Naar het overzicht
van stukken over ONDERWIJS





Meester Hendrik Jacob Flierman wordt na twee jaar in Wateren te hebben gewerkt de hoofdonderwijzer bij het tweede of bedelaarsgesticht te Veenhuizen en blijft dat tot in ieder geval 1859, en misschien nog langer


Er is nogal wat onderwijzend personeel op de kolonie dat oorspronkelijk uit Groningen komt - bijvoorbeeld Kornelis Mulder, Jan Hesssels van Wolda, Albert Schuurman - en een aantal keren is er sprake van dat zij tot het vak zijn opgeleid door professor Van Swinderen. Dus de kans is groot dat ook Hendrik Jacob Flierman bij Van Swinderen in de leer is geweest.

Wateren

Flierman duikt voor het eerst op in het archief van de koloniŽn als hij vanuit Groningen op 1 oktober 1829 wordt aangesteld als onderinstituteur van het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren. Meer informatie over dat Instituut is te bereiken via deze pagina,

Volgens een VeleHanden-invoerder draagt de Instituteur Kornelis Mulder hem voor die functie voor, invnr 97 de scans 1181-1182. Zie helemaal bovenaan de pagina hoe de scans te bereiken zijn.

Op de pagina over het personeelsbestand van het Instituut is te zien dat hij een van de laatsten is die deze functie uitoefent. Hij verdient met dit werk É 5,20 per week, dus
É 270,40 per jaar.

Veenhuizen

Bij besluit van 29 september 1831 N12 wordt Hendrik Jacob Flierman benoemd tot 'voorloopig onderwijzer' bij het tweede gesticht te Veenhuizen. Daar is een vacature omdat Pieter van der Koogh in militaire dienst moet. Maar al snel is hij officieel de hoofd schoolonderwijzer daar.

Dat tweede gesticht is al sinds de opening in 1825 een bedelaarsgesticht en daarom is zijn school kleiner - en is zijn bezoldiging lager - dan de scholen bij de kindergestichten. Zie de rangschikking van de koloniale scholen en bijbehorende salarissen. Flierman is onderwijzer van de tweede rang en verdient 350 gulden per jaar.

Personeelsregisters

Hendrik Jacob Flierman staat geadministreerd in personeelsregisters waarvan nog geen scans zijn. Om precies te zijn staat hij op de folio's 39 en 60 van het personeelsregister 1828-1834 met invnr 997 en op folio 70 van het personeelsregister 1834-1859 met invnr 998. Daarnaast staat hij op overzichten in invnr 1007.

Uit die registers neem ik de gezinssamenstelling over, met de kanttekening dat geboortedata in de kolonieadministratie niet altijd kloppen.

Gezinssamenstelling

Hendrik Jacob Flierman is volgens die kolonieadministratie geboren 14 januari 1803. Hij is net als de rest van het gezin hervormd. Hij is een jaar voor zijn komst naar de kolonie te Groningen getrouwd met:

Christina Jacoba Scharfft, geboren 20 september 1801. In de registers staan de volgende kinderen vermeld:

Gerrit Egbertus Flierman, geboren 2 maart 1829, dus vůůr de komst naar de kolonie,
Jacob Hendrik Flierman, geboren 7 juli 1830, dus te Wateren,
Trijntje Hendriks Flierman, geboren 1 augustus 1833,
Geertje Flierman, geboren 15 november 1834, maar zij overlijdt 19 november 1836,
Herman Christiaan Flierman, geboren 28 juli 1836,
Jan Hessels Flierman, geboren 16 december 1838 (blijkbaar vernoemd naar de adjunct-directeur voor het schoolwezen Jan Hessels van Wolda), en
Geertje Gerrits Flierman, geboren 26 september 1840.

Over Flierman

In zijn jaarverslag over 1834, afgedrukt in het via www.delpher.nl te bereiken maandblad Vriend des Vaderlands van 1835 pagina 495, schrijft de adjunct-directeur voor het onderwijs Jan Hessels van Wolda over 'de verdienstelijke onderwijzer Flierman'.

Na een schoolbezoek in juli 1835, zie hier, schrijft Van Wolda:

'Aan het 2e Gesticht trof ik juist de dag dat de Rooms-Catholieken naar de kerk waren, daarom was het getal scholieren, dat anders immers ruim 200 is, thans maar 49.
En van deze zijn er 88, die lezen kunnen en hieronder wederom 65, die ook schrijven en 28, die behoorlijk rekenen kunnen, terwijl de overige 31, zijnde kleine kinderen geplaatst in de kleine school, op het bord en in boekjes, voornamelijk letters en spellen leren dat, met meer deze deelen van het onderwijs, aan den ondermeester Albertsma zeer goed toevertrouwd is.
Ook op de avondschool misten, om dezelfde reden verscheidene leerlingen. 23 waren bezig met de eerste beginselen der spel-en leeskunst en de overige 59 zettende het lezen, schijven en rekenen naar behooren voort, en verschaffen den onderwijzer genoegzaam zelfs voldoening. Flierman blijft dezelfde goede onderwijzer.'

1835

In zijn verslag over het schoolonderwijs in 1835, zie hier, schrijft de adjunct-directeur het navolgende. Die voor de tweede keer genoemde andermeester Albertsma is vermoedelijk Klaas Teeuwis Albertsma.

'De onderwijzer van het 2e gesticht te Veenhuizen (...) bleef zijnen goeden naam, getrouwelijk handhaven. Hier gingen dagelijks meer dan 200 kinderen van de 231 schoolpligtige ter school, en het getal leerlingen der beide avondscholen was 148 en 90.
Behalve het lezen, in een goeden toon, duidelijk en vaardig schrijven en eenig onderwijs in de taal en geschiedenis, werd hier, met een zeer goed gevolg, meer dan elders, werk gemaakt van het practisch rekenen, zoo wel op de dag- als avondscholen;
Sommige leerlingen, zelfs van de jonge bedelaars-kolonisten, die vroeger verzuimd zijn, hebben daarin, ook dit jaar, voortreffelijke vorderingen gemaakt.
Ik mag hier den ondermeester Albertsma, die de getrouwe medehelper en ijverige leerling van Flierman blijft, wederom niet vergeten; deze gedraagt zich, bij voortduring, voorbeeldig en stelt hooger prijs op- en groot belang in het welslagen zijner werkzaamheden, en het was noch hem, noch zijnen vlijtigen onderwijzer te veel, dat zij wederom een tijd lang, 2 maal ís daags avondschool hielden.
In den zomer gaf Flierman alle morgens, vůůr schooltijd, onderwijs aan zijne ondermeesters, dat, ook op de school, goede gevolgen heeft.'

1836

In zijn jaarverslag over het onderwijs in 1836, zie hier, schrijft de adjunct-directeur dat er ook een groot aantal kinderen van de aan de buitenkant van het gesticht wonende militaire veteranen naar Fliermans school komen. Hij doelt op het overlijden van dochter Geertje Flierman als hij schrijft:

'De onderwijzer Flierman, hoewel niet geheel van huiselijke rampen vrij gebleven, ging ijverig en moedig voort zijnen pligt als hoofdonderwijzer van dit Gesticht te vervullen en, toen daaraan bij het 1e gesticht behoefte was, stond hij zijn oudsten en besten ondermeester (...) geredelijk af, om in uitgebreideren kring te arbeiden, kweekte wederom eenen anderen aan, en zorgde op eenen voldoenden wijze, dat de leerlingen zijner school daarbij geene schade leden, gevende nog over als in vroeger jaren, de winters, aan alle leerlingen der avondschool dagelijks onderwijs des avonds van 5 tot 9 uren. Het onderwijs leverde goede uitkomsten op.'

Schoolonderwijzersvergadering

Hendrik Jacob Flierman schrijft het verslag van de schoolonderwijzersvergadering op 13 augustus 1836, zie hier, maar zijn verslag staat zo vol met taalfouten dat daar commentaar op komt.

Per 24 juli 1837 krijg hij een loonsverhoging van 25 gulden per jaar, zie hier.

1838

Na schoolonderzoeken in maart 1838, zie hier, schrijft Van Wolda:

'Aan het 2e Gesticht zijn dezen winter wederom twee avondscholen gehouden, dat nu, met het aankomende landwerk, had opgehouden, en met genoegen heb ik opgemerkt, dat het alle avond schoolgaan der jongelieden, daar zij toch in geenen deele iets verzuimen, nuttig en voordeelig is. De avondscholieren hebben hier groote vorderingen gemaakt, inzonderheid het praktisch rekenen.
Het onderwijs der dagschool is hier in goeden staat, en de afwezend blijvende zijn, behalve die welke ongesteld zijn, weinig in getal. (...)
Hier is een getal van 12 jongelieden in tegenwoordigheid van den Adjunct-Directeur Kluvers onderzocht, en daartoe bekwaam bevonden worden, van de avondschool ontslagen, 6 zijn er achtergebleven, geen ontslag verlangende, en dit heeft zich alleen bepaald tot de jongelieden der huisgezinnen, de jonge binnen Kolonisten wil, en mag Flierman behouden.'

1839

December 1839 doet Jan Hessels van Wolda verslag van het onderwijs in Veenhuizen, zie hier.

Over de zondagsschool bij het tweede gesticht schrijft hij:

'Aan het 2e Gesticht waren 54 meisjes van zeer verschillende ouderdom, sommige zelfs van 40 jaren oud op haar eigen verzoek, daarbij toegelaten.
Deze waren in 2 afdeelingen verdeeld. De hoogste, die lezen en schrijven kan, zet dat werk voort, en de laagste leert spellen en rekenen.'

En over de dagscholen, met ook een kritische noot:

'Flierman is met de kinderen en jonge lieden, van de Ommerschans gekregen, zeer te vreden, er bijvoegende, dat hij bij het laatste transport uitmuntende leerlingen vindt.
Sedert den 1 November was hier wederom twee maal avondschool gehouden, van 5-7 voor de meisjes en van 7-9 voor de jongens.
Op de 1e waren 49 meisjes en 17 jongens; de afwezende 29 meiden, waren nat van het land gekomen en moesten alzoo dien avond het onderwijs missen.
De aanwezende zijn in 3 klassen verdeeld: de hoogste 48 in getal, leest, de eene beter, de andere minder, de vaderlandsche geschiedenis; de middelste, bestaande uit 7 leerlingen leest de kindervriend van Rochow, en de laagste, tellende 11 jonge lieden, begint te spellen en te lezen.
Onder de meiden bevinden zich 8 van de zondagschool, die, op derzelver verzoek, ook op de meisjes avondschool zijn toegelaten.
De avondschool voor jongens telde 130 leerlingen, en ook onder deze zijn verscheidenen goede lezers en schrijvers, alsmede ook, die behoorlijk kunnen rekenen.
ít Gebed, dat ook hier staande verrigt wordt, werd uitgesproken door een der bekwame leerlingen. ít Gezang was tusschen beide nog te hoog en kan verbeterd worden.
Overigens hebben orde en stilte hier gewonnen, en is het onderwijs zelve, vooral dat, het welk aan de kleinen, bij de letterkast en aan het bord, gegeven wordt, vereenvoudigd en alzoo verbeterd.
De onderwijzer, Flierman, die zegt goed ondersteund te worden door de ondermeesters Gelton en Heijvaart, zet zijn werk met ijver voort en is gaarne in de school, gelijk zulks blijkt uit zijn schoolhouden, viermalen des daags, en ik twijfel geenzins, of hij zal ook dat geene, wat hem aangewezen is als voor verbetering vatbaar, gaarne veranderen en met alle bereidwilligheid verbeteren.

Zoo zullen de schoolgezangen van Beins, op psalmwijzen gemaakt, veel in schoonheid en doelmatigheid winnen, zoo die wat zachter gezongen worden;
de onderwijzer zal nog eenigen tijd voor het onderwijs kunne winnen, zoo hij gedurende den schooltijd, geene enkele pen verbetert, noch die door zijne ondermeesters laat verbeteren,
en zoo zal het lezen der hoogste afdeelingen door krachtdadig de hand te houden aan de zuivere lezing van alle letters, doch inzonderheid van de n, nog verbeterd worden. '

1842

In zijn jaarverslag over het koloniale onderwijs in 1842, zie hier, schrijft de adjunct-directeur over de oudere kinderen

'onder Fliermanís toezigt, in de groote school geplaatst, maakten in het leezen, schrijven en reekenen goede vorderingen, de hoogste afdeeling ook in de teekenkunst.
Op deze school werd een ander rekenboek ingevoerd, dat van de oude munten, maten en gewigten niets bevattend, zeer voldoet.
De onderwijzer verrigt zijn werk, ook op den bestemden zondagavond het geheele jaar door, met ijver en eenen goeden wil, zag de gemaakte vorderingen zijner kinderen met genoegen, was gaarne in de school, verblijdde zich bij de ontdekking der betere gezindheden zijner avondscholieren, tengevolge hun verblijf in de Kolonien ontstaan, ontzag geene moeite, en beleed gaarne, bij al zijn werk, hulp van boven noodig te hebben.'

1844

Na de dood van adjunct-directeur Jan Hessels van Wolda maakt de schoolopziener Jan Hendrik Geraets de jaarverslagen. Voor het eerst is dat het verslag over 1844, zie hier. Daarin schrijft hij:

'Aan het onderwijs bij het 2e Gesticht arbeidde met goed gevolg de hoofdonderwijzer H.J. Flierman onder ijverig hulpbetoon zijner ondermeesters. Het getal dagscholieren beliep hier 225 en dat der avondtijden 200, zoowel jongens als meisjes, terwijl nog een dertigtal jongens uit eigene beweging de meisjesavondschool bijwoonden, zigtbaar met het doel om zich nog verder te oefenen. Ook werden hier de zondagscholen nuttig aangewend, ten behoeve van mannen, vrouwen of jongelingen boven de 24 jaren, die onderrigt genoten in het lezen en schrijven, dat somwijlen afgewisseld werd door toepasselijke toespraken.'

Famiie-gebeurtenissen

■ Op 10 mei 1848 verlaat zoon Jacob Hendrik met ontslag de kolonie.

■ Op 25 december 1849 gaat dochter Trijntje Hendriks met ontslag weg, maar zij keert weer terug op het ouderlijk nest op 29 oktober 1850.

■ Zoon Gerrit Egbertus treedt in de voetsporen van zijn vader. Hij gaat 20 maart 1851 als ondermeester werken in de school van kolonie 3, Willemsoord. Hij zal later, 22 juni 1861, trouwen met een dochter van de voormalige onderdirecteur-buiten voor het tweede en derde gesticht Willem Lammerts Heidema, zie deze pagina.

■ Zoon Herman Christiaan verlaat 25 februari 1853 de kolonie met ontslag.

■ Dochter Trijntje Hendriks wordt op 11 september 1858 'gehuwd ontslagen' als ze die dag trouwt met de fabrieksbaas Cornelis Christoffel van den Bosch, zoon van een hoevenaar.

Hoe het verder gaat als de Staat in 1859 de gestichten overneemt, weet ik niet. Ik neem aan dat hij gewoon bij het tweede gesticht les blijft geven. Op 30 mei 1863 overlijdt te Veenhuizen echtgenote Christina Jacoba Scharfft. Als hij diep in de tachtig jaar is, overlijdt Hendrik Jacob Flierman 12 oktober 1889 te Meppel, waar nogal wat Fliermans wonen.