|
ALBLAS,
Martinus
|
|
| Spellingvariaties: |
|
| Levensdata: |
16-8-1768
(Woubruggen) - 9-11-1823 (Frederiksoord) |
| Subcommissie: |
Medemblik |
| Aankomst: |
zaterdag
31 oktober 1818 |
| Hoevenr.
(tot 1823) |
27, derde
linie (na 1823 nummer 14) |
| Vorig
beroep: |
commies |
| Geloof: |
hervormd |
| Echtgeno(o)t(e): |
Anthonia
van Maaswinkel, 29-1-1783 |
| Kinderen: |
- Adriana
Anthonia 1800? - Simon 1803? - Pieter 26-5-1812 - Johannes Cornelis 13-9-1815 |
| Overige
huisgenoten: |
|
| Opmerkingen: | - Ik heb contact met
mensen die genealogisch onderzoek naar
Alblas
gedaan hebben. Als je die wilt bereiken moet je mij mailen (zie rechts bovenaan de pagina) en dan stuur ik dat
door. |
Koloniale carrière |
|
| Samengevat: |
Volgens
de directie is Alblas 'weinig voor
de arbeid geschikt', maar in 1821 krijgt hij toch een koperen medaille.
Na zijn overlijden eind 1823 blijft zijn weduwe op de kolonie maar na
een dramatische gebeurtenis met een ingedeelde (zie hieronder) vertrekt
het gezin in 1825. |
| In
het boek: |
Bij naam alleen op bladzijde 375, over zijn subcommissie iets op bladzijden 16, zijn aankomst uit Medemblik wordt genoemd op bladzijde 35, zijn voordracht voor de kolonie op bladzijde 73, het verhaal van de suicidale ingedeelde op bladzijde 261 en verder is hij natuurlijk bij die beschreven gebeurtenissen waar alle kolonisten aanwezig zijn. |
Uit de archieven
|
|
| Al snel na de circulaire waarin steden worden opgeroepen om een plaatselijke subcommissie van weldadigheid te vormen (zie hier) meldt Medemblik er een te hebben opgericht: ingekomen post pc dd 17 juli 1818. Daarmee behoort Medemblik tot de eerste zeven steden met een subcommissie. Uit een brief van de subcommissie Medemblik aan de Maatschappij dd 24 september 1818: De subkommissie neemt de vrijheid en haast zich ten dien einde aan Ulieden voortedragen, het huisgezin van Martinus Alblas, alhier woonachtig, bestaande in een man en vrouw met vier kinderen, waarvan drie zonen van 15, 6 en 1 jaar zijn, en een dogter van 8 jaren. 't ontbreekt de subkommissie alhier aan genoegzame woorden, om Ulieden deze familie te eenstigste aantebevelen. Zij is uit den alzints deftigen burgerstand. Op de zedelijke en godsdienstige opvoeding welke de ouden, die van den jeugd aan zelve braaf en deugdzaam zijn, opgeleid en aan hunne kinderen gegeven, valt niets aan te merken. De man van zijne 10e jaar af bij den landbouw grootgebracht, was daarin en is als nog arbeidzaam en vermeent nederig te mogen roemen met alle de bijzonderheden, van de zelve grondig bekend te zijn. Bij de gelukkige verandering van zaken in den jare 1813 was hij geemployeerd als commis bij de middelen te water en te lande, maar werd daarvan ontslagen bij de invoering van 't nieuwste belastingstelzel op dat sujet sints dien tijd moest hij of bedelen of werken. Het laatste verkoos hij en wel onder de boerenstand en daarin blijft hij nog ijvervol voor zijn huis gezin voortvaren, ondanks het klein pensioentje van ƒ 75:- dat hem door Z.M. onze geëerbiedigde Koning is toegestaan. Zijne vrouw, ofschoon niet met het spinwerk bij de Maatschappij van Weldadigheid de voorkeur hebbende bekend, komt ons voor beide leerzaam en leergraag te zijn en van zijne oudste zoon en achtjarig meisje geloven wij dat nogal eenige partij zou te trekken zijn. Wij bevelen Ulieden dat huisgezin bij de plaatsing van kolonisten te Westerbeeksloot zoo kragtig mogelijk aan en wij aarselen zelfs geen oogenblik indien het ons vergund is uit aanmerking van zijne fatsoenlijke afkomst, zedelijkheid van wandel, kennis van den landbouw, den man, Ulieden voortedragen als onderopzichter, bij de op terigtene kolonie. Uit een artikel van Bontekoe in Nieuwe Drentse Volksalmanak 83, 1965, over de relaties van Hoorn met de Maatschappij, na beschreven te hebben dat eerder al het gezin uit Hoorn vertrokken was: Een week later is dat vrijbriefje er ook voor het gezin van Martinus Alblas, die blijkens bericht van de subcommissie in Medemblik van die stad via Enkhuizen naar de colonie te Westerbeeksloot (het latere Frederiksoord) zal vertrekken. (...) Het commissielid Valentijn zal het gezin Alblas uit Medemblik ontvangen en verwijzen naar het schip op de Lemmer. Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files. Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de pc dd 6 maart 1822: Voorts heb ik de eer ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen, dat de kolonist Alblas uit kol no.1 voor deszelfs zoon Simon en zijnen dogter Adriana Anthonia, als mede de kolonist D'Haan uit kolonie no.2 voor zijne tweede dogter Neeltje ontslag uit de kolonie hebben gevraagt, ten einde in de gewone maatschappij te gaan dienen. Genoemd in het schoolrapport over 1822 dd 19 februari 1823 als 'hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Pieter Alblas.' Uit het bevolkingsregister Vledder, overlijdensakte, aktenummer 22 van 1823: Aangiftedatum: 10-11-1823, Overledene Martinus Alblas, geboortedatum: 16-08- 1768, geboorteplaats Woubruggen, zoon van Teunis Alblas en Adriana Kooi, beroep: arbeider, overlijdensdatum: 09-11-1823, overlijdensplaats: Frederiksoord (Vledder), Partner NN NN, relatie: echtgenoot, Er zou ook een Memorie van successie (Overledene) zijn op het Drents Archief, toegangnr: 0119.05, inventarisnr: 9: Kantoorplaats: Meppel, Overledene Martinus Alblas, Overlijdensplaats: Vledder (Frederiksoord), Overlijdensdatum: 09-11-1823 cassettenr: 78; opnamenr: 714 (1) De Star van januari 1824 meldt: Overleden: in No 1 en 2 martinus alblas ------------- Daarna worden er verscheidene, niet zo geslaagde pogingen ondernomen om een mannelijke huisgenoot bij de weduwe Alblas in te delen: Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de Maatschappij dd 15 februari 1824: Met informatiën dat Pieter Konkelberg alhier is aangekomen met een brief van ZijnHoogEdGestrenge den Heer 2 Adsessor uit S'Hage, inhoudende onder andere een advys om die man bij de wed. Alblas als zeer geschikt voor dat huisgezin in te delen en daar ik dito man door zijnen naam en jaren geloofde te zijn den perzoon waar over de Permanente Kommissie mij bij haare missive van den 15 december A.P. no. 65/12 schreef, maakte ik geen zwarigheid denzelve aantenemen en aan de intentien van welgem. HoogEdGest. te voldoen, door hem bij de wed. Alblas intedelen, hoe wel ik veronderstelde hij tot eene der Haagsche huisgezinnen zoude behoren; hoe het met dito zaak nu eigenlijk is gelegen is mij duister geworden, het zal mij derh. aangenaam zijn van de Permanente Kommissie te mogen verneemen hoedanig die man moet worden beschouwd en daar mede verder behoort te worden gehandelt. Blijkbaar gaat dit niet door en haar volgende ingedeelde heeft psychische problemen: Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de Maatschappij dd 12 juni 1824: Dat den persoon van C. Schrijver welke overeenkomstig de missive der Permanente Kommissie dd. 22 mey no. 132/5 hier is aangekomen om op eene of andere wijze in dienst der Maatschappij te worden gesteld, tot geenerleij werk in staat is; de Heer Falck heeft met het grootste geduldt en alle middelen tot bemoediging en opbeuring hem tot eenig administratief werk tragten bekwaam te maken, waartoe de man voor heen welligt geschikt was, doch te vergeefs; veeltijds schijnt hij zinneloos, dan beklaagt hij zich over zijne tegenwoordige toestand, dan eens doet hij zich verwijtingen van zelf de schuld te zijn van zijn ongeluk, terwijl op andere tijden hij dit aan andere toeschrijft, somtijds blijft hij geheele dagen zonder eeten op bed liggen en schijnt als een wanhopige de dood te zoeken, dan wederom eet hij meer dan buitengewoon. Dit alles maakt hem zoo als reeds gezegd is, tot eenig werk onbekwaam; zelfs hebben wij met moeite iemand gevonden die hem wil logeren, niet tegenstaande ik voor de betaling der kosten heb moeten instaan. Gaarne wenschte ik daar om te worden geinformeerd hoedanig met deze ongelukkige te handelen, terwijl het mij is voorgekomen zijn sort(?) der Permanente Kommissie belangstellling inboezemde. Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de Maatschappij dd 11 juli 1824: Toen ingevolge missive der Permanente Kommissie dd. 24 juny N 243 aan C. Schrijver door den Heer Falck wierd aangemeldt dat hij uit hoofde zijner ongeschiktheid tot eenig werk niet in dienst der Maatschappij kon worden aangenomen, heeft hij alle mogelijke beloften van beterschap gedaan en op het dringendste verzogt nog eenige tijd te mogen blijven. Bewogen met zijn beklagenswaardige positie hebben wij de vrijheid genomen hem nog weder te laten continueren op het Algemeen Bureau te komen. Dan ondanks deze beloften heeft hij in plaats van te beteren, zich aan dronkenschap beginnen schuldig te maken, waarom wij zijn vertrek van hier op woensdag den 14 dezer hebben vast gesteld. Tussendoor wordt de weduwe ook nog ziek: De Star van augustus 1824 meldt:: In den 1ste en 2de koloniën waren, gedurende deze maand, geene zieken. In de 3de, 4de en 6de waren er meer dan gewoonlijk. De kolonisten kuipers, westhoff en de vrouw van alblas zijn nog gevaarlijk krank. Waarna het tragisch afloopt met haar huisgenoot: Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de Maatschappij dd 19 oktober 1824: Voorts vinde ik mij verpligt de Permanente Kommissie te informeren dat de persoon van C. Schrijver gisteravond gevonden is, liggende in de heide nabij kol. N1, met alle tekens van zich door een pistoolschot van het leven te hebben berooft. Eenige papieren en brieven welke hij bij zich hadt zijn provisioneel door den Heer schout van Vledder in bewaring genomen om daar mede te handelen als naar regten; zoodra eenige derzelve in mijnen handen komen zal ik dien de Permanente Kommissie doen geworden. Uit het bevolkingsregister Vledder, overlijdensakte, aktenummer 20 van 1824: Overledene: Cornelis Schrijver, overleden te Nijensleek (Vledder) op 18-10-1824; oud: 39 jaren, zoon van NN NN en NN NN. NB. woonplaats 's Gravenhage. Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de Maatschappij dd 13 november 1824: Voorts te berigten dat de nagelaten goederen en papieren van C. Schrijver overeenkomstig zijn verlangen door de wed. Alblas naar 's Hage zijn verzonden. ----- Een paar maanden later wil de weduwe Alblas met de nog achtergebleven kinderen van de kolonie weg: Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de Maatschappij dd 3 april 1825: De weduwe Alblas, kol. N1 ontslag verzogt hebbende, heb ik de eer dit ter kennis van de Permanente Komm. te brengen, met voorlegging van extrakt uit het slot harer rekening in het bijzonder die bij de volkomene likwidatie met den oogst etc. naar mijnen gedagten nog wel een beter saldo zal opleveren; terwijl wij verder gaarne zien zouden dat deeze vrouw de kolonien kon verlaten. Bijgevoegd is de eindafrekening van de weduwe Alblas: Hoeve 14 Weduwe Alblas aan 16 jarige schuld 208,71½ aan lopende schuld 312,06 landhuur en fonds van veldarbeid - diverse schuld 68,82 Totaal 589,39½ De weduwe vertrekt daarna van de kolonie. Genealogische informatie over het geslacht staat op de site van Kees Alblas |
|
|
|
|