|
Gegevens zijn gebaseerd op het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. De Ommerschans Een pagina alleen over de Ommerschans. Eerst verlaten vesting, vanaf eind 1820 (boek blz. 154) strafkolonie voor onwillige kolonisten, vanaf najaar 1822 (boek blz. 315) ook bedelaarsgesticht. Deze pagina is voorlopig voortdurend 'under construction'. Momenteel, 7 mei 2009, staan hieronder de volgende onderdelen: 1) De eerste keer dat de naam binnen de Maatschappij valt en hoe het toen verder ging: Een brief van Tydeman 2) De eerste strafkolonisten waren ingedeelden uit de vrije koloniën: Niemand spint thans beter dan Trijntje Bensonides 3) Daarna volgen gezinnen van vrije kolonisten, met als eerste Johannes Bosch: Ik zie gij bend koud, kom bij de kachel 4) In de maak: enkele andere strafkolonisten van het eerste uur. 5) In de zomer van 1822 wordt het bedelaarsgesticht gebouwd. Het speelt allemaal vóór de uitvinding van de fotografie en daarom zijn er uit die beginperiode alleen: Prenten van de Ommerschans 6) Uit de vrije koloniën naar de Ommerschans komen niet alleen gestrafte kolonisten, maar ook bevorderde kolonisten: Als het ware gelijk hoofdpachters 7) Volgt nog: De eerste bedelaars arriveren september 1822. 8) Volgt nog (al wel een prentje): Vluchtgevaarlijk 9) Voor de voeding van de bewoners van de schans wordt niet echt veel geld uitgetrokken. Een voorbeeld uit 1824 leert dat een schipper 'uit de wind zijlen moest gaan'.
1) Een brief van Tydeman De eerste keer dat de Ommerschans in de boeken van de Maatschappij van Weldadigheid voorkomt is eind september 1818. De Maatschappij staat dan nog in haar kinderschoenen, op het landgoed Westerbeeksloot wordt nog gebouwd aan de proefkolonie die over een maandje haar eerste bewoners kan ontvangen. Op 30 september schrijft de Leidenaar H.W. Tydeman aan de bezoldigd secretaris van de Maatschappij met de aanhef 'WelEdelGeb. Heer, Geachte Vriend!'. Tydeman is hoogleraar aan de Leidse universiteit en hij en die secretaris, Willem Anthonie Ockerse, kennen elkaar als veteranen uit de armenzorg. Uit de brief blijkt dat ze elkaar twee weken ervoor gesproken hebben en dat Tydeman het toen door hem geopperde 'idee van eene misschien geschikte gelegenheid voor uitgebreide colonisatie en tevens bedelaarshuis' op papier zou zetten. Tydeman vertelt dat hij afgelopen augustus in Ommen was geweest. Hij heeft daar een zwager, 'den Heer W.L. Hoorn, ontvanger der registratie te Ommen'. Volgens Tydeman is dat iemand die men kan inschakelen bij onderhandelingen, want hij is 'een braaf en welwillend mensch en die er zich eene eer en genoegen van zou maken, deze Maatschappij en haren koninklijken beschermheer van eenigen dienst te kunnen zijn.'Bovendien heeft hij relaties: 'e burgemeester der plaats, de Heer Van Laar, woont en eet met hem, en kan dus tevens ongevoelig gesproken worden.' Tydeman rapporteert dat Ommen graag een kanaal zou willen dat het riviertje de Vecht verbindt met 'de vaart van de Heer van Dedem'. Men hoopt daarmee de 'ongecultiveerde, vooral ook veenlanden' tot ontginning te kunnen brengen. Maar de stad heeft het geld er niet voor. Men had de hoop gevestigd op koning Willem I, die niet voor niets de bijnaam 'kanalen-koning' zal dragen, en hem om 10.000 gulden gevraagd. '"Maar dit verzoek, nader bij request ingediend, was of gedeclineerd, of althans nog niet toegestaan en men scheen er aan te wanhopen, en echter zonder die som niet te kunnen beginnen." Daarom denkt Tydeman dat Ommen wel bereid zal zijn om onder haar ressorterende gronden voor een aardige prijs van de hand te doen. En er is nog een voordeel aan het gebied. ' "Nevens dat terrein is de gewezene Ommerschans gelegen, met dezelver casernen, magazijnen en andere gebouwen en in hare wallen en grachten voorheen een bolwerk tegen invallen uit het Munstersche.' Op dat moment is de schans volgens Tydeman nog 'hecht in orde', maar als die 'geabandemeerd' (verlaten) blijft zal het snel vervallen. Tydeman noemt de schans 'uitmuntend geschikt voor een bedelaarsinstituut of depot de mendieté, waarop ik meen vernomen te hebben dat de Maatschappij harer aandacht vestigt, om bedelaars tot landbouw en dus tot waarlijk nuttige en voordeeligen arbeid te gewennen.En de Leidse hoogleraar spreekt de hoop uit dat zijn suggestie de Maatschappij voordeel zal brengen. Het duurt een paar maanden maar daarna heeft Johannes van den Bosch tijd om er achteraan te gaan. Hij begint met Baron van Dedem aan te schrijven, die allervriendelijkst antwoordt en daarbij een kaartje bijsluit, en daarna treedt hij in overleg met Ommen. Tegelijk wordt de koning bewerkt want de Ommerschans is staatseigendom. En in augustus 1819 leidt dat tot succes. Het maandblad van de Maatschappij meldt: '‘Z. M. de koning heeft Hoogstdeszelfs gunstbewijzen aan de Maatschappij vermeerderd door aan hetzelve het vruchtgebruik van de verlatene Ommerschans met de gebouwen toe te staan, ter vestiging van eene bedelaarskolonie.’. 2) Niemand spint thans beter dan Trijntje Bensonides Een bedelaarsgesticht staat er niet een-twee-drie en al voor die tijd wil de Maatschappij de nog staande gebouwen op de schans nuttig gebruiken. In de vrije koloniën is behoefte gegroeid aan een 'strafkolonie'. Een correctie-instituut voor kolonisten die niet horen willen. Alleen heeft de Maatschappij vooreerst niet het wettige gezag om kolonisten zo maar voor straf op te sluiten. Dat gezag heeft ze wel over weeskinderen die door weesvoogden in de kolonie zijn ondergebracht. Er moet eerst een tijd vertimmerd worden aan enkele gebouwen die op de wallen van de schans staan en dan kan de strafkolonie van start. Eind 1820 zijn de eerste strafkolonisten drie weesjongens uit Delft, zie elders op de site de pagina Drie Delftse Wezen. Na hen volgen er meer. Zoals Trijntje Bensonides. Zij is al een stukje in de dertig als ze als ingedeelde door de doopsgezinde gemeente Harlingen in de kolonie wordt geplaatst en dat duidt er al op dat de plaatselijke armbestuurders haar moeilijk handelbaar vinden. In mei 1821 komt ze in Frederiksoord en in september neemt ze de benen. Ze keert na een tijdje terug maar kort daarop is het weer raak. Samen met een mannelijke leeftijdsgenoot en medevluchter wordt ze in Steenwijk opgepakt en dan gaat het richting strafkolonie. Maar vooreerst is ze niet van plan zich daar meteen gewonnen te geven. Tot Johannes van den Bosch, de stichter van de koloniën, in december van dat jaar meldt dat 'Treijntje Bensonides, die niemand ooit tot eenige arbeid heeft kunnen brengen en die de gewoonte had van voor gek te spelen, thans van hare kwaal genezen is'. Eerst had de onderdirecteur van de strafkolonie 'al de middelen van zijn vinding rijke geest uitgeklaard om haar tot de arbeid te brengen', maar dat wierp geen vruchten af en toen heeft hij 'haar eindelijk een solo laten dansen om het muziek van de sweep, die Seyl meesterlijk speelt daar hij in t leven koetsier geweest is van Koning Lodewijk'. De Luxemburger Ignatius Seil werkt al vanaf 1818 als opzichter in de kolonie en staat bekend om zijn brute optreden. Het gelukkige gevolg, schrijft Johannes met merkbaar welgevallen, is 'dat thans niemand beter spint als Trijntje Bensonides'. Hij mijmert nog even door over deze succesvolle therapie. 'Wie had zulk een magtig geneesmiddel in een sweep durven vermoeden. Waarlijk, indien men alle gekken onder deze kuur brengen kon wat zou dat middel nuttig worden.' Het is onbekend of Trijntje Bensonides haar inzet de volgende maanden volgehouden heeft. Wel is bekend dat ze een half jaar later overlijdt, maar dat komt - volgens de berichten van de dokter - niet door de zweep, maar door een besmettelijke ziekte. 3) Ik zie gij bend koud, kom bij de kachel Koning Willem I is altijd zeer gevoelig voor druk vanuit de Maatschappij van Weldadigheid, wellicht ook omdat zijn jongste zoon prins Frederik de voor het leven benoemde voorzitter van de Maatschappij is. Na een tijdje aandringen vaardigt hij een Koninklijk Besluit uit dat de Maatschappij de bevoegdheid geeft om ook over de vrije kolonistengezinnen recht te spreken. De eerste die dat aan den lijve ondervindt is de door Amsterdam gezonden, maar in Raalte geboren Johannes Bosch. Hij wordt april 1821 naar de strafkolonie verbannen (zie boek blz 280-282) Bosch slaagt erin om vanuit de schans een brief naar buiten te smokkelen waarin hij zich beklaagt over zijn behandeling. De Maatschappij onderschept die brief en leest dat er door familie en vrienden van Bosch stappen zijn gezet om een rekwest bij de koning in te dienen. Men wil graag weten wie er bij dat rekwest betrokken zijn. De onderdirecteur van de strafkolonie Fenner krijgt opdracht om Bosch daarover uit te horen en dat lukt hem goed, gezien zijn verslag:. ‘Ik zie gij bend koud, kom bij de kachel.' ‘Is het mij permiteerd,' antwoordt Bosch, ‘dan zal ik mij warmen, het vriest mij.' ‘Ik hoop niet dat gij iets over mij geschreven hebt, dat mij tot nadeel wezen kan, ten minsten dartoe zijn geene reden, evenwel kan men een mensch ook leugenagtig belasteren, doch daarvoor zie ik u niet an.' ‘Neen mijn Heer over u heb ik niets geschreven, ik begreip dat wat gij gedaan hebt, hebt gij doen moeten.' ‘Nu als gij zoo denkt, dan denkt gij braaf. Zie daar is een stoel, zet u bij de kachel, het staan zal u lastig vallen.' ‘Als het veroorloofd is, zal ik dat doen.' ‘Maar Bosch, gij zuld doch wel zoo voorzigtig zijn niets te schrijven of het moet waar zijn.' ‘Mijne zaaken zijn zoo zuiver als God de zon aan den hemel scheijnen laat. En als ik dan hier op niet gehoort worde, dan komd mijne zaak voor den Koning.' ‘Wat voor den Koning! Ik begreip dat de Koning zich weinig om zulke beuselarijen bemoeijen zal.' ‘Dat moet u niet gelooven, dat het baggetellen zijn. Daar is een Heer die heeft het aangenoomen mijne zaak voor den Koning te brengen, als ik hierop geen gehoor bekoom.' ‘Ik moet zeggen, dat gij noch verscheiden Heeren kend, en als die u alle helpen willen, dan kan het niet missen. Maar woond die Heer ook in Amsterdam, en ken ik hem ook misschien van naam?' ‘Misschien kend gij hem, maar hij woond niet in Amsterdam, hij woond in Doesborg.' ‘Ah! In Doesborg, daar ken ik noch verscheidene goede menschen, daaromtrend heb ik gewoond, dus kan het wel zijn, dat ik den Heer kenne.' ‘Nu mijn Heer het is de Heer Ketjes, dat is de Heer, die het als alles verlooren is, voor den Koning dacht te brengen, en bezorgen zal dat ik voor een onpartijdig gericht teregd zal gesteld worden, ik hoef daaromtrend niets meer te schreijven, dat angaande is alles reets bezorgd.' Het hoge woord is er uit. Fenner heeft een naam en zijn opdracht is vervuld. Maar hij is nu ook wel nieuwsgierig geworden waar het allemaal over gaat. ‘De zaak van u is mijn zoo duister, dat ik niet weis daruit worden kan, ik mogd dog eigenlijk weeten, wat gij te klagen hebt.' ‘Ik zal het u vertellen, en dan zult gij zien, hoe men mij behandelt heefd ‘ Daar kan Fenner dan een tijdje rustig voor gaan zitten. Het hele verhaal over de onheuse behandeling op de proefkolonie komt er uit en op het laatst wordt Bosch zo kwaad dat hij opstaat. ‘Ik ben een oud man, mijne vrouw is door gebrek aan voedzel gestorven, maar mijner ziel zal God genaadig weezen, en de waarheid, zoo niet bij mijn leven dan maar mijner dood zal blinken als de zon.' 4) In de maak Volgens een staatje in het nummer van november 1821 van het maandblad De Star wonen er dan 16 mensen op de schans. In december zijn het er al 29, want Johannes van den Bosch is druk bezig schoon schip te maken in de proefkolonue. De gezinnen van Thijs Douwes de Haan (uit Sneek), Dirk Houtman (uit Vlaardingen) en Abraham Prins (uit Schiedam) vliegen naar de strafkolonie. Volgens een verslag uit augustus 1822 is er na hun aankomst op de Ommerschans eerst sprake van 'eenige wederstreving' van hun kant, maar vervolgens kan er trots gemeld worden: 'Dáár, tusschen den honger of den arbeid geplaatst, hebben zij (...) den laatsten wijsselijk gekozen, en thans bestaan er over hen geene klagten.' (rest volgt) 5) Prenten van de Ommerschans In mei van 1822 wordt begonnen met de bouw van het Bedelaarsgesticht, in het begin meestal aangeduid als het 'Bedelaars Instituut'. Het bouwplan is helaas niet bewaard gebleven, wel een vreselijke lading gedoe over de kwaliteit van de bouw, want het moest allemaal zo goedkoop mogelijk. In augustus is het bijna klaar en wordt het omschreven als 'een gebouw, twee verdiepingen hoog, een vierkant omsluitende van ongeveer driehonderd voeten diameter, en dus van ruim een morgen gronds'. Een Rijnlandse voet is ongeveer 30 centimeter, dus de diameter van het middenterrein zou dan 90 meter zijn. De beschrijving gaat verder: 'Ieder vleugel heeft eene lengte van 316 voeten;-- een gebouw derhalve, zoowel wat de inwendige ruimte, als wat den geheelen omvanmg betreft, ruimer dan er ergens een van dezen aard in ons Vaderland gevonden wordt, en hetwelk alle gemakken, zoo ter afscheiding der seksen, als der meer bejaarden en kinderen aanbiedt, gepaard met de gelegenheid tot ligchaamsoefeningen, voor de gezondheid zoo noodzakelijk.' Het is vóór de uitvinding van de fotografie, dus er zijn alleen prenten uit die periode. Daarbij moet bedacht worden dat de makers van prenten, en de opdrachtgevers, altijd een bedoeling hebben met een prent. Onderstaande voor-aanzicht komt uit het maandblad van de Maatschappij van Weldadigheid 1827/1828 en is dus duidelijk bedoelt om het er een beetje ydillisch uit te laten zien. ![]() Uit dezelfde bron komt onderstaande achter-aanzicht. Het bedelaarsinstituut is slechts gedeeltelijk zichtbaar op de achtergrond. Het gebouw aan de voorkant is hoogstwaarschijnlijk het onderkomen voor de strafkolonisten: ![]() Tenslotte een plaatje uit een rapport van een commissie uit Schotland die de Ommerschans in de jaren vijftig van de negentiende eeuw. Het is geen fantastische tekening, maar goed is te zien dat het pand aan de buitenkant geen ramen heeft en dat de binnenplaats door een hek verdeeld wordt in een 'mannenkwartier' en een 'vrouwenkwartier'. ![]() 6) Als het ware gelijk hoofdpachters Als het bedelaarsgesticht zijn voltooing nadert, wordt ook begonnen met de bouw van grote boerderijen op de gronden rond de schans. Daarnaartoe gaan kolonisten uit de vrije koloniën, maar in tegenstelling tot de strafkolonisten 'niet tot straf, maar wel tot belooning'. Zij worden 'vrijboeren' genoemd en komen daar 'om, als het ware gelijk hoofdpachters, buiten de Ommerschans te wonen, op hoeven ieder van 42 morgens, welke door de bedelaars zullen worden bearbeid.’ Dit is de eredivisie van de vrije koloniën. De beste werkers onder de kolonisten uit Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord, én de gehoorzaamsten. De eerste die op 15 juli 1822 zo'n grote boerderij met alles erop en eraan, ‘stal, schuur, hooibergen en hetgeen daarbij verder vereist wordt’ (uit het maandblad van de Maatschappij), mag betrekken is de uit Haarlem afkomstige Johannes Molenaar. Op 13 augustus volgt de Groninger Bernardus Harmeling. Hij is de oudste van de vrijboeren, op het moment dat hij de boerderij bij de Ommerschans betrekt is hij al 62 jaar. Maar ja, er bestond in die tijd geen AOW, laat staan VUT, dus je moest wel doorwerken tot je er bij neerviel. Jan Cornelis Westerveld, die op dezelfde dag als Harmeling uit Frederiksoord naar een boerderij komt, is de eennaoudste, 55 jaar. Op 11 oktober volgt Klaas Tiemes (ook vaan als Tijmes geschreven), 18 oktober Pieter Arends en zo druppelt het door. Van tijd tot tijd wordt er nieuw land ontgonnen en worden er boerderijen bijgebouwd. Zo worden eind december 1823 de hoeves 7 en 8 opgeleverd en wordt in 1824 begonnen met de boerderijen 12 en 13. Eind 1825 zijn er zestien boerderijen. Nummer 8 wordt niet bewoond omdat er met de Heer van Dedem een conflict is over het eigendom van de grond, hieronder de overige bewoners. Tussen haakjes staat eerst de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen en daarna waar elders op de site informatie over hen staat. 1. Jan Cornelis Westerveld (Broek in Waterland --> zie zijn file) 2. Klaas Tiemes (Alkmaar --> zie zijn file) 3. Pieter Arends (Jisp --> zie zijn file) 4. Bernardus Harmeling (Groningen --> zie zijn file) 5. Johannes Molenaar (Haarlem --> zie zijn file) 6. Dominicus Meder (Tholen --> zie zijn file) 7. Anthonie Gerards (Rotterdam --> zie zijn file) 8. - 9. Johannes Tersmetten (Den Haag --> zie zijn file) 10. Teunis Verboom (Dordrecht --> zie hoeve 23 in Wilhelminaoord) 11. Johannes Fukke (Zaltbommel --> zie onderaan de pagina Gewilde Weduwen 12. Hendrik Steunenberg (Deventer --> zie hoeve 6 in Frederiksoord-2) 13. Eillke Levys Bakema (Eenrum --> zie pagina Appingedam) 14. Heere Jaakes Kuyper (Leeuwarden --> zie Wilhelminaoord hoeve 65) 15. Gabriel Wibier (Mons in België --> zie onderaan pagina De Ronde) 16. Jacobus Onvlee (Leiden -- nog geen nadere informatie op de site) 17. Anthonie Keizer (Zaltbommel --> zie Wilhelminaoord hoeve nummer 46) 18. Anthonie van Osta (Bergen op Zoom -- nog geen nadere informatie op de site) Overigens zijn die door de Maatschappij zo bejubelde boerderijen waarschijnlijk een beetje slordig neergezet. Een anoniem pamflet uit 1828 meldt: 'aan de Ommerschans zijn bereide vijf of zes boerenwoningen van alle zijden gestut, om daardoor het instorten te voorkomen.' (met dank aan Jannita Visscher) 8) Vluchtgevaarlijk Zowel de strafkolonisten als de bedelaarskolonisten hebben een sterke neiging de benen te nemen. Dat was vantevoren ook voorzien en daarom was de koning gevraagd een bataljon soldaten ter beschikking te stellen. Ook dat verzoek werd ingewilligd. (volgt nog sergeanten die over hek klimmen naar bedelaarsvrouwen + klachten over de huisvesting vh bataljon) Het is onoplosbaar en de Maatschappij weet dat het bataljon op heel korte termijn weer zal vertrekken en stelt daarom veldwachters aan. Een van de eersten is Jan Blatter, die als werkzoekende naar de kolonie was gekomen. Als na een tijdje veteranen zijn aangesteld (zie verderop) verschuift zijn werk geleidelijk van bewaking naar het doen van bode diensten. En dat loopt in 1833 op behoorlijk gewelddadige wijze ten einde, zie de pagina Ik verlaat de wagen niet ik blijf in de wagen, gij zijt allen Schelmen en afzetters. Al direct in het begin worden ook veldwachters geworven uit de bedelaars zelf. Een daarvan is de Groninger Hendrik Brands, zevenentwintig jaar, die van origine touwslagersknecht, die januari 1823 met vrouw en klein kind in het gesticht aankomt. Zie over hun reis naar de kolonie de pagina Het schijnt dat het in de provintie Groningen vrij despotiek toegaat. Maar Hendriks Brandts nieuwe positie als veldwachter is van korte duur en het loopt heel slechts af. Op een avond in augustus 1823 wordt hij vermist. Drie dagen later wordt zijn levenloze lichaam drijvend in de Dedemsvaart gevonden. Wat is er gebeurd? Was hij dronken? Of was hij slaags geraakt met schansbewoners die wilden ontvluchten? We zullen het nooit weten, want er werd geen sectie verricht. Zijn weduwe, Annegien Wolfs, en hun dochtertje blijven achter in het gesticht. Als ze in 1825 vrijgelaten zijn en teruggekeerd in Groningen wendt Annegien zich november 1825 tot de gouverneur. Ze is van mening dat ze nog geld tegeoed heeft, omdat haar man 'op eene noodlottige wijze in zijne ambtsverrigting den dood gevonden heeft', en de gouverneur voegt eraan toe dat zij dat geld 'tegen den winter zeer behoeft'. Of ze het gekregen heeft is mij niet bekend. Als een bedelaar er ondanks de bewaking toch in slaagt te ontsnappen, moeten schouts en politie-agenten ze oppakken en terugvoeren. Op aandrang van de Maatschappij van Weldadigheid publiceert de gouverneur van Overijssel in mei 1823 een opsporingsbericht voor mensen die in het voorjaar van de schans ontvlucht waren. Zoals deze Anthonie Francis uit Groningen, die gelijk met de hierboven genoemde Hendrik Brands was aangekomen: ![]() In 1828 bedenkt de Maatschappij dat de militaire veteranen, die zij sinds 1826 opneemt in de dan ook opgerichte kolonie Veenhuizen, misschien beter geschikt zijn om de bewaking van de Ommerschans op zich te nemen. In november 1828 worden voor het eerst veteranen aangesteld als bewakers bij de schans, zie de pagina Veteranen. Tot 1859 zullen zij het merendeel van de veldwachterstaken op zich nemen. 9) Uit de wind zijlen moest gaan Zijn voornaam Cornelis is vrij gewoon, maar zijn achternaam een beetje bijzonder: Kaasenbrood. Hij is beurtschipper, om precies te zijn: Cornelis KaasenBrood onderhoudt de geregelde verbinding tussen Zwolle en Amsterdam. Wonen doet hij in laatstgenoemde stad en daar is hij contribuerend lid van de Maatschappij van Weldadigheid, hij legt een stuiver per week opzij om de stichting van koloniën als Frederiksoord en de Ommerschans mogelijk te maken. Maar... als er eind 1824 iemand langs komt om de contributie voor dat jaar op te halen, meldt Kaasenbrood dat het voor de laatste keer is. Hij doet voortaan niet meer mee, hij zegt zijn lidmaatschap op. Kort ervoor, 6 december 1824, had hij ‘aan boord van zijn schip ontvangen 3 last witte erwten, die zo stinkend en muf waren, dat hij dezelve in geenen deele voor menschen en waarschijnlijk zelfs voor varkenskost konden houden’. De erwten waren bestemd voor de Ommerschans. Omdat het voor het goede doel was had Kaasenbrood korting op de vrachtprijs gegeven, maar hij is geschrokken van zulk ‘slegt, stinkend en ongezond voedzel’. Hij vertelt 'dat den erwten bij den inlading zodanig stonken, dat hij uit de wind zijlen moest gaan’ en dat ‘zijne knechts nauwelijksch in het schip hadden kunnen slapen om de vuile lucht, welke nog 8 dagen lang in het vaartuig aanwezig was gebleven’.Als de erwten 'te Zwolle met een schuit zijn afgehaald', kijkt Kaasenbrood het transport afkeurend na. Hij is oprecht verontwaardigd dat dit spul aan medemensen wordt voorgezet. Zijn verklaring zorgt voor onrust in het Amsterdamse en de landelijke leiding van de Maatschappij van Weldadigheid stuurt meteen algemeen koloniedirecteur Wouter Visser naar het magazijn van de Ommerschans om de erwten te inspecteren. Hij bekijkt ze, snuffelt eraan, knijpt erin, stuurt een monster naar de permanente commissie in Den Haag en kiest uiteindelijk voor de proefondervindelijke methode om erachter te komen hoe rot het spul is.‘Voorts heb ik gelast dat de volgenden dag, 11 dezer, door de kolonisten van de bewuste erwten zouden worden gegeten, ten einde dezelver kwaliteit nader en beter te leren kennen.’ Er gebeuren geen ongelukken en de Maatschappij laat Amsterdam weten dat er niets aan de hand is en dat de bedelaars ‘het eten als lekker roemden’.Maar vanuit de hoofdstad wordt gemeld dat ‘de ongunstige indrukken door dit voorval veroorzaakt, niet hebben kunnen ophouden, nog verminderd worden’. Veel Amsterdammers hechten toch meer geloof aan de beoordeling van Cornelis Kaasenbrood. |