Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen




De belevenissen van de kinderen Alles

Eind 1819, begin 1820 wordt de tweede kolonie bevolkt (De proefkolonie blz. 211 en 228). Maarten Alles is rond de veertig als hij door de subcommissie van weldadigheid Beemster wordt uitverkoren om kolonist in Frederiksoord-2 te worden. Maart 1820 aanvaardt hij de reis, vergezeld van echtgenote Marijtje en hun zes kinderen. De reis verloopt dramatisch en na een paar jaar volgt nog meer rampspoed, zodat de zes kindjes Alles verweesd op de kolonie achterblijven. Er wordt flink met ze rondgesold, maar als het laatste restje gezinsverband lijkt te gaan verdwijnen, worden ze gered door de bel.

Op woensdag 15 maart 1820 schrijft directeur der koloniŽn Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie in Den Haag:
'Heden is in de kolonie aangekomen:

Beemster / Maarten Alles met 5 of 6 kinderen, zijnde zijne vrouw op weg aan de gevolgen eener ontijdige verlossing overleden. De kinderen zijn nog zeer jong.'

Er wordt niet vermeld waar de ontijdige verlossing en het overlijden hebben plaatsgevonden, een overlijdensakte is ook niet gevonden. Als het zich heeft afgespeeld op de kleine beurtschip dat kolonisten over de Zuiderzee vervoert, is onontkoombaar dat de kinderen er het nodige van mee hebben gekregen.
Jan, Kornelis, Pieter, Grietje, Aaltje en Klaas zijn inderdaad nog jong. Respectievelijk ongeveer 13, 12, 9, 6, 4 en 3 jaar oud. Directeur Benjamin dringt erop aan dat er bij dit gezin en bij het gezin van de Delftenaar Dijkshoorn wiens vrouw in februari op de kolonie is overleden huishoudsters worden aangesteld:

'De Kolonist Alles uit de Beemster heeft, zo als ik reeds vroeger aan de Kommissie berigte, op de reis naar herwaards zijne vrouw verloren en is met zes nog jonge kinderen blijven zitten. De Kommissie had de goedheid op mijn voorstel, bij eene voorkomende gelegenheid deze man eene huishoudster toetezeggen, als mede aan Dijkshoorn die in het zelfde geval is. (...) Mag ik de belangens dier beide huisgezinnen nogmaals de Kommissie, bij voorkomende gelegenheid aanbeveelen.'

Hij meldt: 'de subcommissie uit de Beemster schijnt wel gelegenheid te hebben aan het verlangen van hare kolonist te voldoen', maar als er dan een huishoudster gevonden is, blijkt men er een van de verkeerde godsdienst te hebben geselecteerd:

'De huishoudster aan den kolonist Alles toegedacht zou zeer welkom zijn, maar dewijl hij tot de roomsche kerk behoort zal dit niet kunnen doorgaan.'

Er wordt dan een huishoudster gevonden in de directe omgeving van de kolonie. Dirkje Winters uit Steenwijk, ongeveer 26 jaar, zal zorg gaan dragen voor het huishouden en de verzorging van de kindjes Alles. Vermoedelijk is zij door de actieve subcommissie Steenwijk tevoorschijn getoverd.
Zoals wel vaker - zie bijvoorbeeld proefkolonist Tijmes, De proefkolonie blz. 339 - blijft het huidhoudsterschap niet beperkt tot licht huishoudelijk werk. Na twee jaar brengt de kolonie-directie enkele verzoeken van kolonisten over, waaronder:

'Dat van den kolonist Alles uit kol no.2 hoeve no.50 de vrijheid tot het aangaan van een wettig huwelijk met Dirkje Winters van Steenwijk, welken bij hem sedert eenigen tijd als huishoudster heeft gedient; vindende ik voor mij geene redenen waar om dit verzoek zoude worden gewezen van de hand.'

Januari 1823 trouwt de dan 43-jarige Maarten Alles met de dan 28-jarige Dirkje Winters. Maar nog in hetzelfde jaar dat de kinderen Alles een nieuwe (stief)moeder hebben gekregen, verliezen zij hun vader. Acht maanden na het huwelijk overlijdt Maarten Alles. Op 4 oktober schrijft de directeur:

'Wijders vind ik mij verpligt bij dezen ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen, het overlijden van den kolonist Alles, kolonie no.2. Deze man laat na zes kinderen en eene tweede vrouw; die stiefmoeder schijnt van mening te zijn de kolonie en de zes kinderen haars overleden mans te verlaten, waardoor dan die wezen welken niet in staat zijn zich zelven te onderhouden noch bestieren, overblijven.'

Het is niet alleen maar een voornemen van Dirkje Winters. Al twee weken daarna wordt vanuit Frederiksoord gemeld:

'(...) dat de wed. Alles van kolonie no.2 de kolonie reeds heeft verlaten; waardoor wij zijn verpligt aan die weezen als huisverzorgers toe te voegen zekeren Georg Althoff met vrouw en een kind, nader op nevensgaande staat vermeldt; terwijl dit door ons echter als eene provisioneele en door den drang der omstandigheden gevorderde maatregel wordt beschouwd, kunnen de bewuste kinderen overeenkomstig het gevoelen der Permanente Kommissie in der tijd naar het gestigt te Veenhuisen worden overgebragt.'

De gestichten voor weeskinderen en bedelaars in Veenhuizen zijn op dat moment nog in aanbouw. Maar ook als ze afgebouwd zijn, blijven de kinderen Alles vooreerst nog in Frederiksoord. Er is namelijk iemand gevonden die voor ze zorgt. Reinoudje of Reijnildis Bakker is in de kolonie gekomen vanuit Texel, zij is ongeveer 35 jaar en zelf, na het binnen ťťn jaar overlijden van haar beide ouders, al vanaf haar negende levensjaar wees. De manier waarop de directie over haar schrijft, duidt op algemene tevredenheid over haar goede zorgen voor de kinderen.
Maar ook zij heeft - net als eerder Dirkje Winters - een eigen toekomst en eigen toekomstplannen. Maart 1825 schrijft de directie:

'Den kinderen van wijlen kolonist Alles kol. N2 was sedert eenigen tijd als hoofd des huisgezins met goed gevolg toegevoegd, de kolonist Reinoudje Bakker van Texel, dan daar deeze zich thans na bekomene authorisatie der Perm. Kommissie met den kolonist Nieuwenhuis in het huwelijk begeeft, komen gen. wezen weder zonder opzigt;
daar ik vermeen dat het vroeger de intentie der Permanente Kommissie was, deeze kinderen naar Veenhuizen overteplaatsen, zouden wij daaraan nu gevolg geeven.'

Aldus geschiedt. Op 25 maart 1825 vertrekken de kindjes Alles vanuit Frederiksoord naar een van de 'etablissementen' in het 30 kilometer noordelijker gelegen Veenhuizen. Jan, net 18 geworden, Kornelis van 17, Pieter van 13 en Klaas van 8 jaar, komen op de jongensslaapzaal, de 11-jarige Grietje en de 9-jarige Aaltje op de meisjesslaapzaal.


Ze bevinden zich temidden van over de duizend lotgenoten. De omstandigheden zijn niet ideaal. Bij tijd en wijle worden de gestichten getroffen door besmettelijke ziektes die dodelijke slachtoffer eisen. De broers en zussen spreken elkaar alleen door het hek dat over de binnenplaats loopt en dat het jongensdeel van het meisjesdeel scheidt.


Maar dan... komt er eindelijk een keer goed nieuws. Als ze zes maanden in Veenhuizen zijn, is er een brief van de subcommissie van weldadigheid Beemster:

'Aan de kinderen van wijlen Maarten Alles en Marijtje Bakker, in der tijd echtelieden, welke kinderen van wege deze gemeente, in de kolonie Frederiks-oord zijn geplaatst, is uit de nalatenschap van wijlen den Heer Bernardus Spekken te Rotterdam, een, voor hunne omstandigheeden, vrij aanzienlijk legaat opgekomen, met bijgevoegde begeerte, dat opgem. kinderen uit de vruchten van het zelve tot eenig bedrijf zouden worden opgeleid, en onder het opzicht van daartoe gestelde voogden gebragt.
Wij neemen alzoo de vrijheid UWelEd. te verzoeken, de voorn. kinderen, weder ter onzer dispositie te willen stellen, en ons te willen berichten, wanneer wij de voorn. kinderen zullen kunnen doen afhalen.

De directie maakt de rekening op en daaruit blijkt dat het gezin veel meer heeft verteerd dan ze door arbeid heeft kunnen terugwinnen. Er staat een 'schuld' van 772 gulden en tweeŽndertigeneenhalve cent, waarvoor de subcommissie Beemster zal moeten opdraaien. Daartegenover staat dat de kinderen in de paar maanden in Veenhuizen voor 55 gulden aan 'oververdienste' bij elkaar hebben gespaard. In oktober verlaten zij Veenhuizen en keren zij terug naar de Beemster.