijwilligers zaten die door Sepp zelf in het Amsterdamse werkhuis waren geworven met - naar achteraf zal blijken - wel bijzonder rooskleurige verhalen over de Ommerschans.

Dat perst mijn tranen af, bladzij 351

Gerards en Tersmetten betrekken hun boerderijen op 20 december 1823, stamboek hoevenaars Ommerschans archief 1579. Zie verder de persoonsfiles Gerards en Tersmetten..
Deze opvattingen van Johannes van den Bosch staan al in de Star van januari 1819 en ook trouwens in zijn Verhandeling. De brief van Dominicus Meeder wordt op 10 april 1824 door directeur Visser doorgestuurd naar de pc, archief 69. De problemen van Jan Westerveld spelen in februari/maart 1825, archief 72.
 
De vier tot vrijboer gepromoveerde proefkolonisten die er op korte termijn de brui aan geven zijn Arends, Meeder, Tersmetten en Westerveld. Van die vier keert alleen Tersmetten terug naar het westen, de andere blijven in de buurt wonen. Zo vestigt Westerveld zich in het dorp waar zijn echtgenote vandaan komt, een stukje ten noorden van Frederiksoord, en Meeder in Avereest. Zijn dochter trouwt dan met een broer van de in december 1822 aangetreden onderdirecteur van de Ommerschans Harloff.

Landgenoten die mij dikwerf haten, bladzij 354

Het meisje dat in het weeshuis een miskraam krijgt als ze met verlof in Koog aan de Zaan is, heet Engeltje Oerhaan, soms geschreven als Torhaan. Behalve over het Sterrebos vertelt ze ook over een huisverzorgster die ‘haar wel middelen aan de hand heeft gegeven om de vrucht aftefrijven, zeggende hier van zelve wel gebruik gemaakt te hebben, wanneer zij zwan­ger was.’ De schout van Koog aan de Zaan, Waigert Evert Smit, schrijft hierover enkele malen aan de pc in januari/februari 1824, archief 68. Ongerust geworden brengt hij met zijn plaatsgenoten Dirk Groen en Jan Huurman een bezoek aan de kolonie en wordt hij volgens een brief van Wouter Visser van 28 februari 1824 helemaal gerustgesteld.

De slijtage van Johannes van den Bosch tekent zich vooral af in maart/april 1823, archief 64 en archief 65. In brieven op 12 maart, 14 april, 19 april, 11 en 26 mei wordt hij steeds klageriger en bozer, met als eindresultaat zijn uitbarsting op 28 mei.Over zijn secretaris schrijft hij: ‘Mijne bezigheden groeien zodanig aan en mijne bureau onkosten worden zo aanzienelijk dat ik UWelEd voorstellen moet aan mijn secretaris de Heer van Riemsdijk ƒ6- wekelijks toeteleggen, Ik heb nu reeds twee jaren ƒ7- wekelijks aan dezelve betaald. Het zo niet billijk zijn op den duur deze opoffering van mij te vorderen en dat wel te minder daar aan de Heer Ameshoff reeds lang bureau onkosten betaald worden die zeker geen 1/10 gedeelte van het werk te verrichten heeft als ik. Ik zal dan voor eerst aan de Heer van Riemsdijk nog ƒ2- uit mijn zak toeleggen.’

Hij verdient, dat men hem den kop voor de voeten legt, bladzij 355

De bekendste beschrijving van die reis is natuurlijk Jacob van Lennep, Nederland in den goeden ouden tijd. Zijnde het dagboek van Jacob van Lennep van een voetreis met zijn vriend Dirk van Hogendorp door Nederland in 1823, M.E. Kluit (ed), Utrecht 1942, waarbij het bezoek aan de vrije koloniën pagina 121 tot 128 staat, maar hier is vooral gebruikt het verslag dat Dirk van Hogendorp in een brief van 8 juli 1823 aan Isaäc da Costa doet van het bezoek.
Overigens is op die pagina 121 sprake van een reis die Dirk vier jaar geleden gemaakt heeft, waarbij hij ook in Steenwijk geweest was. Elders wordt duidelijk dat hij toen samen met zijn vader gereisd had. Dat zou kunnen betekenen dat Dirk er bij was toen graaf Gijsbrecht Karel van Hogendorp in najaar 1819 de koloniën inspecteerde namen de commissie van toevoorzigt. Maar zeker is dat niet.

Abraham Capadose bedankt voor het lidmaatschap in een brief aan de pc dd 3 juli 1823, archief 66. In de pc-notulen van 10 juli staat: ‘Deze brief aan den Heer van Meurs opzenden, met verzoek om de P.K. tw willen berigten, of ZE ook in staat zij het raadselachtige van dezen brief optelossen.’ Van Meurs is secretaris van de subcommissie Amsterdam. De 18de juli schrijft Van Meurs dat hij bij Capadose langs is geweest

Zonder de minste opschudding of zamenscholing, bladzij 358

Het verslag van dat eerste transport van wezen uit Amsterdam staat in een nadrukkelijk als ‘confidentieel’ betiteld stukje bij een brief van de subcommissie Amsterdam dd 21 augustus 1824, archief 70. Datzelfde brief meldt nog over het vertrek: ‘(...) over het algemeen waren de kinderen te vreden, en door veele werden bij hun vertrek de bekende volksliederen gezongen.’

Bijvoorbeeld het Burgerweeshuis uit Amsterdam ziet verder af van subsidie volgens J.Th.Engels, Kinderen van Amsterdam, Zutphen 1989 pagina 68. Over het verzet vanuit het weeshuis in Workum tegen opzending naar Veenhuizen in dit en komende jaren wordt verhaald in J.E. Bazuin, Wezen van Workum, geschiedenis van het Stadsburgerweeshuis, Sneek 1994, op bladzijde 54-59. Het citaat komt uit een brief van de subcommissie aan de pc dd 11 juni 1825, archief 74.

Het lofdicht van Willem Messchert heet De Maatschappij van Weldadigheid en staat in de Star van april 1822, pagina 301. Fragmenten eruit staan op de site, te vinden via Over de Maatschappij ==> archiefstukken ==> 1825.
Tweeënhalf jaar later, 21 april 1825, zegt hij op. De permanente commissie vraagt 4 mei aan de subcommissie Rotterdam om eens met Messchert te gaan praten en op 16 mei schrijft de Rotterdamse voorzitter, G. Van Gennep, dat hij een gesprek heeft gehad zonder dat Messchert op zijn schreden terug wil keren. (alles invnr 73)

Doldersumsche veld, bladzij 359

Op 17 april 1824, archief 69, schrijft directeur Wouter Visser aan de pc: ’De Permanente Kommissie heb ik de eer hier nevens ter fine van approbatie te doen geworden een rekening met de aanneemers Smit en Bodestaf, betrekkelijke den opbouw van 24 koloniale woningen op kolonie N7.’
De beschrijving van de interne financiële stand van zaken van de Maatschappij is een samenvatting van de uitgebreide beschrijving door Kloosterhuis pagina 231 ev.

(360) De ruzie ging tussen onderdirecteur Vogelensang en adjunct-directeur Van Waardenburg of Wardenburg, blijkens een brief van Wouter Visser van 16 juni 1824.
(361) Diezelfde Van Wardenburg werd er na zijn ontslag in 1827 van beschuldigd de schrijver te zijn van de brochure Vlugtige waarnemingen omtrent de ondernemingen der Maatschappij van Weldadigheid in de noordelijke provinciën van het Koningrijk der Nederlanden, 1828.
Daarop werd een tegenbrochure uitgebracht. ‘Beoordeling en wederlegging van de brochure Vlugtige waarnemingen...’etc , archief 3508. Die tegenbrochure stond op naam van proefkolonist Klaas Visser. Tegenstanders beweerden dat hij het niet zelf geschreven had, maar dat Jan Hessels van Wolda de schrijver was. Het zou kunnen, maar op diverse plaatsen in het boek wordt duidelijk dat de kolonist uit Grootebroek zeer vaardig met de pen was.
Hoe dan ook, in de tegenbrochure werd Van Wardenburg aangewezen als de schrijver van de ‘Vlugtige waarnemingen’.
Daarop kwam Van Wardenburg weer met een brochure waarin hij dat ontkende, hij zou slechts informatie verschaft hebben aan de schrijver. Die eigen brochure van Van Wardenburg heet De Permanente Commissie en de directeur der koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid voor den regterstoel van het algemeen gebragt.

Niet allemaal keren ze terug naar Fredeiksoord. Proefkolonist van het eerste uur Jan Berends verlaat in 1825 de kolonie ‘voorgevende door bijzondere omstandigheden in staat te zijn gesteld, in de gewoone maatschappij een behoorlijk bestaan te zullen hebben’, uit brief Wouter Visser dd 7 oktober 1825, archief 76.

Eene weduwe met ééne dochter slegts, bladzij 361

De subcommissie Leiden schrijft op 28 november 1823 en 11 maart 1825 over de broer van Johannes van der Heijde, de informatie over zijn nakomelingen die hem opvolgen is afgeleid uit genlias-gegevens. Overigens zal die broer, Matthijs, er op het laatste moment van afzien en pas veel later als arbeidershuisgezin in Veenhuizen terechtkomen.

De boze brief van de subcommissie Zaandam is gedateerd 5 juni 1824, de pc reageert uitgebreid 21 juni 1824, met ook een briefje naar burgemeesters van Zaandam en op 25 augustus 1824 melden laatstgenoemden dat de subcommissieleden weer hun functies hebben opgenomen.

Vledder, huwelijksakte, 20 augustus 1825, aktenr. 11
Bruidegom: Abram Hermens Smit, gedoopt te Zaltboemel op 22 06 1760; weduwnaar van Aagje Keg, zoon van Harm Abrams Smit en Maria Schelkens.
Bruid: Grietje van Voorst, gedoopt te Zaandam op 14-08-1772; weduwe van Joannes Weener, dochter van Jan Pietersz van Voorst en Grietje Jochems.

Johannes Bosch, bladzij 364

Wouter Visser wil meewerken aan het huwelijk van Albert Klaver en de dochter van Bosch in een brief dd 19 april 1823, hun latere aanname als kolonist staat in de rode boeken van Kloosterhuis. Het citaat ‘Het ligt in den aard van den mensch, dat het bestrijden zijner meeningen zijne energie opwekt.’ komt uit Westendorp Boerma 1927, pagina 49, de vrijlatingen komen uit de stamboeken van de Ommerschans.

Confidentieel rapport, bladzij 366

De verdere carrière van Johannes van den Bosch buiten de Maatschappij is beschreven door Westendorp Boerma 1927 en 1950, de financiële verliezen van de Maatschappij door Kloosterhuis, pagina 231 ev.

Het paupertijdperk, bladzij 368

Luchtkasteel

Terug naar boven







 









LITERATUUR
Om ook dit zo bruikbaar mogelijk voor verdere onderzoekers te maken, geef ik bij sommige literatuur wat commentaar.


Over de Maatschappij van Weldadigheid

- An account of the poor-colonies and agricultural workhouses of the benevolent society of Holland, door een lid van de Hoghland Society of Scotland, Edinburgh 1828, Gedegen rapportage met ook tekeningen en plattegronden.
- G.A. Bontekoe, De relaties van de stad Enkhuizen met kolo­niën van de Maat­schappij van Weldadigheid te Frederiksoord en Veenhuizen van 1818 tot 1849, artikel in Nieuwe Drentse Volksalmanak 83, 1965.
‑ J.D. Dorgelo,  De koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid  (1818‑1859). Een landbouwkundig en sociaal‑economisch experiment, Assen 1964. Gaat bijna helemaal over de landbouwkundige kant van de zaak, voor de paar andere zaken baseert hij zich op de Star.
‑ A.F. Eilerts de Haan, De Noord‑Nederlandsche Landbouwkoloniën; eene  studie over de Maatschappij van Weldadigheid, Amsterdam 1872. Eilerts de Haan was een pleitbezorger voor het voortbestaand van de Maatschappij, schrijft kritisch over fouten uit het verleden maar toch met een duidelijk doel.
- Groen van Prinsterer, Aantekeningen op een reisje naar de coloniën der Maatschappij van Weldadigheid in 1826, = pagina 87-92 in  Schriftelijke nalatenschap. Bescheiden 1810-1876, C.Gerretson (red), Den Haag 1951
- Samuel von Grouner, Beschreibung einer Reise durch das Königreich der Niederlande welche auf Veranlassung des landwirtschaftlichen Vereins in Bayern gemacht wurde, Passau 1826/7. Gedegen rapport over de koloniën inclusief tekeningen en plattegronden onder supervisie van Grouner, de eigenlijke auteur is C. Wimmer.
- Gijsbrecht Karel Graaf van Hogendorp,  Bijdragen tot de huishouding van staat in het Koninkrijk der Nederlanden, tweede verbeterde uitgave onder toezicht van Mr. J.R.Thorbecke, In het vijfde deel, pagina 99-113, beschrijft hij zijn bezoek aan de kolonie in 1819.
- Ir. C.A. Kloosterhuis, De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid, Zutphen, 1981
- L. Lambregts, Een steen in de vijver. Ontstaan, groei en ontwikkeling van de Maatschappij van Weldadigheid, Steenwijk 1985.
- L. Lambregts, Willem en Marianne. De eerste dragers van de opmerkelijke fami­lienaam Der Nederlanden, Steenwijk 1991.
- Jacob van Lennep, Nederland in den goeden ouden tijd, zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp door de Noord-Nederlandsche provinciën in den jaren 1823, verzorgd door M.E.Kluit, Utrecht 1842.
- G. De Lurieu et H. Romand, Études sur les Colonies Agricoles de mendiants, jeunes détenus, orphelins et enfants trouvés Holande-Suisse-Belgique-France, Parijs 1851
- Frenk der Nederlanden, De bastaarden van Oranje brengen zichzelf in kaart, Het Parool, 15‑10‑2001, krantenartikel.
- A.C. van Oorschot en P.Zuurbier, De Maatschappij van Weldadigheid en haar invloed op het cultuurlandschap rond Vledder, artikel in Noorderlicht, berichten uit het verleden van Noord-Nederland, 1988 pagina 159-179. Schrijvers hechten wel erg veel geloof aan de brochure van Van Wardenburg, zie noot bij bladzij 361, terwijl ik niet zo veel vertrouwen stel in diens kennis en opvattingen.
- Marco Veul, De koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid: dwangkolonie of nieuwe toekomst?, afstudeerscriptie Erasmus Universiteit met onderzoek in Algemeen Rijksarchief en Gemeentearchief Rotterdam over de mate van vrijwilligheid, 1992.
- Martinus Stuart, Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlan­den (1814-1822). In het jaarboek 1818 staat een uitgebreid verslag van de oprichting van de Maatschappij, pagina 234-249.
- De archieven van de Maatschappij van Weldadigheid: een histori­sche, sociale en rechtshistorische benadering. Inleidingen gehouden tijdens het symposi­um op vrij­dag 18 mei 1990 in het Drenths Museum te Assen


Over de Maatschappij in België:

- A.F. Eilerts de Haan, De Zuid-Nederlandsche landbouwkolonies, in Erika (= een jaarboekje dat de Maatschappij van 1865 tot 1908 uitgaf), 1874.
- Sabine Ruts, Wortel-Kolonie: maatschappelijke en ruimtelijke aspecten, proefschrift voor de Universiteit Gent. Niet in de handel verkrijgbaar, wij hebben het van de schrijfster gehad.

De Star volgt vanaf oktober 1822 onder de kop “Officiële berigten, wegens de vestiging eener tweede Afdeeling van de Nederlandsche Maatschappij van Weldadigheid, in het zuidelijke gedeelte des Rijks; den staat harer werkzaamheden tot hiertoe, haren aanvankelijken, toenemenden bloei, enzv.” de ontwikkelingen in België elke maand.


Over Drenthe in die tijd, inclusief directe omgeving proefkolonie:

‑ P.J. Ameshoff, Beschouwing van den tegenwoordigen toestand van  Drenthe in gemeenzame brieven, Amsterdam 1818.
‑ L. Buning, Het herenbolwerk, Assen 1966.
- Drentse biografiën
- J. Folkerts, De Schulten in Drenthe van 1795 tot 1811, Assen 1981
- Jelle Hagen, Schets van de geschiedenis van het Vledderveen.
- TJ. Jongsma, Van herberg tot hotel in Frederiksoord.
- Ir. C.A. Kloosterhuis, Geschiedenis van het huis Westerbeek, uitgave Maatschappij van Weldadigheid Frederiksoord 1975.
- Linthorst-Homan, Van kerspel tot gemeente, over Vledder op 82-93 en over de Drentse ‘Landbouwtoestanden omstreeks 1810' op 137-159.


Over armoede in die tijd, soms toegespitst op steden:

- P.J. Ameshoff, Over de behoeftigen van Amsterdam, Amsterdam 1818, in archief 48.
- W. Cornelissen, Armen en wezen. Openbare aanbesteding van wezen en arme alleenstaanden, in Heemschild 17 (1977) 77-80
‑ Dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Armoede in de  gedrukte optiek van de sociale bovenlaag in Nederland.
- Dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Een razzia op vagebonderend geboefte in 1817, in Varia Historica Brabantica 5 (1976) 183-195
- P.D. 't Hart, Waren de armen in Nederland omstreeks 1800 zorgeloze klaplopers?
- P.D. ‘t Hart, Berustten de armen in Nederland omstreeks 1800 eerbiedig in hun lot?
- M.H.D. van Leeuwen, Bijstand in Amsterdam, circa 1800-1850. Armenzorg als over­heers- en overlevingsstrate­gie, Zwol­le 1992.
- L. Frank van Loo, Den arme gegeven: Een beschrijving van armoede, armen­zorg en sociale zekerheid in Nederland 1784-1965, Meppel 1987.
- G.P.M. Pot, Arm Leiden. Levensstandaard, bedeling en bedeelden 1750-1854, Hilversum 1994

Over personen (namen vetgemaakt door mij)

‑ F.de Bas, Prins Frederik der Nederlanden en zijn tijd, 4 delen in 6 banden, Schiedam, 1887‑1913.
- A.J. Hanou, Tussen Voltaire en Verlosser. De zielsbenau­wenis van Petrus Ameshoff in: Documentatieblad achttiende eeuw XVIII nr. 1, 1986, 109-115.
- A.J Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voor­vechter van de Verlichting, in de vrijmetse­la­rij en andere Nederlandse genootschappen, 1790-1845, Deventer 1988. Pag. 486-472 gaat over de Maatschappij van Weldadigheid. Dit boek bevat ook enige informaties over Petrus Ameshoff die Kinkers zakelijke belangen behartigde en hier ‘een vriend van Kinker’ genoemd wordt.
- A.J. Hanou & G.J. Vis, Johannes Kinker. Briefwisseling, Amsterdam 1992.
- Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis, onder redac­tie van C.A.Tamse, Alphen aan de Rijn 1979 (over Willem I, Willem II en prins Frederik)
- Van Roijen, Het leven en werken van mr. Isaäc Antoni van Roijen, geboren te Vledder den 28sten maart 1800, overleden te Zwolle den 14 januarij 1868, verhaald aan zijne kinderen en kindskinderen, Groningen 1879. Die boekje gaat over een zoon van Stephanus Jacobus van Royen, maar geeft ook een beetje informatie over hem en ook iets over Johannes van den Bosch.
- J.Stouten, Willem Anthonie Ockerse (1760-1820) leven en werk, Amster­dam 1982.
- J.J. Westendorp Boerma, Johannes van den Bosch als sociaal hervormer, de Maatschappij van Weldadigheid, Groningen 1927.
- J.J. Westendorp Boerma, Johannes van den Bosch, een geestdriftig Nederlander, Amsterdam 1950.
- J.J. Westendorp Boerma, Johannes van den Bosch als militair, artikel in BMGN 85, 1970, pagina 73-87. Met o.m. de brief waarmee Johannes van den Bosch in 1798 om een functie in de Oost vroeg.
- J.J. Westendorp Boerma, Johannes van den Bosch in Drenthe, artikel in Drentse Volksalmanak 1950, pagina 57-81.

Diverse personen: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden 1927 + Levensberichten Maatschappij van Letterkunde + Nederlanders van het eerste uur, het ontstaan van het moderne Nederland, 1780-1830, 1996 + Drentse biografiën.


Over geneeskunde in die tijd:

- A.P.M. van der Meij-De Leur, Van olie en wijn, geschiedenis van verpleegkunde, geneeskunde en sociale zorg, Utrecht-Amsterdam 1989
- Corrie Dane, Geschiedenis van de ziekenverpleging, Utrecht 1994
- De strijd tegen de cholera, Drentse Volksalmanak
- M.J. van Lieburg, Jelle Banga (1786-1877). Notulist van de 19e eeuwse genees- en verloskunde in een Friese provinciestad, Rotterdam 1991.

Divers:

- J.E. Bazuin, Wezen van Workum, geschiedenis van het Stadsburgerweeshuis, Sneek 1994.
- J. de Bosch Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830, Amster­dam 1873.
‑ H.T. Colenbrander, Gedenkstukken der algemene geschiedenis van Nederland
- J.Th.Engels, Kinderen van Amsterdam, Zutphen 1989 (over weeshuizen in Amsterdam, waaronder het Aalmoezeniersweeshuis).
- Kornelis Mulder, Hannekemaaiers en Kiepkerels, Haren 1971 (over Duitse arbeiders in Nederland)
- J.C.Vleggeert, Kinderarbeid in de 19e eeuw, Bussum 1967 en Kinderarbeid in Nederland. 1500 - 1874, Assen 1964.
- Auke van der Woud, Het lege land: de ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848, Amsterdam 1987.
- Linden, L.F. van der, Genealogisch en biografisch onderzoek naar de gezinnen in de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid, artikel in Gens Nostra 40 (1985), blad 281- 290, met aanvulling op blad 553-554.
- J.G.Kikkert, Geen revolutie in Nederland, impressies van Nederland tussen de Franse tijd en de tweede wereldoorlog, Haarlem 1992.
- E.H. Kossmann, De lage landen, 1780-1940, anderhalve eeuw Nederland en België, Amsterdam 1982.
- J.M.Verhoeff, De oude Nederlandse maten en gewichten, Amsterdam 1982.



Terug naar boven