|
BAADE,
Jacob
|
|||
| Spellingvariaties: |
Bade, Brade
|
||
| Levensdata: |
24-7-1760 (ged.
25-07-1760) tot
15-3-1836 Frederiksoord |
||
| Subcommissie: |
Amsterdam, via dokter
Nieuwenhuis |
||
| Aankomst: |
1 november 1818 |
||
| Hoevenr.
(tot 1823) |
Nr. 14 |
||
| Vorig
beroep: |
schoenmaker |
||
| Geloof: |
man luthers, vrouw en
dochter hervormd |
||
| Echtgeno(o)t(e): |
Elisabeth Geerding,
20-6-1772 Amsterdam (ged. 23-06-1772) tot 21-11-1834 Frederiksoord |
||
| Kinderen: |
- Christiaan 4-2-1794
Amsterdam (eerst niet meegekomen naar de kolonie) - Anna Maria 18-02-1804 Amsterdam Er is ook nog een in 1798 geboren zoon Gerhard, maar of die is al eerder overleden of die heeft besloten niet mee te gaan naar de kolonie. |
||
| Overige
huisgenoten: |
- Ingedeelde Dirk Wiemes
die
in mei 1820 het allereerste koloniehuwelijk sluit met een voordochter
van proefkolonist De Ruiter en dan huisverzorger wordt. - Van midden 1823 tot juni 1824 is ingedeeld Johannes Hofman van het weeshuis in Tholen, van wie een brief vanuit het opleidingsinstituut Wateren op de site staat. |
||
| Opmerkingen: | Bovenstaande
gegevens plus gegevens helemaal onderaan de pagina zijn niet alleen uit
het soms onbetrouwbare kolonieregister, maar aangevuld met gegevens van
onderzoeker Jaap van den Hurk (waarvoor dank), zie deze externe link. |
||
Koloniale carrière |
|||
| Samengevat: |
Al behoorlijk op
leeftijd - bij aankomst 58 jaar - kan hij op het land niet goed
meekomen. Hij gaat in de keuken helpen en houdt daar de menagelijst
bij, krijgt van Benjamin ook ander administratief werk tot hij volgens
Johannes te slechtziend wordt om dat te doen. Wordt dan de eerste
kolonist-schoenlapper. |
||
| In
het boek: |
Bij naam op de bladzijden
131, 134, 166, 191, 194, 217, 218, 243, 260 (als Bade), 291-292, 375 Anoniem over zijn leeftijd bij aankomst op bladzijde 36. |
||
Fragmenten uit de archieven
|
|||
Uit de voordracht door dokter Nieuwenhuis dd 19 oktober 1818: Zoude er nog een plaats overige zijn, dan geloof ik op recommedatie van eenige Heeren alhier nog de persoon van Jacob Baade met zijne vrouw aan uwe protectie te kunnen aanbevelen. Deze man was schoenmaker en schijnt een goede aanleg te hebben, zoo als zijn inliggend verzoek schijnt te blijken. Het zal mij aangenaam zijn spoedig te vernemen dat zijne K.H. onzen President Zijnen naam aan onze eerste moeder colonie gelieve te verlenen, en gevolglijk peter over dezelven zijn wil. Bijgevoegd: WelEdele Heer! Geinformeerd zijnde dat UWEd als medelid in de Hoofd Commissie van Weldadigheid geplaatst is, nemen door dit de vrijheid mij tot UWEd te wenden met instantelijk verzoek door UWEd invloed te willen bewerken, dat een huisgezin, door tegenheden en rampen gedrukt voor verderen onspoeden moge bewaard blijven, met het zelve te doen plaatsen, t zij als colonist of in eenige andere betrekking welk UWEd in uwe wijsheid zoude oordelen ten meeste nutte te zijn. De Heeren Benneholz en Bonebakker, bij wien de eer heb bekend te zijn zullen wel de goedheid hebbe, wanneer eenige aanmerkingen op deze letteren mogt vallen, behoorlijk getuigenis van mijne toestand en persoon mede te delen. Na mij in UWEd gunstige bescherming aanbevolen te hebben, heb ik de eer mij met hoog achting te noemen, Wel Edele Heer Uw Nederig Dienaar, Jacob Baade Amsterdamsche Courant 2 november 1818: Op voordragt van de sub-commissie der Maatschappij van Weldadigheid alhier, zij, door de permanente commissie, om reeds dit jaar den aanleg eener volksplanting te Westerbeeksloot (Frederiks-oord), nabij Steenwijk, te beproeven, voor deze stad aangenomen de huisgezinnen van Johannes Bos, sterk zes hoofden, en van Jacob Baade, sterk drie hoofden; welke huisgezinnen, op den 31sten october, van hier naar hunne bestemming vertrokken zijn. Uit een brief van Benjamin dd 23 november 1818: In het huisgezin van Brade is meede op last van den 2 assessor een jongen van 20 jaar ingedeelt, die eene volle mans kleeding heeft ontvangen en als zodanig is bereekend. De man zou zonder deeze voorzorg buiten staat zijn geweest zijnen akker te bebouwen. Uit een brief van Benjamin dd 2 december 1818: Het huisgezin van Bade (... en anderen ...) zijn elk met een persoon vermeerdert, waaromtrent de Permanente Kommissie nader berigt verlangd. De bij Bade (en de weduwe Vergeer) ingedeelde personen zijn beiden gepasporteer de soldaten, die van een goed gedrag en steeds in de kolonie werkzaam geweest zijn. Beide deeze huisgezinnen, niet zeer voor den veldarbeid geschikt, hebben tot deeze indeeling bij herhaling aanzoek gedaan, en naar het mij toeschijnt schijnt deeze mesine(?) zeer goed aan het oogmerk te zullen beantwoorden Uit een brief van Benjamin dd 20 januari 1819: Bade, die de menage lijst houd, heeft zich met de geringe bezigheden, die ik Sweitzer kon toevertrouwen, gechargeerd; deeze man die eene goede hand schrijft, en niet van oordeel ontbloot is, zou waarschijnlijk wel voor de administratie zijn opteleiden; waar daar hij in t vervolg voor de Kommissie zeer bruikbaar worden kan voor den landbouw heeft hij geene disposities. Notulen pc dd 25 januari 1819: Brief van den Direkteur, 20 januari, (...) voorts rapport doende van de goede conduites der overige onderofficieren, vooral van Bade, die de menage lijst houdt: Uit een brief van Benjamin dd 12 februari 1819: Ook ten aanzien van (...), Bade, (...), (...) en (...), die voor de veldarbeid zeer weinig dispositie hebben zijn door mij eenige provisionee le schikkingen gemaakt di ik bij mijne volgende aan de goedkeuring der Kommissie zal onderwerpen. Uit een brief van Benjamin aan zijn broer dd 15 februari 1819: (...), Bade, (...), (...) en (...), ook (...) zijn niet voor den veldarbeid geschikt. Ik heb dus begonnen, hun de geheele week in den fabrijk t laten, waar zij alle, met uitzondering van Bade, die in de keuken is, geemployeerd zijn, en zal hun ƒ 1=.= op het verdiende loon korten, en daarvoor een bekwaam arbeider 2 dagen op hunne grond doen werken. Ik heb mij door herhaalde proefnemingen van de noodzakelijkheid van deze maatregel, die ik U verzoeke aan het oordeel der Kommissie te willen onderwerpen, overtuigd. Uit een brief van Benjamin dd 19 februari 1819: Deze stukken, bijna de eenige werkzaam heden door Bade verricht wordende, zijn niet met die attitude en proprieteit gehouden als de Kommissie met regt zoude kunnen verwagten. Ik heb in mijn oordeel ten aanzien van Bade te voorbarig geweest, terwijl het mij leed doet te ontdekken, dat hij voor de administratieve werkzaamheden bijna even weinig als voor den veldarbeid geschikt is. Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files. Notulen pc dd 28 augustus 1819: het huwelijk met den aangenomen zoon van Bade toetestaan, mits voldoende aan al wat de wet desaangaande gebiedt, en onder speciale voorwaarde dat Bade consenteert de jonggehuwden in huis te nemen. Uit een brief van Benjamin dd 15 december 1819 over het in huis opnemen van een zoon: Bade heeft het zelfde verzoek gedaan, dan daar zijn zoon uit s'lands dienst gedemiteerd is, en zelfs tot de kruiwagen was gecondemneerd, komt het mij voor, dat zijn verzoek niet in aanmerking komen zal. De vergunning van des winter in het huis zijnes vader door te brengen, wenschte ik uit hoofde de vader braaf oppast, en de jongen, waarvan het laatste vonnis dadelijk vernietigd is, zich schijnt gebeterd te hebben, bij de Kommissie te ondersteu nen. Notulen pc dd 30 december 1819: den Direkteur aanteschrijven dat de zoons van Bade en Vos, gedurende een winter, bij hunne ouders kunnen blijven inwonen, en dat de voortduring dier inwoning zal afhangen van hun ieder goed gedrag; Uit een brief van Benjamin dd 12 mei 1820: Dirk Wiemes, ingedeelde bij Bade zal binnen weinig dagen trouwen met een dochter van de kolonist de Ruiter. Beide zijn oppassende jonge lieden. Den 2 assessor, die tot huwelijk zijne toestemming gaf, zou tevens aan de Kommissie voorstellen, hem als huisverzorger over de kinderen uit Zaandam komende te plaatzen. Volgens de huwelijksakte is Wiemes dan al enkele dagen getrouwd: Vledder, huwelijksakte, aktedatum 7 mei 1820, aktenr. 4 Bruidegom: Dirk Johannes Wiemes, oud: 29 jr., zoon van Alexander Wiemes en Gesina Labrie. Bruid: Elizabeth Smies, oud: 21 jr., dochter van Jan Smies en Levina Lamiere. Star augustus 1820: Bezoek Prins van Oranje: Z.K.H. gewaardigde zich, in enkele huizen der kolonisten binnen te treden. Met de vrouw van baade trad hoogstdezelve in een gesprek, hoorde met genoegen haar vol geestdrift spreken over haren gelukkigen toestand, bezag de pas gerooide aardappelen, de mistvalt, en vraagde naar hare koeijen. NB: in de navolgende stukken wordt steeds de ZOON van Baade bedoeld. Notulen pc dd 4 november 1820: De Generaal produceert een missive van Frederiksoord, 8 october, door den gewezen huisverzorger Fanner ingezonden, behelzende verscheiden aanklagten tegen den onderdirekteur Everts en den boekhouder Bade: welke worden opgege ven dat door het getuigenis van den kolonist Heskom, Willem Vroeg, den onderopzigter Koppens, den sergeant Reichard, de kolonist Emilia Blondin, zouden kunnen worden bevestigd: ... Besloten den Direkteur te schrijven, dat de P.K. wenscht gezegde aanklagten door den raad van toezigt in de kol. no.2 te benoemen, ernstig te doen onderzoeken, dat de opgegevene getuigen, door dien raad gehoord moeten worden en aan de P.Kommissie omstandig verslag van de toedragt der zaken worde ingezonden. Notulen pc dd 1 december 1820: Op den brief van den Direkteur 62/11 (over Fanner) dat denzelven moet worden aangeschreven, dat de P.K. gezien hebbende uit de verklaring van den raad van toezigt, dat het gezin van Fanner zich zoo zeer misdragen hebbende, uit dien hoofde de inwoning der kol. aan hetzelve is ontzegt, maar tevens met geen minder misgenoegen het ongepaste gedrag zoo van den gewezen onderdirekteur Evers, als van den boekhouder Bade heeft ontwaard, en verlangt de opzigters in de kol. no.2 ten ernstigste te waarschuwen van zich in het vervolg geheel van vloeken en slaan te onthouden, onder aanzegging dat de eerste inkomende klagten dadelijk de verwijdering der schuldigen ten gevolge zal hebben. Notulen pc dd 4 december 1820: Besloten den Heer Direkteur aanteschrijven dat de P.K. bij haar besluit ter inrigting van den onderdirekteursboeken, op den 27 oktober 1820 genomen, uitdrukkelijk bepaald heeft, dat door de boekhouders in iedere kolonie wekelijks zou worden ingezonden eene opgave, met hoeveel ieder respekt der rekening is bezwaard of gekrediteerd; dat hieraan door den boekhouder der kol. no.3 slechts tot 14 november is voldaan, door dien van de kol. 1 en 2 slechts eenen gebrekkigen opgave is ingezonden, terwijl van de kol. no.4 en van de Ommerschans nog geene opgave hoegenaamd is ingekomen: dat de P.K. het van het meeste belang rekent, dat aan hare instruktien stiptelijk voldaan worde en dus met dezer den Direkteur verzoeken de boekhouders der onderscheidene kolonien het verlangen der P.K. andermaal te beteekenen, met bijvoeging dat wie in gebreke zal blijven om aan deze bepaling te voldoen, staat te worden bedankt en weggezonden. Notulen pc dd 16 december 1820: De Kommissie wenscht dat de boekhouder Bade ten dezen aanzien met de boekhouder in Willemsoord raadpleegd waar de lijsten behoorlijk worden opgemaakt. Uit een brief van Johannes dd 1 augustus 1821: In weerwil van alle aangewende pogingen is het niet mogelijk de lopende administratie bij te houden, veel meer het achterstallige bij te werken. ... Bade, de jongen, fungeerd thans als boekhouder van N1 en 2, en kan dit niet.( ..). Nergens is order. De onderdirecteursboeken in N1 en 2 zijn mede zeer te achter. Dit kan dus zo niet. (...) De oude Bade kan niet meer zien. Hij maakt thans schoenen. In het laatste kwam even de oude Baade ter sprake, maar het volgende gaat weer over de zoon: Uit een brief van Johannes dd 12 december 1821: Bade (de boekhouder) wiens liederlijk gedrag meermalen de berisping der Kommissie verdiende, heeft het eindelijk zo slecht gemaakt dat wij verplicht gevonden zijn hem weg te jagen.
- De oude Jacob Baade overlijdt, anderhalf jaar na zijn echtgenote, in 1836 op 75-jarige leeftijd op de kolonie. - Zijn dochter Anna Maria Baade trouwt met een zoon van de Nijmeegse kolonist Van Limbeek (zie over Van Limbeek verder hier), maar zou volgens de rode boeken van Kloosterhuis op 64-jarige leeftijd wegens bedelarij in Leeuwarden veroordeeld zijn en in de Ommerschans en Veenhuizen terechtgekomen zijn. Ze overlijdt op 68- jarige leftijd in Veenhuizen. - Zoon Christiaan Baade komt op 21 augustus 1824 in de Ommerschans als bedelaar. Hij vertrekt op onbekende datum naar het depot der koloniale troepen te Harderwijk, maar zal nooit in Indië aankomen, want hij overlijdt 24 september 1826 in Harderwijk. |
|||