Naar het overzicht
van stukken over ONDERWIJS





30 januari 1836: Verslag van Jan Hessel van Wolda over het koloniale schoolonderwijs in het jaar 1835

Dit verslag bevindt zich bij de ingekomen post van januari 1836, invnr 167, de scans 497 tot en met 507. Erachter zit een verslag van het Instituut te Wateren in 1835 dat op een aparte pagina staat.


Wateren den 30 Januarij 1836

De eer hebbende UWEdG. verslag aan te bieden van den staat van het schoolonderwijs, in de kolonien der Maatschappij van Weldadigheid, over het afgeloopene jaar, zal ik mij alleenlijk tot de volgende hoofdzaken te bepalen hebben, als zijnde er telkens van mijn gedane schoolbezoek, gelijk de vroegere jaren plaats had, berigt gegeven.

1. Een algemeen overzigt geven van de geheele zaak, vooral met betrekking tot de plaats gehad hebbende veranderingen, en
2. kortelijk stilstaan bij iedere school, en in eenige trekken derzelver toestand beschouwen.
Voor dat ik met het algemeene overzigt beginne, zij het mij vergund, hier openlijk te betuigen, ook dit jaar, van den Heer Direkteur der kolonien die ondersteuning en welwillende medewerking te hebben genoten, welke de omstandigheid en het belang der zake, telkens vorderden.

1. De schoolgebouwen zijn dezelfde gebleven, behalve de vaste bijschool te Willemsoord, die, te klein zijnde, de noodige vergrooting heeft ondergaan en wanneer men de omzetting van van der Koogh en ter Hoeven, in het laatst des jaars door UwEdG bepaald, benevens nog een paar ondermeesters van het 3e gesticht, die om ontslag van de kolonie als anders, daarvan uitzondert, dan hebben alle kolonien derzelver eigene onderwijzers behouden.
Elk bleef in zijne betrekking en arbeidde, hartelijk en ijverig, op den hem aangewezenen akker, leerde de ware behoeften zijner kinderen en leerlingen, meer en meer, kennen, genoot zoo veel te reiner levensvreugde, naar mate hij zag, dat zijn gewigtige werk, met meerderen zegen bekroond werd.

In elke school werd het geheele jaar door, drie maal des daags school gehouden; de kinderen, beneden 12 en 13 jaren, welken ouderdom bij het reglement is aangewezen, gingen gezet op de dagschool en de overige, boven dien ouderdom, genoten om den anderen avond onderwijs, met uitzondering alleen van die boven de 16 jaren, in de gewone kolonien, welke, om de bijzondere drukte der huisgezinnen, in de zomermaanden, daarvan zijn vrijgesteld, en eenige weinige jonge lieden, bij de gestichten, die er niet hebben kunnen komen.
Ook is er nog menig jongen en meisje, anders boven de jaren der dagschool, wier onderwijs vroeger verzuimd was, vooral des winters, tot het onderwijs der dagschool toegelaten, zoo wel in de gewone kolonien, als bij de weezengestichten, zelfs bij de bedelaars was dat niet vreemd.

Ofschoon overigens de gezondheid der jeugd uitmuntend was, moest in de gewone kolonien sommig huisgezin, daar de Roodvonk heerschte, om de voortplanting der ziekte tegen te gaan, zijne kinderen eenigen tijd van de school terug houden. Ook te Veenhuizen hebben eenige weinige kinderen aan die ziekte geleden, en alzoo, gedurende dien tijd, het schoolonderwijs moeten missen. Overigens zijn de scholen wel bezocht.

Het onderwijzers gezelschap der gewone kolonien ging voort gezet bij een te komen, en ijverig te werken, de jonge onderwijzers tot kennis en wetenschap, en vooral tot goed schoolhouden, de hoofdzaak hunner geheele studie, opleidende, terwijl dat te Veenhuizen, in het laatst des vorigen jaars, door de zorg en het beleid van den WelEerw. Heer van Rinteln gesticht, in vollen stand blijvende, zeker niet nalaten zal, goede vruchten te geven.


Na dit weinige in het algemeen gezegd te hebben, ga ik over tot eene nadere beschouwing van iedere school in het bijzonder, en begin daartoe met de gewone kolonien.


2. In Kol. N.1 gingen de kinderen wederom gaarne ter school, daar zij in alle opzigten, bij een goed onderwijs, goede en gepaste teregtwijzing ontvingen, juist naar hunne kinderlijke behoefte berekend; - de ouders zijn, zoo wel als de Directie, met de wijze van onderwijs van Aukes, als ook met de gemaakte vorderingen der leerlingen, best te vreden, terwijl de avondscholen, door het afgaan van eenige oude en voor het onderwijs min geschikte leerlingen, van jaar tot jaar verbeteren en eindelijk die orde en die hoogte beginnen te bereiken, welke men sints lang gewenscht had.

De hoofdschool van Kol. N. 2, dat in menig opzigt zoo belangrijke gebouw, bevatte ook dit jaar vele kinderen en de avondschool voor jongens telde het dubbele getal van die der meisjes. Het is opmerkelijk, dat hier veel minder groote kinderen schoolgaan, dan in de hoofdschool te Willemsoord; bijna alle zijn het hier kleine kinderen, die niet te min zeer ordelijk opgeleid, en overeenkomstig derzelver vatbaarheid verdeeld, goed onderwezen worden.
De onderwijzer Uhl, hoeveel huisselijke rampen hem ook troffen, verflaauwde in zijnen arbeid niet, maar ging daarin moedig voort, en genoot wederom gewigtige diensten van den ondermeester Was, die zich wel beijvert en regt te vreden is met, en dankbaar voor de genoten gratificatie van f. 25,-, houdende ik mij volkomen verzekerd, dat die som goed besteed is en voor het onderwijs veelvoudige intrest zal opbrengen.

Minder goed, ja allerminst, voldeed het onderwijs van den jongeling G. ter Hoeven, gegeven in de schoone en wel bezochte bijschool der oostvierdeparten. Welke raadgevingen hij ontving, en hoe gewillig ook, om die op te volgen, de school bleef achterlijk; vooral was zulks het geval met de kinderen der dagschool, daar de avondscholieren, vooral van deze wijk, zich gemakkelijker tot orde en vlijt lieten opleiden.
Het onderwijs der dagschool altijd hoofdzaak blijvende, verheug ik mij over de gepaste omzetting van dezen onderwijzer met den bekwamen jongeling van der Koogh, vast overtuigd, dat hierdoor ieder hunner beter op zijne plaats is gekomen.
De bevolking der geheele Oostvierdeparten verblijdt zich aanvankelijk over deze verwisseling en ter Hoeven staat onder het dagelijksch opzigt van Otten.

Met hoogen lof kan er daarentegen melding worden gemaakt, van het doelmatige onderwijs van Meijer Drees, in de 2e bijschool dier kolonie, waar het geheele aantal schoolpligtigen, 24 en 18, geregeld schoolging en voortreffelijke vorderingen maakte, in het lezen en schrijven. Met groot genoegen kon dat gehoord en gezien worden. Deze jongeling is bevordering waardig, daar hij in staat is, veel meer te doen dan kol. 7: te doen heeft.

Eenige kinderen van kol. N: 2, en wel van de laatste huizen der westvierdeparten, te ver van de scholen dier kolonie verwijderd, gingen, met goedvinden der Directie, school bij den onderwijzer de Nekker te Willemsoord, die daar nu, na de vertimmering zijner school en onderwijzers woning, niet alleen goed woont, maar ook in het verbeterde schoolgebouw, best onderwijs gaf, dat tot alle genoegen verstrekte, houdende in zijn geheele onderwijs goede orde en eene gepaste opklimming.
Het eenigst leed, waarover deze onderwijzer zich te beklagen had, was de belediging, welke hem door de huisvrouw van den wijkmeester Koppe, ns zelfs in de tegenwoordigheid der kinderen, werd aangedaan.

Van grooteren omvang was de werkkring van den ijverigen Otten, in de hoofdschool van kolonie N. 3, die, met behulp van den waardigen van der Koogh, doorgaande, des daags, 150 kinderen onderwees, terwijl iedere avondschool 100 jongens of ruim 50 meisjes bevatte.
Behalve het gewone schoolonderwijs, dat hier vlijtig en zeer gepast gegeven wordt, is hier veel werk gemaakt van het vervaardigen van bijzondere opstellen, vooral van brieven, rekeningen en quitantien, en dit is niet vruchteloos geschied; ik zag er zelf gemaakte opstellen, die wel gelezen mogten worden. v.d. Koogh is met dankbaarheid voor de ontvangen toelage, die hem zeer te stade kwam, naar de oostvierdeparten overgegaan, en zeker zullen de leerlingen dier bijschool ondervinden, dat dit gunstbewijs aan eenen ijverigen en dankbaren onderwijzer is verstrekt.

Het aantal der schoolpligtige leerlingen van al de scholen der gewone kolonien, bedroeg, na het geven van ontslag, dat in de maand April aan 75 avond scholieren geschied is, de volgende hoeveelheden, als: Dagschool 502, avondsch. jong. 301, id. meisj. 260, tezamen 1063. En hiervan behooren tot de hoogste klasse 188, (avondsch. jong.) 152, (id. meisj.) 115, (tezamen) 455
Wanneer men hierbij opmerkt: dat deze laatste, uitmakende nagenoeg de helft van het geheel, met eenige uitzondering alleen van die der oostvierdeparten, goed kunnen lezen en schrijven, en min of meer ook met de rekenkunde bekend zijn; dat onder de dagscholieren, zeer veel kinderen zijn, die pas 5, 6 en 7 jaren bereiken, en nog een geruimen tijd school kunnen gaan; dat er onder de avondscholieren zoowel van 13 en 14 jaren gevonden worden, als dezulke, die na hunnen schooltijd in de kolonien aangekomen zijn; dat onderscheidene ouders, uit belangstelling in het onderwijs, gaarne zagen, dat de oudste dagscholieren ook nog des avonds school gingen;-
dat het vervaardigen van eigen opstellen overal ns in de week geschiedde, en eindelijk, dat er in het afgeloopene jaar spaarzaam met het geven van ontslag, is gehandeld, daar er 24 van de daartoe opgekomene, zijn aangehouden,-
dan meen ik de vrijheid te hebben, UWEdGeb. te mogen betuigen, dat het schoolonderwijs in deze kolonien, ook nog dit jaar, aanmerkelijk is vooruitgegaan.


Op de gewone kolonin de Ommerschans volgende, herhaal ik hier hetgene in mijn laatste berigt van den staat dier scholen, en het onderwijs aldaar, gezegd is, namelijk, dat daar het schoolonderwijs eene hoogte heeft bereikt, die het vroeger niet verkregen had; vooral blijkbaar in het tegenwoordige aantal kinderen en jonge lieden, die lezen en schrijven kunnen, en aanvankelijk tot beschaafdheid en goede zeden opgeleid zijn.
De school te Ommerschans was wederom de aangenaamste verblijfplaats van de kinderen dezer kolonie; elk n bevond er zich wel, vrolijk dankbaar en wel te vreden; ook het grootste gedeelte der avondscholieren ging, om den andere avond, met genoegen, ter school.
Door eene gedurige overplaatsing van hier naar het 2e gesticht, vooral van kinderen, was er het geheele jaar door, genoegzame ruimte, om alle leerlingen te plaatsen en dit is ook de reden, waarom er in het voorjaar geen jonge lieden, van de verpligting tot schoolgaan, ontslagen zijn geworden.
Ieder deskundige, die deze school, in verband met den vroegeren toestand der leerlingen, gadeslaat, is over het onderwijs van Hoogstra voldaan.

 
De onderwijzer van het 2e gesticht te Veenhuizen tot welke belangrijke kolonie ik nu overga, bleef zijnen goeden naam, getrouwelijk handhaven. Hier gingen dagelijks meer dan 200 kinderen van de 231 schoolpligtige ter school, en het getal leerlingen der beide avondscholen was 148 en 90.
Behalve het lezen, in een goeden toon, duidelijk en vaardig schrijven en eenig onderwijs in de taal en geschiedenis, werd hier, met een zeer goed gevolg, meer dan elders, werk gemaakt van het practisch rekenen, zoo wel op de dag- als avondscholen;
Sommige leerlingen, zelfs van de jonge bedelaars-kolonisten, die vroeger verzuimd zijn, hebben daarin, ook dit jaar, voortreffelijke vorderingen gemaakt.
Ik mag hier den ondermeester Albertsma, die de getrouwe medehelper en ijverige leerling van Flierman blijft, wederom niet vergeten; deze gedraagt zich, bij voortduring, voorbeeldig en stelt hooger prijs op- en groot belang in het welslagen zijner werkzaamheden, en het was noch hem, noch zijnen vlijtigen onderwijzer te veel, dat zij wederom een tijd lang, 2 maal s daags avondschool hielden.
In den zomer gaf Flierman alle morgens, vr schooltijd, onderwijs aan zijne ondermeesters, dat, ook op de school, goede gevolgen heeft.

Van den grootsten omvang was het schoolonderwijs aan de weezengestichten. In de laatste maanden des jaars bedroeg het getal der schoolpligtige kinderen van de dagschool, aan het 1e gesticht 604 en dat der avondscholen, na aftrek der 87 jonge lieden, die in het voorjaar ontslagen zijn geworden, gezamenlijk nog 490.
De schoolvertrekken, voor al die kinderen, welke gezet twee maal s daags onderwijs ontvangen, te klein zijnde, hebben twee ondermeesters, even als in 1834, de kleinste kinderen, doorgaande 200, in twee zalen onderwezen. Het onderwijs was, zoo in de schoolvertrekken als zalen, ordelijk ingerigt:
De ijverige Geraerts, aan het hoofd dezer belangrijke schoolinrigting geplaatst, deed zijn best, iederen ondermeester zijnen werkkring naauwkeurig aanwijzende. De vorderingen der dagscholieren beantwoorden ook zeer wel aan de verwachting, gelijk zulks straks nader blijken zal.

Tot het onderwijs in de beide zalen zijn alleenlijk toegelaten, de kleinste en zwakste kinderen, die, in regen en wind, naauwelijks de school kunnen bereiken, en hier door de ondermeesters tot orde opgeleid en met de letters, en het zamenstellen derzelve tot woorden, bekend gemaakt worden. Kennen ze de gewone spelboekjes, dan worden ze tot de 3e school bevorderd, zijnde eene overplaatsing, die zeer aanmoedigend is.
Behalve de nieuw aankomende, die nog achterlijk zijn, worden er in het 3e schoolvertrek ook alleen jonge kinderen gevonden, die het zaalonderwijs, in het spellen; voortzetten en met het lezen en schrijven een aanvang maken. Veel duidelijker nog, dan bij dit elementair onderwijs, in de zalen en het kleine schooltje, die telkens weer met nieuwe kleinen aangevuld worden, ziet men het onderwijs in het 1e en 2e schoolvertrek, met gewenschte gevolgen bekroond.
Daar wordt verstaanbaar, in een vrij goeden toon, gelezen; duidelijk en zindelijk geschreven, uit het hoofd en naar voorschriften; met oordeel, klassikaal, en ook naar zekere leerboekjes, gerekend; hebben de kinderen van spel- en taalkunde het noodige begrip; is de geschiedenis (bijbelsche en vaderlandsche) waartoe de schoolboeken gepaste aanleiding geven, benevens het belangrijkste der aardrijkskunde, vooral van ons vaderland, tamelijk bekend, en het gezang aangenaam.
Het onderwijs der avondscholen was aanmerkelijk meer, dan behoud van het vroeger geleerde: de meeste jongens en meisjes, het ware belang van het schoolonderwijs beseffende, maakten aanzienlijke vorderingen, vooral in het lezen, dat boven alles gesteld wordt, en de beginselen van het schrijven, en deze gedroegen zich lofwaardig, terwijl een veel kleiner aantal, inzonderheid van de vroeger verwaarloosde, die zich het schoolonderwijs ontkomen waren, met minder vrucht de school hebben bezocht.
Zij, die het verst ten achteren waren, hebben, alle avonden, onderwijs ontvangen.

Aan dit gesticht bestond nog steeds het bezwaar van de opneming op school van alle aankomende kinderen, dat hier den bloei van het schoolonderwijs zeker nog eenigermate in den weg staat, maar hetwelk minder gevoeld werd aan het 3e gesticht, tot hetwelk ik met genoegen overga, wijl er het onderwijs heerlijke voortgangen maakte.
De lijsten der schoolpligtigen bedroegen bij het einde des jaars, 362 kinderen en 486 jonge lieden, na dat van de laatste, in het verleden voorjaar, 124, van hunne verpligting tot schoolgaan, zijn vrij gesteld geworden.
Behalve die schoolkinderen, werd hier ook een aanmerkelijk getal mingeoefenden, boven de 13 jaren oud, die vroeger gebrekkig of geen onderwijs genoten hadden, tot het onderwijs der dagschool toegelaten. Voor dezulke was het 3e schoolvertrek, gedurende de wintermaanden, geheel afgezonderd, en was derzelver hoofdbezigheid spellen en lezen leeren, onder het toezigt en de goede leiding van den 2e onderwijzer. De kleinste kinderen zijn in het 2e schoolvertrek geplaatst, en worden daar op eene aangename en zeer doelmatige wijze, met nuttige dingen, betreffende het aanvankelijke onderwijs, bezig gehouden, terwijl de overige, 150 in getal, onder het opzigt en mede onderwijs van den waardigen Schuurmans, in alle belangrijke zaken en wetenschappen, onderwijs ontvingen. Zoo ergens elders, dan is hier het schoolonderwijs in het afgeloopene jaar, nog tot een hoogeren trap van volkomenheid gebragt, dan eenig voorgaand plaats had.
Er wordt voortreffelijk gelezen, eene heel goede hand geschreven, en al de overige schoolwetenschappen, die voor onze kinderen van belang geacht kunnen worden, zijn er met het beste gevolg, en ten genoegen der geheeler bevolking, onderwezen. Boven alles nog munt hier uit het gezang en de muzijk, die er beide bloeijen.

 
Eindelijk is mij nog overgebleven, UWEdGeb bij het vorenstaande, de getuigenis te geven, dat alle onderwijzers, die zich, ook in het afgeloopene jaar, voorbeeldig gedroegen, hunnen leerlingen, groot en klein, ieder naar deszelfs vatbaarheid, bij elke gepaste gelegenheid, met God en den Heer Jezus hebben bekend gemaakt, dat zij hun gewigtige werk altijd met gebed en dankzegging begonnen en geindigd hebben, zeer wel bewust, dat zij op allen arbeid den zegen des Heeren behoeven.
En hiermede zij de zaak van het schoolonderwijs der kolonien aan UWEdG. voortdurende zorg aanbevolen, door hem, die gaarne met hoogachting is,

UWEdGeb. gehoorz. dienaar,
De Adj. Direkteur voor het schoolonderwijs
J. H. van Wolda